Eiser, een Turkse nationaliteit dragende vreemdeling uit Oekraïne, verbleef tijdelijk in Nederland op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB). Hij diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier ‘humanitair niet-tijdelijk’, die door de minister werd afgewezen wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het ontbreken van een beschermwaardig familieleven.
De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een beschermwaardig familieleven tussen eiser en zijn voormalige partner, mede omdat de relatie op het moment van het besluit mogelijk al was verbroken en de minister aannemelijk heeft gemaakt dat geen duurzame en exclusieve relatie bestond. De belangenafweging ten aanzien van het privéleven van eiser leidt niet tot een andere uitkomst, mede vanwege het tijdelijke karakter van zijn verblijfsrecht onder de RTB.
Ten aanzien van het terugkeerbesluit oordeelt de rechtbank dat het besluit niet prematuur is, omdat de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 is geëindigd. Hoewel eiser stelt dat hij risico loopt op onmenselijke behandeling bij terugkeer naar Turkije vanwege registratie als dienstplichtontduiker, heeft de minister een geactualiseerde refoulementbeoordeling gemaakt en voldoende gemotiveerd dat dit risico niet aannemelijk is.
De rechtbank verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit gegrond wegens een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, vernietigt het besluit, maar laat de rechtsgevolgen in stand. Tevens worden de beroepen tegen eerdere terugkeerbesluiten niet-ontvankelijk verklaard. Eiser krijgt een proceskostenvergoeding van €1.868,- toegewezen.