Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14484

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
NL24.9227 NL25.26379
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 6:19 AwbArt. 8:85 AwbRichtlijn 2001/55/EGRichtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning en terugkeerbesluit Oekraïense vreemdeling

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende vreemdeling uit Oekraïne, verbleef tijdelijk in Nederland op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB). Hij diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier ‘humanitair niet-tijdelijk’, die door de minister werd afgewezen wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het ontbreken van een beschermwaardig familieleven.

De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een beschermwaardig familieleven tussen eiser en zijn voormalige partner, mede omdat de relatie op het moment van het besluit mogelijk al was verbroken en de minister aannemelijk heeft gemaakt dat geen duurzame en exclusieve relatie bestond. De belangenafweging ten aanzien van het privéleven van eiser leidt niet tot een andere uitkomst, mede vanwege het tijdelijke karakter van zijn verblijfsrecht onder de RTB.

Ten aanzien van het terugkeerbesluit oordeelt de rechtbank dat het besluit niet prematuur is, omdat de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 is geëindigd. Hoewel eiser stelt dat hij risico loopt op onmenselijke behandeling bij terugkeer naar Turkije vanwege registratie als dienstplichtontduiker, heeft de minister een geactualiseerde refoulementbeoordeling gemaakt en voldoende gemotiveerd dat dit risico niet aannemelijk is.

De rechtbank verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit gegrond wegens een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, vernietigt het besluit, maar laat de rechtsgevolgen in stand. Tevens worden de beroepen tegen eerdere terugkeerbesluiten niet-ontvankelijk verklaard. Eiser krijgt een proceskostenvergoeding van €1.868,- toegewezen.

Uitkomst: Beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning ongegrond, beroep tegen terugkeerbesluit gegrond met in stand laten van rechtsgevolgen en toekenning proceskostenvergoeding.

Uitspraak

uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.9227 en NL25.26379
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. N.R.H. Boon),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. E. de Bonth).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiser is opgelegd op 17 september 2025 (NL24.9227) en de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning regulier vanwege niet-tijdelijke humanitaire gronden (NL25.26379). Eiser is het niet met deze besluiten eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag en de oplegging van het terugkeerbesluit.
De rechtbank komt de rechtbank in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning regulier ‘humanitair niet-tijdelijk’ in stand kan blijven. Het beroep met het zaaknummer NL25.26379 is dus ongegrond. De rechtbank verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit met het zaaknummer NL24.9227 gegrond, maar is van oordeel dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Dit betekent dat de minister geen nieuw besluit hoeft te nemen en dat eiser binnen de gestelde termijn moet terugkeren naar Turkije. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2002 en heeft de Turkse nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op
24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB)1 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.2 De
1. Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2 Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822.
minister heeft verschillende terugkeerbesluiten, gericht op vertrek naar Turkije, aan eiser opgelegd. Het meest recente terugkeerbesluit dat de minister aan eiser heeft opgelegd is van 17 september 2025.
4. Daarnaast heeft eiser op 5 maart 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier ‘humanitair niet-tijdelijk’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 4 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 mei 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
5. Eiser heeft tegen beide bestreden besluiten beroep ingediend.
6. De minister heeft op beide beroepen gereageerd met een verweerschrift.
7. De rechtbank heeft de beroepen (NL25.26379 en NL24.9227) op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en de gemachtigde van eiser zijn – met kennisgeving voorafgaand aan de zitting – niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
8. De rechtbank zal eerst het beroep gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar van eiser bespreken (NL25.26379). Vervolgens zal de rechtbank het beroep gericht tegen het terugkeerbesluit bespreken (NL24.9227).
Beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier ‘humanitair niet-tijdelijk’ (NL25.26379)
9. Eiser heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij privéleven in Nederland wil uitoefenen als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM.3 Hierbij heeft hij gesteld dat hij in Nederland een relatie heeft met een Oekraïense vrouw en hier te lande woont en werkt.
Besluitvorming
10. De minister heeft de aanvraag van eiser met het primaire besluit afgewezen, omdat eiser niet beschikt over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiser komt volgens de minister niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste, omdat zijn uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Tussen eiser en zijn partner is geen sprake van familieleven in de zin van dat artikel en eiser heeft weliswaar privéleven als bedoeld in dat artikel, maar het belang van de Nederlandse overheid om eisers verblijf in Nederland te weigeren weegt zwaarder dan eisers belangen.
11. In het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en zijn besluit van 4 juni 2024 gehandhaafd. De minister heeft de afwijzing van de aanvraag nader gemotiveerd en daaraan toegevoegd dat uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM, omdat eiser en zijn partner beiden niet beschikken over de Nederlandse nationaliteit en geen rechtmatig verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, dan wel l, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Er is daarom volgens de minister met de weigering eiser verblijf toe te staan, geen sprake van een inbreuk op het
3 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Een belangenafweging is, nu relevant familieleven onbreekt, daarom niet nodig, aldus de minister. Wat betreft het privéleven is het standpunt gehandhaafd dat de belangenafweging niet in het voordeel van eiser uitvalt.
Het standpunt van eiser in beroep
12. Eiser voert aan dat wel sprake is van een beschermenswaardig familieleven tussen hem en zijn partner. De partner van eiser heeft namelijk nog een verblijfstitel op grond van de RTB. De omstandigheid dat de verblijfstitel van zijn partner niet kwalificeert als rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van Pro de Vw, doet er volgens eiser niet toe. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van
15 oktober 2024.4 In die uitspraak viel de echtgenoot van de vreemdeling ook onder de RTB en heeft de rechtbank overwogen dat wel sprake was van een beschermenswaardig familieleven. Eiser voert verder aan dat de minister miskent dat eiser onder de RTB verblijf heeft gehad en dat om die reden geen sprake is van het opbouwen van privéleven tijdens onrechtmatig verblijf.
13. Eiser heeft bij bericht van 7 november 2025 laten weten dat zijn relatie met de Oekraïense vrouw recentelijk is verbroken, maar dat zijn situatie verder ongewijzigd is, hij nog steeds in Nederland werkt en hij hier zijn privéleven wenst voort te zetten.
Het oordeel van de rechtbank
Familieleven
14. Hoewel eiser in beroep heeft aangegeven dat de relatie met de Oekraïense vrouw inmiddels is verbroken, moet het bestreden besluit worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden die zich op moment van het nemen ervan voordeden. Voor zover de relatie op dat moment niet al was verbroken5, is de rechtbank van oordeel dat wat eiser in beroep heeft aangevoerd er niet toe leidt dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake is van familieleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit voor de motivering is verwezen naar het primaire besluit. Zoals in het verweerschrift en ter zitting door de minister is bevestigd, ligt aan het bestreden besluit, naast de tegenwerping zoals weergegeven onder 11, daarom ook nog ten grondslag dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie. Nu dit standpunt in beroep niet is bestreden, bestaat reeds hierom geen reden om aan te nemen dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake is ongerechtvaardigde inbreuk op het familieleven van eiser als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Wat is aangevoerd over de tegenwerping betreffende verblijfsstatus van de Oekraïense vrouw, behoeft dan ook geen bespreking. Hierbij wijst de rechtbank erop dat blijkens de door eiser genoemde uitspraak van 15 oktober 2024, de betreffende vreemdeling en referente waren gehuwd en het gezinsleven in die zaak niet in geschil was. De beroepsgrond slaagt niet.

4.ECLI:NL:RBDHA:2024:22125.

5 Eiser heeft in zijn bericht van 7 november 2025 niet gespecificeerd wanneer de breuk zich heeft voorgedaan.
Privéleven
15. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers in Nederland uitgeoefende privéleven geen reden is om aan hem een verblijfsvergunning te verlenen.
16. De minister heeft in het bestreden besluit in het kader van de belangenafweging betrokken dat eiser op 16 juni 2022, op negentienjarige leeftijd, naar Nederland is gekomen, dat hij is ingeschreven voor een opleiding in Nederland, dat hij hier heeft gewerkt, dat hij als vertaler heeft geholpen bij de opvang waar hij verblijft en dat hij in zijn periode hier sociale contacten heeft opgedaan, zoals de Oekraïense vrouw en anderen. De minister heeft dit in het voordeel van eiser meegewogen. De minister heeft in het nadeel van eiser meegewogen dat eiser niet eerder een verblijfsvergunning in Nederland heeft gehad, zodat sprake is van een eerste toelating. Verder is betrokken dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een objectieve belemmering om privéleven in Turkije op te bouwen. Ook heeft de minister betrokken dat eiser pas op volwassen leeftijd naar Nederland is gekomen, hij in Turkije naar school is gegaan, hij de taal spreekt en het grootste deel van zijn leven in Turkije geeft gewoond. Niet is aannemelijk gemaakt dat alle banden met familie en vrienden daar zijn verbroken. Ook is niet gebleken dat eiser niet ook in Turkije kan werken, een opleiding kan volgen, opnieuw sociale contacten kan aangaan en zijn contacten in Nederland vanuit het buitenland kan onderhouden via telefoon, internet of (korte) bezoeken. Ook heeft de minister in het nadeel van eiser betrokken dat de duur van eisers verblijf relatief beperkt is en eiser zijn privéleven in die periode heeft opgebouwd terwijl zijn verblijfsrecht onzeker was, omdat hij slechts tijdelijke bescherming had en niet in het bezit was van een verblijfsvergunning.
17. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee alle relevante omstandigheden kenbaar in zijn belangenafweging heeft betrokken en zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de uitkomst van de weging van de belangen van eiser bij het uitoefenen van het recht op privéleven en het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid, niet in het voordeel van eiser uitvalt. De rechtbank vindt dat de minister daarbij, anders dan eiser betoogt, de aard van eisers verblijfsrecht heeft mogen betrekken. Dit verblijfsrecht op grond van de RTB is tijdelijk, zodat het voor eiser duidelijk was dat het onzeker was of hij zijn verblijf en zijn uitgeoefende privéleven hier zou kunnen voortzetten. De beroepsgrond slaagt niet.

Beroep gericht tegen het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit (NL24.9227)

De aan eiser opgelegde terugkeerbesluiten
18. Op 29 augustus 2023 heeft de minister aanvankelijk aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB van rechtswege eindigt per 4 september 2023. Met hetzelfde besluit heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De minister heeft op 6 september 2023 besloten een bevriezingsmaatregel te treffen waardoor eiser gebruik kon blijven maken van zijn rechten op grond van de RTB en uiteindelijk heeft de minister het besluit van 29 augustus 2023 ingetrokken, waarna ook het beroep is ingetrokken.
19. Op 7 februari 2024 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024 en heeft de minister hem een nieuw
terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft ook tegen dit besluit beroep ingesteld, wat bij de rechtbank is geregistreerd met het onderhavige zaaknummer NL24.9227. Een verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep is toegewezen.
20. Op 4 augustus 2025 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is beëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft de minister het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 ingetrokken en aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd.
21. Op 17 september 2025 heeft de minister het besluit van 4 augustus 2025 weer ingetrokken en eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Dit laatste besluit is inhoudelijk vrijwel geheel identiek aan het besluit van 4 augustus 2025. Het enige verschil is dat in het besluit van 17 september 2025 aan eiser wordt toegestaan om, totdat er een uitspraak is in de beroepszaak, in Nederland te blijven werken en gebruik te maken van de gemeentelijke opvang en voorzieningen.

Ontvankelijkheid

22. Het terugkeerbesluit van 17 september 2025 vervangt de terugkeerbesluiten van 4 augustus 2025 en 7 februari 2024. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep daarom ook betrekking op dit nieuwste terugkeerbesluit.
23. Omdat de minister de besluiten van 7 februari 2024 en 4 augustus 2025 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van die besluiten. De rechtbank zal het beroep tegen die besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op vergoeding van de proceskosten ten aanzien van de intrekking van het besluit van 7 februari 2024. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 33.
Het standpunt van eiser in beroep
24. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit in strijd is met zijn recht op privéleven in Nederland. Eiser heeft namelijk een lopende beroepsprocedure tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor verblijf op grond van privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Daarnaast stelt eiser dat de minister zijn asielaanvraag op onrechtmatige wijze buiten behandeling heeft gesteld. Volgens eiser mocht de minister zijn asielaanvraag niet buiten behandeling stellen, omdat hij het vragenformulier niet ingevuld retour heeft gestuurd. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2025.6 Verder stelt eiser dat de minister – in lijn met het arrest Ararat7 – bij het opleggen van een terugkeerbesluit het beginsel van non-refoulement in acht moet nemen. In zijn zienswijze stelt eiser dat hij redenen heeft om terugkeer naar Turkije te vrezen, omdat hij daar de militaire dienstplicht moet vervullen en geregistreerd staat als dienstplichtontduiker. Hij verwijst daarbij specifiek naar paragraaf 9.2 van het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025. Volgens eiser heeft de minister met alleen een verwijzing naar de asielprocedure geen actuele beoordeling van het risico op non-refoulement gemaakt.

Het oordeel van de rechtbank

25. Uit het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het

6.ECLI:NL:RVS:2025:1999.

7 Zie het arrest Ararat van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.
Hof) van 19 december 20248 volgt dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB, en de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. De rechtbank overweegt verder dat de Afdeling in de uitspraken van 23 april 20259 – in lijn met het arrest Kaduna en Abkez – heeft geoordeeld dat de minister bevoegd was om de facultatieve tijdelijke bescherming te beëindigen op 4 maart 2024. Omdat de tijdelijke bescherming van eiser op 4 maart 2024 is geëindigd voldoet eiser niet meer aan de voorwaarden voor verblijf. Zijn verblijf in Nederland is daardoor illegaal in de zin van de richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn).
Privéleven en de buitenbehandelingstelling van eisers asielaanvraag
26. Zoals de rechtbank onder de rechtsoverwegingen 15 tot en met 17 heeft geoordeeld, is terugkeer van eiser niet in strijd met zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM.
27. Ook het gegeven dat de asielaanvraag van eiser bij besluit van 29 augustus 2023 buiten behandeling is gesteld en het beroep op de Afdelingsuitspraak van 7 mei 2025, staan niet aan het vaststellen van het terugkeerbesluit in de weg. Eiser heeft namelijk geen beroep ingesteld tegen het besluit waarin zijn asielaanvraag buiten behandeling is gesteld, zodat dit besluit in rechte vast staat. Slechts in zeer bijzondere omstandigheden kan van die formele rechtskracht worden afgeweken. Dergelijke omstandigheden zijn niet aangevoerd en overigens ook niet gebleken. De beroepsgronden slagen niet.

Het beginsel van non-refoulement

28. De rechtbank overweegt ten aanzien van het beginsel van non-refoulement dat het Hof in het arrest Ararat van 17 oktober 2024 heeft geoordeeld dat artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn de bevoegde nationale autoriteit verplicht om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De rechtbank vindt voor dit toetsingskader ook aansluiting bij de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025.10 Hieruit volgt dat de minister op basis van wat een vreemdeling aanvoert en op basis van het dossier en informatie over het land van herkomst een geactualiseerde refoulementbeoordeling moet maken. Dat betekent dat hij er zich van moet vergewissen dat de betrokken vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).
29. Naar het oordeel van de rechtbank geeft het bestreden besluit van 17 september 2025 onvoldoende blijk van een geactualiseerde refoulementbeoordeling in de zin van het arrest Ararat. Naar aanleiding van het voornemen is in de zienswijze gesteld dat eiser bij terugkeer naar Turkije een reëel risico loopt op een onmenselijke behandeling. Hiertoe voert hij - onder verwijzing naar het Algemeen ambtsbericht Turkije van 2025 en een bijgevoegde registratie – aan dat hij in Turkije is geregistreerd als dienstplichtontduiker. In het bestreden besluit stelt de minister zich op het standpunt dat eiser in zijn zienswijze onvoldoende heeft

8.ECLI:EU:C:2024:1038

onderbouwd waarom hij een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Turkije en in de asielprocedure nader wordt ingegaan op de persoonlijke omstandigheden in het kader van artikel 3 van Pro het EVRM. De rechtbank overweegt dat de minister hiermee niet heeft voldaan aan de beoordeling zoals hiervoor onder 28 is beschreven, nu in essentie wordt volstaan met een verwijzing naar de asielprocedure. De rechtbank wijst in dit verband naar punten 40 en 41 van het arrest Ararat, waarin het Hof heeft overwogen dat van een vreemdeling niet verlangd mag worden dat hij of zij een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient om de volledige eerbiediging van het beginsel van non-refoulement tot gelding te laten komen. Dit betekent dat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, zodat het beroep gegrond is en het besluit voor vernietiging in aanmerking komt.
30. De rechtbank constateert echter dat de minister in het verweerschrift nader is ingegaan op de door eiser aangevoerde omstandigheden. De minister heeft zich ter zake op het standpunt gesteld dat hij niet volgt dat eiser een dienstplichtontduiker is en als zodanig in Turkije bekendstaat. Hierbij wijst de minister erop dat eiser enkel een kopie heeft overgelegd van een melding op zijn telefoon, waaruit bovendien niet blijkt dat deze melding daadwerkelijk van de Turkse overheid afkomst is. Ook heeft de minister gesteld dat in het bericht alleen de naam van eiser voorkomt zonder verdere persoonsgegevens en dat de datum van het bericht en eventuele eerdere of latere berichten onbekend zijn. Daarnaast heeft de minister in het verweerschrift gesteld dat het enkele feit dat eiser een dienstplichtontduiker zou zijn of niet in militaire dienst wil, niet voldoende is voor de conclusie dat een risico bestaat op refoulement, nu uit het ambtsbericht over Turkije van 2025 blijkt dat de dienstplicht kan worden afgekocht. Bovendien is niet aannemelijk gemaakt dat het niet nakomen van de dienstplicht in Turkije op een discriminerende of onevenredige manier wordt bestraft. Tegen deze nadere motivering heeft eiser verder geen gronden aangevoerd. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee alsnog een deugdelijke geactualiseerde refoulementbeoordeling heeft gemaakt en hieruit blijkt dat het beginsel van non-refoulement niet aan het terugkeerbesluit in de weg staat. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit van 17 september 2025 in stand kunnen worden gelaten.

Conclusie en gevolgen

Beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier ‘humanitair niet-tijdelijk’ (NL25.26379)
31. Het beroep tegen het besluit van 16 mei 2025 is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beroep tegen het terugkeerbesluit (NL24.9227)
32. Het beroep tegen de besluiten van 7 februari 2024 en 4 augustus 2025 zijn niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het bestreden besluit van 17 september 2025 is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen laat de rechtbank, gelet op wat hiervoor onder 30 is overwogen, in stand.
33. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het
beroepschrift tegen het besluit van 17 september 2025 en 1 punt voor het beroepschrift voor het ingetrokken besluit van 7 februari 2024 met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor van 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
34. Met deze uitspraak vervallen alle getroffen voorzieningen hangende beroepen tegen de opgelegde terugkeerbesluiten van rechtswege op grond van artikel 8:85, tweede lid, van de Awb.
Beslissing
Beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier ‘humanitair niet-tijdelijk’ (NL25.26379)
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Beroep tegen het terugkeerbesluit (NL24.9227)
De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen de besluiten van 7 februari 2024 en 4 augustus 2025 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 17 september 2025 gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 17 september 2025;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier.
zaaknummers: NL24.9227 en NL25.26379
10
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
13 maart 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.