De rechtbank Den Haag heeft op 8 juni 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende een verzet en beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een asielaanvraag van 14 juli 2023.
De opposant stelde de minister op 31 oktober 2024 in gebreke en startte een beroep toen de minister niet binnen de gestelde termijn besloot. De rechtbank oordeelde dat de beslistermijn was verstreken en verklaarde het beroep gegrond. Vervolgens werd het verzet tegen de eerdere uitspraak gegrond verklaard omdat de proceskostenvergoeding onjuist was vastgesteld.
De rechtbank legde de minister een nieuwe beslistermijn van acht weken op, ingaande de dag na de uitspraak, en stelde een dwangsom van €100 per dag vast met een maximum van €15.000. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de opposant, vastgesteld op €700,50. De rechtbank benadrukte dat bij opvolgend beroep de proceskostenvergoeding gematigd wordt vanwege de beperkte werkzaamheden.
Tegen de uitspraak is geen hoger beroep mogelijk voor zover het verzet betreft, maar wel voor het beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na verzending van de uitspraak.