ECLI:NL:RBDHA:2026:15385

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
NL25.58918
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRMArt. 3:2 Algemene wet bestuursrechtArt. 3.113 lid 1 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag Venezuela wegens onvoldoende motivering, rechtsgevolgen in stand gelaten

Eiseres, een Venezolaanse vrouw die sinds 2017 betrokken is bij de Movimiento Libertador, diende op 7 oktober 2025 een asielaanvraag in. De minister wees deze aanvraag op 25 november 2025 af, stellende dat haar politieke activiteiten marginaal waren en zij geen gegronde vrees voor vervolging had. Eiseres was in 2024 en 2025 actief geweest door buurtbewoners naar de stembus te brengen, werd opgepakt en kreeg een voorwaardelijke straf opgelegd, en werd bedreigd door de Colectivos.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag of eiseres bij terugkeer haar politieke overtuiging zou uiten en welke gevolgen dat zou hebben, wat een gebrek in het besluit oplevert. Desondanks acht de rechtbank de geloofwaardigheid van de politieke overtuiging en activiteiten van eiseres beperkt en concludeert dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege het gebrek aan zorgvuldigheid en motivering, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens veroordeelt zij de minister in de proceskosten van eiseres. De rechtbank verwijst naar jurisprudentie en beleidsregels omtrent politieke overtuiging en asiel, en weegt de individuele omstandigheden van eiseres af tegen de algemene situatie in Venezuela.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58918

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Het beroep is ongegrond en eiseres krijgt geen gelijk
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 7 oktober 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 25 november 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiseres heeft de Venezolaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1963. Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij sinds 2017 is betrokken bij de Movimiento Libertador. In 2024 heeft eiseres tijdens de presidentsverkiezingen buurtgenoten naar de stembus gebracht. Hierbij is eiseres opgepakt en heeft zij twee dagen in detentie gezeten. Hierna is eiseres veroordeeld en heeft zij een voorwaardelijke straf gekregen, waarbij zij zich een jaar lang maandelijks moest melden bij het Openbaar Ministerie in Venezuela. In 2025 is eiseres achtervolgd en bedreigd door de Colectivos. Tijdens de gemeenteraadsverkiezingen op 25 juli 2025 heeft eiseres opnieuw buurtbewoners naar de stembus gebracht, waarna zij nogmaals is bedreigd door de Colectivos. De politie is vervolgens naar haar huis gegaan, waarop eiseres van 30 juli 2025 tot op 6 oktober 2025 bij een vriendin heeft gewoond. Daarna heeft zij Venezuela verlaten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- problemen vanwege politiek activisme.
4.1.
De minister acht de verklaringen van eiseres over haar identiteit, nationaliteit en herkomst en de problemen vanwege haar politiek activisme geloofwaardig. Deze geloofwaardig geachte asielmotieven leiden volgens de minister echter niet tot de conclusie dat zij een gegronde vrees heeft voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin [1] of een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM. Daartoe stelt de minister zich op het standpunt dat hoewel de politieke overtuiging van eiseres geloofwaardig is, haar politieke activiteiten beperkt zijn gebleven waardoor haar politieke overtuiging wordt aangemerkt als niet heel sterk. Dat voor Venezuela risicoprofielen zijn aangemerkt voor oppositieleden, dissidenten en politiek activisten, doet hier niet aan af omdat uit het individuele relaas van eiseres niet volgt dat zij bij terugkeer problemen zal gaan ondervinden. Zo heeft eiseres weliswaar verklaard dat zij concrete activiteiten heeft verricht door het vervoeren van buurtbewoners naar de stembus in de verkiezingstijden in 2024 en 2025, maar dit heeft eiseres gedaan om haar buurtbewoners te helpen en niet als inzet voor de Movimiento Libertador. Eiseres heeft verder ook niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer politieke activiteiten zal ondernemen dan wel haar politieke overtuiging zal uiten. Daarnaast is niet gebleken dat eiseres in de negatieve belangstelling staat van de Venezolaanse autoriteiten of de Colectivos. Tot slot heeft eiseres legaal en zonder problemen Venezuela verlaten.
Vrees voor vervolging bij terugkeer
5. Eiseres voert aan dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt stelt dat niet aannemelijk is dat zij bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging heeft. Eiseres betoogt hiertoe dat zij voor haar vertrek uit Venezuela in de negatieve belangstelling van de autoriteiten heeft gestaan, omdat aan haar vanwege haar activiteiten in 2024 en 2025 een voorwaardelijke straf en meldplicht is opgelegd. Daar komt volgens eiseres bij dat de minister geloofwaardig heeft geacht dat zij is aangevallen door de Colectivos. Eiseres betoogt verder dat de door de minister gemaakte beoordeling of bij terugkeer sprake is van een gegronde vrees voor vervolging onjuist is. Volgens eiseres is de enkele verwijzing naar het Informatiebericht (IB) 2024/10 daartoe onvoldoende.
Eiseres betoogt verder dat nu de minister heeft erkend dat zij tijdens het nader gehoor niet is gevraagd hoe zij haar politieke overtuiging zou uiten bij terugkeer naar Venezuela en welke gevolgen dit zou hebben, de minister eiseres niet conform artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 3.113, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 heeft gehoord.
Eiseres voert verder aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat haar politieke activiteiten slechts marginaal zijn. Hiertoe verwijst eiseres naar een brief van VluchtelingenWerk Nederland (VWN) van 12 december 2025, waaruit volgens haar blijkt dat Washington Office on Latin America (WOLA) comanditos aanmerkt als risicoprofiel. Eiseres kan doordat zij in het verleden vervoer voor potentiële stemmers heeft geregeld als oppositie worden bestempeld. Eiseres betoogt dat de aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 4 september 2025 [2] in haar geval ook geldt. De minister heeft in haar geval erkend dat niet of onvoldoende doorgevraagd is naar voortzetten van politieke activiteiten. Daarnaast heeft eiseres verklaard altijd oppositie te blijven voeren. Zij heeft immers verklaard: ‘ik ben oppositie, altijd geweest’.
Beoordeling niet conform vereisten
5.1.
Het Hof van Justitie heeft in het arrest Y. en Z. [3] uiteengezet hoe moet worden beoordeeld of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging wegens een (toegedichte) politieke overtuiging. Relevante elementen voor deze beoordeling zijn de sterkte van de overtuiging van de betrokkene en eventueel verrichte activiteiten om die overtuiging uit te dragen. Het is niet vereist dat de overtuiging van de betrokkene zo diepgeworteld is dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst het uiten ervan niet achterwege zou kunnen laten. Volgens het arrest moet een uitputtend en grondig onderzoek worden verricht naar de relevante omstandigheden, waarbij zowel de specifieke persoonlijke situatie van de betrokkene als de bredere context van het land van herkomst in aanmerking moeten worden genomen.
5.2.
De minister heeft naar aanleiding van (de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [4] over) dit arrest paragraaf C2/3.2.5.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 over politieke overtuiging gewijzigd. Ook in dit beleid is benadrukt dat de (aannemelijk gemaakte) sterkte van de overtuiging en de mate waarin deze overtuiging is of zal worden geuit relevante persoonlijke omstandigheden zijn bij het onderzoek naar en de beoordeling van een (toegedichte) politieke overtuiging. Deze beoordeling vindt plaats op basis van de individuele verklaringen van de betrokkene in combinatie met de beschikbare algemene informatie over de situatie in het land van herkomst. Bij die beoordeling betrekt de minister welke activiteiten de betrokkene bij terugkeer zou willen verrichten of hoe die anderszins zijn opvatting zou willen uiten, evenals de mogelijke gevolgen daarvan. Daarbij weegt de minister de wijze waarop betrokkene in het verleden uiting heeft gegeven aan zijn overtuiging mee, ongeacht de locatie van die activiteiten. [5]
5.3.
In IB 2024/10 is inzichtelijk gemaakt welke omstandigheden bij het bepalen van de aannemelijkheid van de gestelde wens zich op een bepaalde wijze te uiten en het daaraan verbonden risico op vervolging relevant kunnen zijn. Genoemd zijn onder andere welke activiteiten een betrokkene heeft verricht in het kader van zijn politieke overtuiging in het land van herkomst.
5.4.
Zoals het arrest Y. en Z. vereist, moet de minister een uitputtend en grondig onderzoek verrichten of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging wegens een (toegedichte) politieke overtuiging. De minister heeft erkend dat eiseres niet is gevraagd welke activiteiten zij bij terugkeer zou willen verrichten of hoe zij anderszins haar opvatting zou willen uiten, evenals de mogelijke gevolgen daarvan. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit een gebrek bevat en daarom in aanmerking komt voor vernietiging. De rechtbank ziet echter aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en overweegt hiertoe als volgt. De minister heeft eiseres uitgebreid gehoord over haar politieke overtuiging en de problemen die zij vanwege deze politieke overtuiging heeft ervaren. Eiseres heeft daarmee voldoende de mogelijkheid gehad om te verklaren over haar politieke overtuiging.
5.5.
Verder heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Venezuela daadwerkelijk zou overgaan tot het actief uiten van haar politieke overtuiging. Daartoe stelt de minister zich terecht op het standpunt dat hoewel de politieke overtuiging van eiseres geloofwaardig is, haar politieke activiteiten in 2024 en 2025 beperkt zijn gebleven waardoor haar politieke overtuiging wordt aangemerkt als niet heel sterk. Dat voor Venezuela risicoprofielen zijn aangemerkt voor oppositieleden, dissidenten en politiek activisten, doet hier niet aan af omdat uit het individuele relaas van eiseres niet volgt dat zij bij terugkeer problemen zal gaan ondervinden. Zo heeft eiseres weliswaar verklaard dat zij concrete activiteiten heeft verricht door het vervoeren van buurtbewoners naar de stembus in de verkiezingstijden in 2024 en 2025, maar dit heeft eiseres gedaan om haar buurtbewoners te helpen en niet als inzet voor de Movimiento Libertador. Verder heeft de minister terecht van belang geacht dat eiseres sinds 2017 aangesloten is bij de Movimiento Libertador, maar ze in al die jaren geen andere activiteiten heeft verricht. Over de brief van VWN van 12 december 2025 overweegt de rechtbank dat uit de aangehaalde passage door eiseres blijkt dat onder andere verkiezingswaarnemers of leden van een comandito (vanwege hun bijdragen aan de verkiezingen van 28 juli 2024) doelwit worden van repressie door de Venezolaanse autoriteiten. Het betoog van eiseres dat zij door haar activiteiten en de doelstellingen van de Movimiento Libertador mogelijk kan worden aangemerkt als oppositie volgt de rechtbank niet, omdat eiseres niet behoort tot de genoemde groep personen, de activiteiten van eiseres marginaal waren en zij deze activiteiten niet heeft verricht als inzet voor de Movimiento Libertador. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.
Voortzetting activiteiten bij terugkeer onvoldoende onderzocht
5.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld waarom geen sprake is van een vergelijkbare zaak met de uitspraak van 4 september 2025. Hiertoe heeft de minister terecht van belang geacht dat in die zaak de vreemdeling decennialang uiting gaf aan zijn politieke overtuiging (deelnemen demonstraties, optreden als fotograaf en opvangen van (studenten)demonstranten bij hem thuis). Daarnaast speelde in die zaak dat de vreemdeling was gearresteerd wegens zijn aanwezigheid bij protestacties en meerdere malen was bedreigd en in elkaar geslagen door Colectivos. Daarom was er concrete aanleiding om nader onderzoek te doen naar wat het voorzetten van de activiteiten bij terugkeer voor gevolgen zou hebben. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiseres acht jaar was aangesloten bij Movimiento Libertado, zonder concrete activiteiten te hebben verricht. Alleen al daarom is haar situatie niet vergelijkbaar met de vreemdeling in de uitspraak van 4 september 2025. Daarnaast heeft eiseres niet onderbouwd waarom volgens haar wel sprake is van een vergelijkbare zaak. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Onvoldoende onderbouwing
6. Eiseres voert aan dat de minister het standpunt onder 3.2 van het bestreden besluit niet heeft onderbouwd. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar wat zij onder 5 heeft aangevoerd.
6.1.
De minister heeft gelet op het voorgaande voldoende en deugdelijk gemotiveerd en conform het beoordelingskader beoordeeld of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging wegens een( toegedichte) politieke overtuiging. De enkele stelling dat de minister het standpunt onder 3.2 van het bestreden besluit niet heeft onderbouwd, wordt daarom niet gevolgd. De minister verwijst immers naar 3.1 en geeft kort aan hoe de beoordeling is gemaakt. Eiseres heeft verder ook niet concreet gemaakt waar de minister nog op had moeten ingaan. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Legale uitreis
7. Eiseres voert aan dat de minister haar ten onrechte tegenwerpt dat zij legaal Venezuela heeft kunnen verlaten. Hiertoe betoogt eiseres dat de minister ten onrechte stelt dat de zaak in de uitspraak waar zij in de zienswijze naar heeft verwezen niet één op één vergelijkbaar is met haar zaak. Volgens eiseres doet het er verder – gelet op de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023 – niet toe vanaf waar en hoe wordt uitgereisd. [6] Eiseres betoogt verder dat de minister niet heeft onderbouwd dat per definitie op de luchthaven lijsten voorhanden zouden zijn. Daarnaast verwijst eiseres naar een brief van VWN van 5 december 2025.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister eiseres terecht tegengeworpen dat zij legaal en zonder problemen Venezuela heeft kunnen verlaten. Eiseres is Venezuela op 6 oktober 2025 legaal uitgereisd. Zij is op de luchthaven van Caracas daarbij gecontroleerd, heeft haar eigen paspoort laten zien en heeft verklaard dat zij daarbij geen problemen heeft ondervonden van de autoriteiten. [7] Gelet op het voorgaande heeft de minister terecht van belang geacht dat niet is gebleken dat eiseres in de negatieve belangstelling staat van de Venozolaanse autoriteiten of de Colectivos. Daar komt bij dat de minister weliswaar haar politieke overtuiging geloofwaardig heeft geacht, maar dat hij aanneemt dat die politieke overtuiging niet sterk is, omdat zij een marginale rol had. Daarnaast blijkt uit de uitspraak van de Afdeling en het Algemeen Ambtsbericht over Venezuela van 2020 dat personen met problemen die op een lijst zouden staan en die mogelijk gecontroleerd kunnen worden, maar dat dit ook niet geheel is uitgesloten. De lijst waarover gesproken wordt betreft daarnaast leden van de oppositie, dissidente/gedeserteerde militairen en mensenrechtenactivisten. Daarvan is geen sprake in dit geval. De verwijzing naar de brief van VWN van 5 december 2025 slaagt niet, omdat deze brief nader ingaat op de hiervoor genoemde lijsten. Dit alles bij elkaar maakt dat de legale uitreis in haar geval wel kan worden tegengeworpen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 3 van Pro het EVRM
8. Eiseres heeft op de zitting aangevoerd dat de minister ten onrechte niet heeft beoordeeld of zij bij terugkeer naar Venezuela geen risico zal lopen op behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Eiseres voert hiertoe – onder verwijzing naar een brief van VWN van 20 februari 2026 – aan dat de veiligheids- en humanitaire situatie in Venezuela na de Amerikaanse missie op 3 januari 2026 zodanig is gewijzigd dat het bestreden besluit zonder nadere motivering geen stand kan houden. Eiseres verwijst verder naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 6 februari 2026. [8]
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister op de zitting terecht gesteld dat het feitencomplex in de uitspraak van 6 februari 2026 anders is dan die van eiseres. In die zaak was immers sprake van een lid van de oppositie die een andere invulling gaf aan haar politieke overtuiging, omdat zij had deelgenomen aan demonstraties. Daarnaast heeft eiseres met de enkele verwijzing naar de brief van VWN van 20 februari 2026 onvoldoende onderbouwd dat bij terugkeer een risico bestaat op schending van artikel 3 van Pro het EVRM. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Eerder aangevoerde stukken/gronden
9. Daarnaast heeft eiseres voor het overige verzocht wat eerder in de procedure is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep. Omdat de minister hier in het bestreden besluit op in is gegaan en eiseres deze gronden in beroep niet nader heeft onderbouwd, kan de enkele verwijzing niet leiden tot het daarmee door eiseres nagestreefde resultaat. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit niet zorgvuldig is genomen en onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, maar ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten.
11. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Rashid, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
3.HvJEU 5 september 2012 (Y. en Z.), ECLI:EU:C:2012:518.
4.ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:63
5.Vergelijk IND Informatiebericht 2024/10.
6.ABRvS 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1054, r.o. 6.5.
7.Aanmeldgehoor, p. 8 en nader gehoor, p. 17.