Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15426

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
NL26.853 en NL26.854
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:83 AwbArt. 17 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank beoordeelt het beroep zonder zitting en verklaart het ongegrond. De minister heeft een verzoek tot terugname aan Kroatië gedaan, dat op 22 december 2025 is aanvaard. Eiser betoogt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet kan worden toegepast vanwege push-backs en slechte opvangomstandigheden in Kroatië, onderbouwd met rapporten en eigen ervaringen.

De rechtbank volgt echter de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die heeft geoordeeld dat Kroatië geen structurele tekortkomingen vertoont die het vertrouwensbeginsel ondermijnen. Eiser heeft geen recente, overtuigende informatie aangeleverd die tot een ander oordeel leidt.

Daarnaast wijst de rechtbank het beroep op de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van Pro de Dublinverordening af, omdat eiser geen bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangetoond die overdracht aan Kroatië onevenredig hard maken. De persoonlijke ervaringen van eiser zijn reeds beoordeeld en onvoldoende onderbouwd met medische documenten.

De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat eiser aan Kroatië mag worden overgedragen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en eiser mag aan Kroatië worden overgedragen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.853 en NL26.854

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker, hierna: eiser

(gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 6 januari 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt zijn overdracht aan Kroatië te verbieden totdat op het beroep is beslist.
1.3.
De rechtbank doet op grond van de artikelen 8:54, eerste lid, en 8:83, derde lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. [2] Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [3] In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 22 december 2025 aanvaard.
Mag de minister uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser betoogt dat voor Kroatië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hij wijst in dat verband op uitspraken van verschillende zittingsplaatsen van deze rechtbank uit 2023 en 2024 en ook op het AIDA-rapport over Kroatië van 2024. [4] Volgens eiser valt daaruit af te leiden dat (nog altijd) sprake is van ‘push-backs’ door de Kroatische overheid, ook in het geval van terugkerende Dublinclaimanten. Eiser wijst verder op de slechte opvangsituatie in Kroatië, zoals volgens hem volgt uit het AIDA-rapport van 2025. [5] De hygiëne in de opvanglocaties is slecht en er is sprake van overlast door onder andere kakkerlakken en bedwantsen. Ook geschiedt verdeling van hygiëneproducten niet op eerlijke wijze en dat leidt tot gezondheidsrisico’s, aldus eiser. Eiser wijst ook op zijn eerdere ervaringen in Kroatië, waar hij is beledigd en geslagen. Ook is hij vastgehouden in de gevangenis, waarna de autoriteiten hem zonder eten en drinken in het bos achterlieten.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 9 oktober 2024 [6] geoordeeld dat voor Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, omdat niet is gebleken dat sprake is van structurele tekortkomingen in het Kroatische asiel- en opvangsysteem. De Afdeling is in die uitspraak uitdrukkelijk ingegaan op het AIDA-rapport van 2024. De Afdeling heeft dit oordeel nogmaals bevestigd in de uitspraken van 6 maart 2025 [7] en 21 november 2025. [8] Eiser heeft geen recente informatie overgelegd die aanleiding geeft om nu anders te oordelen. Zo dateren de uitspraken waar eiser naar verwijst allemaal van vóór voornoemde uitspraak van 9 oktober 2024 en is het AIDA-rapport van 2025 uitgebracht vóór laatstgenoemde uitspraak van de Afdeling. Daarbij komt dat de door eiser aangehaalde passages van dat nieuwste AIDA-rapport geen wezenlijk ander beeld schetsen van de opvangomstandigheden dan het AIDA-rapport over Kroatië van 2024, dat de Afdeling al heeft betrokken in haar uitspraak van 9 oktober 2024. Voor zover eiser bedoelt te betogen dat de omstandigheden in de opvang in Kroatië daarna wel degelijk weer zijn verslechterd heeft hij dat niet nader onderbouwd. Zijn eigen verklaringen over wat hij in Kroatië heeft meegemaakt, zijn daarvoor onvoldoende. Als eiser problemen ervaart in Kroatië kan hij daarover in beginsel een klacht indienen bij de Kroatische autoriteiten. Eiser heeft immers ook niet aannemelijk gemaakt dat klagen bij voorkomende problemen in Kroatië niet mogelijk of zinloos is.
Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening
6. Eiser doet daarnaast, zo begrijpt de rechtbank, een beroep op de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van Pro de Dublinverordening en stelt dat overdracht aan Kroatië door de minister getuigt van onevenredige hardheid. Eiser wijst hierbij wederom op zijn eerdere ervaringen in Kroatië. Eiser heeft hierdoor psychische problemen gekregen en wil hiervoor worden behandeld.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Een lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de criteria in de Dublinverordening. Dit volgt uit artikel 17, eerste lid, van deze verordening. De minister heeft in het beleid neergelegd hoe hij van deze bevoegdheid gebruik maakt. In paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc [9] trekt de minister een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. De minister heeft hierin een ruime beoordelingsmarge en de rechtbank dient de beslissing van de minister op dit punt terughoudend te toetsen.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat in eisers geval niet is gebleken dat er bijzondere, individuele omstandigheden spelen die maken dat overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [10] volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel niet opnieuw hoeven te worden beoordeeld in het kader van de vraag of zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje van de Vc. De persoonlijke ervaringen van eiser in Kroatië zijn al beoordeeld in het kader van de vraag of van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dat er andere bijzondere individuele omstandigheden zijn, is niet gebleken. Eiser heeft immers niet met medische documenten onderbouwd dat hij nu last heeft van zodanig ernstige (psychische) klachten dat overdracht zou leiden tot onevenredige hardheid. De minister heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om de aanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en hij aan Kroatië mag worden overgedragen. Nu de rechtbank op het beroep heeft beslist, bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Evenmin bestaat er aanleiding om de proceskosten te vergoeden

Beslissing

De rechtbank, in de zaak NL26.853:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL26.854:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van D.P. van Middelkoop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.AIDA Country Report: Croatia Update 2023, july 2024, pagina 28.
5.AIDA Country Report: Croatia Update 2024, august 2025, pagina 118.
9.Vreemdelingencirculaire 2000.
10.Zie bijvoorbeeld de Afdelingsuitspraak van 26 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1667).