Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15537

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
NL24.10884 T
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:42 AwbArt. 8:51a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over onjuist toetsingskader familieleven in MVV-aanvraag

Eisers, bestaande uit een moeder en haar twee minderjarige zoons van Jemenitische nationaliteit, hebben een MVV-aanvraag ingediend om bij hun zoon in Nederland te verblijven. De minister wees deze aanvraag af op grond van het ontbreken van familieleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank beoordeelt het beroep tegen deze afwijzing.

De rechtbank constateert dat de minister een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd door te vereisen dat sprake moet zijn van exclusieve afhankelijkheid en dat banden de gebruikelijke omgang moeten overstijgen. Dit is in strijd met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom er geen sprake zou zijn van meer dan normale emotionele banden tussen de referent en zijn moeder, en onvoldoende toegelicht waarom de banden met zijn broertjes niet als 'sufficiently close family ties' kunnen worden aangemerkt.

Daarnaast is de minister tekortgeschoten in het aanleveren van relevante asielgehoren, ondanks expliciete toestemming van de referent. De rechtbank wijst de minister op zijn verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen.

De rechtbank stelt de minister in de gelegenheid om binnen acht weken de gebreken in het besluit te herstellen, hetzij door aanvullende motivering, hetzij door een nieuwe beslissing op bezwaar. De procedure wordt geschorst totdat de minister hierop heeft gereageerd. Over de proceskosten wordt nog geen beslissing genomen.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de minister een onjuist toetsingskader hanteerde en stelt hem in de gelegenheid de gebreken binnen acht weken te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.10884
V-nummers: [v-nummer 1], [v-nummer 2] en [v-nummer 3]

tussenuitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres en/of moeder

geboren op [geboortedag 1] 1967,

[eiser 1], eiser 1

geboren op [geboortedag 2] 2004
,

[eiser 2], eiser 2

geboren op [geboortedag 3] 2006
,
allen van Jemenitische nationaliteit,
gezamenlijk te noemen: eisers,
eiser 1 en 2, gezamenlijk te noemen: de broertjes
(gemachtigde: mr. T.J.J.M. Wijngaard),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. Y.D. Ancion).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar waarin de afwijzing van hun aanvraag in stand is gebleven.
1.1.
Eisers hebben op 2 november 2020 een aanvraag ingediend voor de afgifte van een mvv [1] met verblijfsdoel ‘verblijf als familielid bij [referent] (referent)’. Deze aanvraag is door de minister met het besluit van 9 juli 2021 (het primaire besluit) afgewezen.
1.2.
Eisers zijn tegen dit besluit in bezwaar gegaan. De minister heeft het bezwaar met het besluit van 15 februari 2024 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
1.3.
Eisers hebben beroep ingediend tegen het bestreden besluit. De minister heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eisers, M. Kurdi als tolk in de Jemenitisch-Arabische taal en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting voor onbepaalde tijd geschorst.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 10 maart 2026 weer op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eisers, J.A. Matti als tolk in de Jemenitisch-Arabische taal en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling van het beroep

Ten aanzien van het griffierecht
2. Eisers hebben verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. De griffier heeft het verzoek om vrijstelling eerder al voorlopig toegewezen. De rechtbank wijst het verzoek om vrijstelling van het griffierecht definitief toe.
Ten aanzien van het beroep tegen het bestreden besluit
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit zorgvuldigheids- en
motiveringsgebreken bevat. De minister heeft namelijk een onjuist toetsingskader gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [2] . De rechtbank stelt de minister in de gelegenheid dit motiveringsgebrek via een bestuurlijke lus te herstellen. [3] De rechtbank legt hierna vanaf rechtsoverweging 4 uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De asielgehoren van referent
3. De rechtbank merkt voorafgaand aan haar inhoudelijke oordeel het volgende op. Ter voorbereiding op de zitting heeft de rechtbank de gehoren van referent in zijn asielprocedure bij de minister opgevraagd, omdat deze gehoren kenbaar onderdeel zijn geweest van de besluitvorming. [4] De minister heeft op het verzoek van de rechtbank enkel het zogenoemde Dublingehoor van referent in het digitaal dossier geüpload. De gemachtigde van de minister heeft voorafgaand aan de zitting telefonisch toegelicht dat zij het nader gehoor niet mag uploaden vanwege de vertrouwelijkheid en dat het aan referent is om de gehoren in deze procedure in te brengen. De rechtbank heeft op de zitting normaals om beide asielgehoren (het eerste gehoor en het nader gehoor) verzocht waarbij referent mondeling toestemming heeft gegeven om deze aan het dossier toe te voegen. Ook toen heeft de gemachtigde van de minister geweigerd de asielgehoren toe te voegen. Hierbij heeft de gemachtigde van de minister opgemerkt dat er niets relevants staat in de gehoren. De rechtbank heeft mede hierom het onderzoek op de zitting geschorst om referent in de gelegenheid te stellen zijn asielgehoren op te vragen bij de minister zodat hij deze in de procedure kon inbrengen.
3.1.
De rechtbank merkt op dat deze gang van zaken procedureel niet wenselijk is en de minister op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb verplicht is om de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toe te zenden. Dat de gemachtigde van de minister op de zitting heeft gezegd dat er niks relevants in het nader gehoor van referent staat, doet daar niet aan af. Het is immers niet aan de minister om te beoordelen of dat zo is, omdat het op de zaak betrekking hebbende stukken betreft. Omdat de minister deze gehoren kenbaar bij de besluitvorming heeft betrokken en referent hier expliciet toestemming voor heeft gegeven op zitting, moet de minister in het vervolg gehoor geven aan een dergelijk verzoek van de rechtbank.
Achtergrond
4. Referent is geboren op [geboortedag 4] 1990. Tot zijn vlucht uit Jemen in 2015 heeft hij met zijn ouders en broertjes samengewoond. Op 29 oktober 2018, toen referent al was gevlucht uit Jemen en in Malta verbleef, is zijn vader overleden. Aan referent is op
18 september 2020 in Nederland asiel verleend. Inmiddels is referent genaturaliseerd. Op 2 november 2020 heeft referent een mvv aangevraagd voor zijn moeder en broertjes, die op dat moment respectievelijk drieënvijftig, zestien en veertien jaar oud waren. De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit afgewezen, omdat er geen sprake is van familieleven tussen referent en eisers in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.
Het bestreden besluit
5. Met het bestreden besluit is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Volgens de minister is geen sprake is van familieleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM tussen referent en zijn moeder, omdat niet is gebleken van ‘more than normal emotional ties, involving additional elements of dependency’ (‘more than normal emotional ties’). Bij de beoordeling of sprake is van familieleven, heeft de minister de samenwoning van eiseres en referent, de financiële en materiële afhankelijkheid, de emotionele afhankelijkheid, de medische afhankelijkheid en de banden van eiseres en referent met Jemen en Nederland betrokken. Ten aanzien van alle losse elementen heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat dit op zichzelf niet maakt dat sprake is van ‘more than normal emotional ties’. Voor wat betreft de emotionele en medische afhankelijkheid, heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat referent niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres afhankelijk is van (zijn) hulp en niet in staat is zonder (zijn) hulp zelfstandig te functioneren. Er is niet gebleken dat de broertjes van referent niet voor hun moeder kunnen zorgen en dat zij hen door haar schizofrenie niet vertrouwt. Daarnaast is niet gebleken dat referent vanwege zijn psychische problemen afhankelijk is van eisers.
5.1.
Ook ten aanzien van referent en zijn broertjes is volgens de minister geen sprake van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, vanwege het ontbreken van ‘sufficiently close family ties’. Er is niet gebleken van banden die de normale omgang overstijgen. Hun emotionele binding en het feit dat zij tot het vertrek van referent hebben samengewoond, is namelijk onvoldoende om te kunnen spreken van ‘sufficiently close family ties’.
Familieleven tussen eiseres en referent
6. Eisers voeren allereerst aan dat de minister een foutief toetsingskader heeft toegepast in het bestreden besluit. Voor het aannemen van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie is geen exclusieve afhankelijkheid vereist. Verder is de minister tekortgeschoten in de beoordeling van de financiële-, materiele- en emotionele afhankelijkheid door de medische situatie van referent niet te betrekken bij de beoordeling van het bezwaar.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van het EHRM [5] volgt dat de vraag of sprake is van ‘more than normal emotional ties’ een vraag is van feitelijke aard en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. [6] Het EHRM heeft in verschillende arresten factoren aangewezen die relevant kunnen zijn bij de vraag of sprake is van ‘more than normal emotional ties’. Van belang is of de gezinsleden hebben samengewoond [7] , de mate van financiële afhankelijkheid [8] , de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden [9] , de banden met het land van herkomst [10] en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin [11] .
6.2.
Aan de beoordeling van het bestaan van een emotionele afhankelijkheid tussen referent en eiseres, heeft de minister de volgende motivering ten grondslag gelegd:

Dat u en uw moeder elkaar missen en u zich zorgen maakt over haar is heel begrijpelijk. Zij geven blijk van een bezorgdheid en hulpbereidheid zoals deze doorgaans gangbaar is bij familierelaties. Echter is dit niet voldoende om te spreken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen u en uw moeder. Dat uw moeder niet kan functioneren zonder uw aanwezigheid is niet gebleken. U verblijft immers al geruime tijd in Nederland en er is niet gebleken dat uw moeder niet kan functioneren zonder u.
6.3.
Hieruit blijkt dat de minister aan de beoordeling van het familieleven de vraag ten grondslag heeft gelegd of sprake is van exclusieve afhankelijkheid. Er is immers getoetst of eiseres na de scheiding in staat is zelfstandig te functioneren.
6.4.
Eenzelfde soort redernering heeft de minister gebruikt bij de beoordeling of sprake is van medische afhankelijkheid. De minister heeft daarover het volgende gezegd:
Ook hebt u niet aannemelijk gemaakt dat er als gevolge van uw moeders gezondheidsproblemen ook daadwerkelijk sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Deze afhankelijkheidsrelatie moet namelijk zo sterk zijn dat één of meerdere betrokken personen niet in staat is zichzelf te handhaven bij afwezigheid van de ander. Uit de medische verklaringen is niet gebleken dat uw moeder afhankelijk is van derden en zonder hulp niet kan functioneren. [12]
6.5.
Uit de eerder genoemde jurisprudentie van het EHRM volgt dat moet worden beoordeeld of er sprake is van een meer dan gebruikelijke emotionele band, waarbij sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Door de toetsing te beperken tot de vraag of eiseres niet in staat is zichzelf te handhaven zonder referent, werpt de minister naar het oordeel van de rechtbank een te hoge lat op die niet uit de rechtspraak van het EHRM volgt. Daarmee is er sprake van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit.
6.6.
Overigens stelt de rechtbank vast dat de minister, naast de hiervoor weergegeven passages over de emotionele en medische afhankelijkheid, ook bij de inleiding op de beoordeling van het familieleven stelt dat de banden zo sterk moeten zijn dat als gevolg van een scheiding de betreffende gezinsleden niet in staat zijn zelfstandig te functioneren [13] .
Familieleven tussen referent en zijn broertjes
7. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte geen familieleven heeft aangenomen tussen referent en zijn broertjes. Door te stellen dat niet is gebleken dat de band tussen referent en zijn broertjes de normale omgang tussen hen overstijgt, hanteert de minister niet het juiste criterium dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt. Zoals de Afdeling [14] eerder in uitspraken [15] heeft overwogen volgt uit rechtspraak van het EHRM dat voor het bestaan van familie- en gezinsleven tussen meerderjarige en minderjarige broers en zussen niet relevant is of er sprake is van 'more than the normal emotional ties'. Of familie- en gezinsleven bestaat is een kwestie van feitelijke aard en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van 'sufficiently close family ties'. [16] Bij de beantwoording van de vraag of familie- en gezinsleven bestaat moet de minister dus de banden van meerderjarige en minderjarige broers en zussen, zoals die zijn gevormd door de feitelijke omstandigheden, betrekken. Verder heeft het EHRM in paragraaf 108 van het arrest Kruškić [17] overwogen dat, hoewel het samenwonen geen vereiste is voor het aannemen van familie- en gezinsleven, aangezien frequent contact ook voldoende kan zijn voor het ontstaan van ‘sufficiently close family ties’, deze banden doorgaans worden aangenomen als meerderjarige en minderjarige broers en zussen een tijd hebben samengewoond. [18]
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister ook hier een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd door te stellen dat de banden de gebruikelijke omgang moeten overstijgen om ‘sufficiently close family ties’ aan te kunnen nemen. Dit volgt niet rechtspraak van het EHRM of de Afdeling. Het beroep van de minister op de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2025 [19] slaagt dan ook niet. In deze uitspraak verwijst de Afdeling voor haar motivering van de toets van ‘sufficiently close family ties’ naar haar uitspraak van 27 maart 2024, waarin de Afdeling vervolgens weer verwijst naar het arrest Kruškić. [20] Verder overweegt de Afdeling in de uitspraak van 27 maart 2024 dat het gaat om een toets van feitelijke aard en niet – zoals de minister stelt – dat het moet gaan om banden die het gebruikelijke overstijgen. Daarnaast heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval onvoldoende gemotiveerd dat er geen sprake is ‘sufficiently close family ties’ tussen referent en zijn broertjes. Volgens de hiervoor aangehaalde rechtspraak worden dergelijke banden doorgaans aangenomen als sprake is van samenwoning. Uit de stukken maakt de rechtbank op dat referent tot zijn vertrek met zijn broertjes heeft samengewoond. Daarnaast heeft de minister niet betwist dat referent een deel van de opvoeding voor zijn broertjes op zich nam op de momenten dat zijn vader voor zijn werk een aantal weken achter elkaar weg was. Gelet op het voorgaande heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom geen sprake is van ‘sufficiently close family ties’ tussen referent en zijn broertjes. Ook dit betreft een gebrek in de besluitvorming.

Conclusie en gevolgen

8. Uit de voorgaande overwegingen blijkt dat aan het bestreden besluit meerdere gebreken kleven. Het bestreden besluit is op meerdere punten in strijd met de artikelen 3:2 van de Awb (zorgvuldige voorbereiding) en 7:12 van de Awb (deugdelijke motivering). Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om de minister in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering, of, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.
9. De minister moet een nieuw besluit nemen waarin in ieder geval wordt betrokken wat de rechtbank heeft overwogen in rechtsoverwegingen 6.1. tot en met 7.1. De minister moet voortvarend beslissen en hier, gezien de lange duur van de procedure, niet meer tijd voor nemen dan absoluut noodzakelijk. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de minister de gebreken kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
10. De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb zo spoedig
mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik
maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als de minister gebruik maakt van die
gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister. In beginsel, ook in de situatie dat de minister de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
11. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel
beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het
inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde
wordt geacht.
12. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep.
Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt de minister op binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak de
rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid deze gebreken te herstellen;
- stelt de minister in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze
tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en
aanwijzingen in deze tussenuitspraak; en,
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, voorzitter, en mr. Y. Moussaoui en
mr. C.A.R. Bleijendaal, leden, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak
kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele)
einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
3.Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Zie bijvoorbeeld pagina 3 van het primaire besluit.
5.Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
6.Zie onder meer het arrest van 17 april 2012, Kof en Liberda tegen Oostenrijk, app.no. 1598/06.
7.Arrest van 19 november 2014, Senchishak tegen Zwitserland, app.no. 5049/12.
8.Idem.
9.Arrest van 10 oktober 1994, Gül tegen Zwitserland, app.no. 23218/94.
10.Beslissing van 28 juni 1995, Jankovic tegen Oostenrijk, app.no. 25777/94.
11.Arrest van 7 november 2000, Kwakye-Nti en Dufie tegen Nederland, app.no. 31519/96.
12.Pagina 6 van het bestreden besluit.
13.Zie pagina 3 van het bestreden besluit.
14.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
15.Uitspraak van 5 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:383 en uitspraak van 3 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2050.
16.Vergelijk bijvoorbeeld par. 150 van K. en T. tegen Finland, arrest van 12 juli 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD002570294 en par. 108 van Kruškić tegen Kroatië, arrest van
17.Zie voetnoot 18.
18.Zie in dit verband ook de uitspraak van de Afdeling van 3 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2050.
20.ECLI:NL:RVS:2024:1187, onder 2 en 2.1.