ECLI:NL:RBDHA:2026:15575

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
NL26.21003 en NL26.20962
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12, vierde lid, DublinverordeningArt. 17, eerste lid, DublinverordeningArt. 22, eerste lid, DublinverordeningArt. 3, tweede lid, DublinverordeningArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering behandeling asielaanvragen op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eisers, twee zussen met minderjarige kinderen, dienden asielaanvragen in Nederland in, maar deze werden niet in behandeling genomen omdat Denemarken verantwoordelijk is op grond van de Dublinverordening. De Deense autoriteiten hadden eerder een Schengenvisum verstrekt en het overnameverzoek binnen de wettelijke termijn aanvaard.

Eisers voerden aan dat het claimverzoek niet tijdig was gedaan, dat het Deense asielbeleid strenger is en dat overdracht aan Denemarken in strijd zou zijn met het EVRM en het Handvest. Ook stelden zij dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening toegepast moest worden vanwege de belangen van de minderjarige kinderen en hun onderlinge afhankelijkheid.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek tijdig was verzonden en aanvaard, dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eiseressen niet aannemelijk hadden gemaakt dat Denemarken zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Verschillen in beschermingsbeleid bieden geen grond voor inhoudelijke beoordeling binnen de Dublinprocedure.

Ook was er geen aanleiding om de verantwoordelijkheid voor de behandeling aan Nederland toe te wijzen op grond van bijzondere omstandigheden. De belangen van de minderjarige kinderen en de onderlinge afhankelijkheid werden meegewogen, maar boden geen reden om af te wijken van de overdracht.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de bestreden besluiten. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat Denemarken verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.21003 en NL26.20962

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres 1] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiseres 1,

[eiseres 2], V-nummer: [V-nummer 2] , eiseres 2,
mede ten behoeve van de minderjarige kinderen van eiseres 2,
[minderjarige 1], v-nummer: [V-nummer 3] ,
[minderjarige 2], v-nummer: [V-nummer 4] ,
Hierna gezamenlijk te noemen, eisers,
(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Spijkerman).

Inleiding

Bij afzonderlijke besluiten van 7 april 2026 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eiseressen niet in behandeling genomen, omdat Denemarken verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Eiseressen hebben afzonderlijk beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
De rechtbank heeft de beroepen op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseressen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiseressen stellen te zijn geboren [geboortedag 1] 1991 respectievelijk [geboortedag 2] 1987, de minderjarige kinderen van eiseres 2 op 27 september 2015 en 19 november 2016 en de Jemenitische nationaliteit te hebben. Zij hebben op 10 januari 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen van eiseressen niet in behandeling genomen. Uit het EU-VIS-systeem is namelijk gebleken dat de Deense autoriteiten aan eiseressen een (Schengen) visum hebben verstrekt, geldig van 10 december 2025 tot 1 januari 2026. De visa waren minder dan zes maanden verlopen ten tijde van de indiening van de asielaanvragen. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening [2] de Deense autoriteiten verzocht om eiseressen over te nemen. De Deense autoriteiten hebben de overnameverzoeken op 27 maart 2026 aanvaard.
2. Eiseressen zijn het niet eens met de bestreden besluiten. Zij voeren aan dat zij met een Deens Schengenvisum naar Europa zijn gereisd, maar geen asielaanvraag in Denemarken hebben ingediend. Daarnaast is het opmerkelijk dat het claimverzoek al in januari 2026 zou zijn gedaan, terwijl Denemarken pas eind maart 2026 het verzoek heeft aanvaard. Hierdoor kan sprake zijn van overschrijding van de Dublintermijnen of van een onredelijke vertraging, hetgeen aanleiding geeft voor Nederland om de asielaanvragen inhoudelijk te behandelen. Ook heeft verweerder vóór het claimakkoord een voornemen uitgebracht, waardoor niet alle relevante feiten en omstandigheden in de besluitvorming zijn betrokken en de besluitvorming hierdoor onzorgvuldig is geweest. Verder zijn eiseressen van mening dat het Deens asiel- en verblijfsbeleid voor asielzoekers aanzienlijk strenger is dan het Nederlandse beleid. In Denemarken worden slechts tijdelijke verblijfsvergunningen verleend, bestaan nauwelijks mogelijkheden voor naturalisatie en worden asielzoekers feitelijk buitengesloten van integratie in de samenleving. Eiseressen menen daarom dat Denemarken geen gelijkwaardig beschermingsniveau biedt en dat overdracht kan leiden tot strijd met artikel 3 van Pro het EVRM, [3] artikel 4 van Pro het Handvest [4] en het discriminatieverbod. Daarnaast dient verweerder toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiseressen wijzen erop dat zij inmiddels enige tijd in Nederland verblijven, in Nederland een grote Jemenitische gemeenschap aanwezig is en dat zij zich in Nederland veilig voelen. De minderjarige kinderen van eiseres 2 gaan in Nederland naar school en zijn gewend geraakt aan het leven in Nederland. Bovendien zijn eiseressen afhankelijk van elkaar. Eiseres 1 heeft een opvoedkundige rol ten aanzien van de minderjarige kinderen van eiseres 2. Volgens eiseressen zijn de integratiemogelijkheden en toekomstperspectieven in Nederland beter dan in Denemarken.
De rechtbank oordeelt als volgt.
3. Binnen de Europese Unie geldt het uitgangspunt dat de lidstaten er over en weer op kunnen vertrouwen dat het Europese recht wordt nageleefd. Bij het beantwoorden van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor het behandelen van een asielaanvraag, kan alleen van dit uitgangspunt worden afgeweken als een asielzoeker aannemelijk maakt dat er in de verantwoordelijke lidstaat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen. Dit staat in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening.
4. Op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening is de lidstaat die een visum heeft afgegeven verantwoordelijk voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, indien het visum minder dan zes maanden is verlopen, het visum daadwerkelijk toegang heeft verschaft tot het grondgebied van een lidstaat en de vreemdeling het grondgebied van de lidstaten niet heeft verlaten. Niet in geschil is dat aan eiseressen door de Deense autoriteiten visa zijn verstrekt die ten tijde van de asielaanvragen minder dan zes maanden waren verlopen. Dat eiseressen in Denemarken geen asielaanvraag hebben ingediend, doet aan de verantwoordelijkheid van Denemarken daarom niet af.
4. Het verzoek om overname van eiseressen is, anders dan eiseressen stellen, niet in januari 2026 maar op 9 februari 2026 aan de Deense autoriteiten verzonden. De Deense autoriteiten hebben dit verzoek op 27 maart 2026 aanvaard. Daarmee is het verzoek aanvaard binnen de in artikel 22, eerste lid, van de Dublinverordening bepaalde termijn van twee maanden en staat in beginsel de verantwoordelijkheid van Denemarken hiermee vast. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat door verweerder dan wel de Deense autoriteiten niet tijdig zou zijn gehandeld.
6. De Vw en de Dublinverordening vereisen niet dat een claimverzoek reeds is aanvaard op het moment dat verweerder een voornemen uitbrengt. Bovendien is het voornemen slechts een voorbereidingshandeling en geen op rechtsgevolg gericht besluit. Eiseressen hebben niet toegelicht dat zij door deze handelwijze van verweerder in hun belangen zijn geschaad. Verweerder heeft in het voornemen de verantwoordelijkheid van Denemarken gebaseerd op de informatie uit EU-VIS. Pas nadat de Deense autoriteiten het claimverzoek hebben aanvaard en verweerder kennis heeft genomen van de zienswijze van eiseressen, heeft verweerder de bestreden besluiten genomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder op voldoende zorgvuldige wijze heeft gehandeld.
7. In beginsel mag verweerder ten aanzien van Denemarken, dat evenals Nederland partij is bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag, uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is bevestigd in onder meer de uitspraken van de Afdeling [5] van 20 december 2024, [6] 5 augustus 2024 [7] en 22 juni 2022. [8] Het ligt op de weg van eiseressen om aannemelijk te maken dat in hun geval niet van dit uitgangspunt kan worden uitgegaan. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseressen daarin niet zijn geslaagd. Eiseressen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de Deense autoriteiten hun verdragsverplichtingen jegens eiseressen niet zullen nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. Ook is niet gebleken van ernstige, structurele tekortkomingen in het asielsysteem of de opvangvoorzieningen in Denemarken. Daarbij wordt opgemerkt dat eiseressen geen asielaanvraag in Denemarken hebben ingediend en daarom niet uit eigen ervaring hebben kunnen verklaren over de behandeling van asielzoekers in Denemarken.
8. Verder volgt uit het arrest van het Hof [9] van 30 november 2023 [10] en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 [11] dat binnen de Dublinprocedure geen ruimte bestaat voor een inhoudelijke beoordeling van verschillen in beschermingsbeleid tussen lidstaten, zolang van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dat in Denemarken mogelijk een strenger toelatings- of verblijfsbeleid geldt dan in Nederland, hebben eisers niet onderbouwd met objectieve landeninformatie en maakt op zichzelf niet dat overdracht in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. Zoals hiervoor is overwogen, hebben eiseressen niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van Denemarken niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Bovendien hebben de Deense autoriteiten met de aanvaarding van de overnameverzoeken hun verantwoordelijkheid bevestigd en gegarandeerd de asielaanvragen van eiseressen in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese richtlijnen en internationale verdragen. Indien eiseressen na overdracht toch worden geconfronteerd met tekortkomingen in de asielprocedure, opvang of anderszins, kunnen zij hierover klagen bij de Deense (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen bij de Deense autoriteiten voor eiseressen niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
9. Verder heeft verweerder in de door eiseressen gestelde omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om de verantwoordelijkheid van de inhoudelijke behandeling van de asielaanvragen aan zich te trekken. Het betreffen namelijk geen bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Denemarken onevenredig moet worden geacht. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit van eiseres 2 de belangen van de minderjarige kinderen kenbaar heeft betrokken bij de besluitvorming. De enkele stelling van eiseres 2 dat haar kinderen in Nederland naar school gaan en gewend zijn geraakt aan het leven in Nederland, is onvoldoende om aannemelijk te maken dat het in het belang van de kinderen is om de asielaanvragen in Nederland te behandelen. Daarnaast geldt dat eiseressen samen zullen worden overgedragen aan Denemarken. Niet is gebleken van de door eiseressen gestelde wederzijdse afhankelijkheid noch dat de door eiseres 1 gestelde opvoedkundige rol bij de kinderen van eiseres 2 na overdracht niet kan worden voortgezet. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen beslissen dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
10. De conclusie is dat de beroepen ongegrond zijn. Dit betekent dat eiseressen geen gelijk krijgen. De bestreden besluiten blijven in stand.
11. Er is daarom geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 8 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
9.Hof van Justitie van de Europese Unie.
10.ECLI:EU:C:2023:934.