Eisers, familieleden van een jongvolwassene met een asielvergunning in Nederland, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan om gezinsleven in Nederland te kunnen uitoefenen. Verweerder wees de aanvraag af na een belangenafweging waarin het economisch belang van Nederland zwaarder woog dan het gezinsleven van eisers en referent.
De rechtbank oordeelt dat verweerder de objectieve belemmering om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen onvoldoende heeft meegewogen en de psychische klachten van referent niet juist heeft beoordeeld. Ook is het economisch belang weliswaar mee te wegen, maar moet verweerder rekening houden met nieuwe omstandigheden, zoals het werk van referent.
Daarnaast heeft verweerder ten onrechte geen gezinsleven aangenomen tussen referent en zijn jongere broer en oudere zus, terwijl er sprake is van hechte persoonlijke banden en afhankelijkheid. De rechtbank stelt dat verweerder deze belangen opnieuw en zorgvuldig moet afwegen.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder tot betaling van proceskosten aan eisers.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder moet een nieuwe belangenafweging maken en een nieuw besluit nemen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.46895
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres 1] , eiseres,
V-nummer: [v-nummer 1] ,
[eiser 1], eiser,
V-nummer: [v-nummer 2] ,
[eiser 2], eiser,
V-nummer: [v-nummer 3] ,
[eiseres 2], eiseres,
V-nummer: [v-nummer 4] ,
samen: eisers
(gemachtigde: mr. W.J. Rohlof),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Amakodo).
Samenvatting
1. Eisers hebben een aanvraag ingediend om bij [referent] (hierna: referent) te verblijven in Nederland. Eisers zijn, in de volgorde zoals ze hierboven zijn genoemd, de moeder, de vader, de jongere broer en de oudere zus van referent. Hun aanvraag heeft de minister van Asiel en Migratie, verweerder, afgewezen. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij geven daarvoor een aantal redenen, de beroepsgronden. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
Het oordeel van de rechtbank in deze uitspraak is dat verweerder de aanvraag van eisers niet heeft mogen afwijzen. Verweerder heeft een belangenafweging gemaakt voor eiser en zijn ouders. Deze heeft hij niet goed gemaakt en moet hij opnieuw maken. Verweerder heeft de objectieve belemmering die bestaat om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen niet goed beoordeeld en dit daardoor onvoldoende meegewogen in de belangenafweging. Verweerder heeft ook de psychische klachten van referent niet juist beoordeeld. Verweerder heeft het economisch belang in het nadeel van eisers mogen laten meewegen, maar dient alsnog met nieuwe omstandigheden op dit vlak rekening te houden bij het maken van een nieuwe belangenafweging. Bij de nieuwe belangenafweging moet verweerder alle belangen opnieuw beoordelen. Dit betekent ook dat verweerder opnieuw moet beoordelen of sprake is van gezinsleven tussen referent en zijn broertje en zijn zus. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze conclusie is gekomen en welke gevolgen dit heeft voor eiser en verweerder.
Procesverloop
2. Eisers hebben op 3 maart 2022 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij referent te verblijven, zodat zij naar Nederland kunnen komen en familie- en gezinsleven met elkaar kunnen uitoefenen in de zin van artikel 8 vanPro het EVRM. [1] Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 8 juni 2023 afgewezen. Hiertegen hebben eisers bezwaar gemaakt. Met het besluit op bezwaar van 11 november 2024 is verweerder bij zijn afwijzing gebleven. Dit is het bestreden besluit.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft referent, de gemachtigde van eisers, B. Ghaly als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
De voorgeschiedenis
3. Referent komt uit Syrië en is geboren op [datum 1] 2003. Hij heeft een asielvergunning. Zijn vader, geboren op [datum 2] 1974; zijn moeder, geboren op [datum 3] 1997; zijn jongere broer, geboren op [datum 4] 2010 en zijn oudere zus, geboren op [datum 5] 2000 hebben een aanvraag voor een mvv gedaan om zich bij hem te kunnen voegen.
Het bestreden besluit
4. Verweerder neemt een familierechtelijke relatie aan tussen referent en eisers. Referent valt onder het jongvolwassenebeleid. In dat kader neemt verweerder gezinsleven aan tussen referent en zijn ouders. Verweerder maakt in zijn besluitvorming een belangenafweging waarbij hij het gezinsleven tussen referent en zijn ouders betrekt, maar in deze belangenafweging weegt het economische belang van de Nederlandse staat zwaarder dan het belang van referent en zijn ouders. Daarom is er geen positieve verplichting voor de Nederlandse staat om verblijfsrecht te geven aan de ouders van referent.
Verweerder neemt geen gezinsleven aan tussen referent en zijn meerderjarige zus, omdat niet is gebleken dat zij dusdanig afhankelijk van elkaar zijn dat de één niet zonder de ander kan functioneren. Verweerder neemt ook geen gezinsleven aan tussen referent en zijn jongere broer, omdat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden. Verweerder wijst daarom de mvv-aanvraag voor alle eisers af.
De belangenafweging met betrekking tot de ouders
5. De ouders van referent voeren aan dat verweerder ten onrechte maar een beperkt gewicht geeft aan het bestaan van een objectieve belemmering om het gezinsleven uit te oefenen in Syrië. Het is niet relevant dat voor hen geen objectieve belemmering zou bestaan volgens verweerder, nu die al is vastgesteld voor referent. Daarbij heeft verweerder ten onrechte de lange duur van het bestaan van deze objectieve belemmering niet meegewogen in zijn belangenafweging. De ouders voeren aan dat verweerder ook in hun voordeel had moeten meewegen dat zij via referent een binding hebben opgebouwd met Nederland.
De ouders voeren verder aan dat verweerder ten onrechte de aangenomen gezinsband tussen referent en hen niet zwaar meeweegt in hun voordeel. Door aan te nemen dat referent onder het jongvolwassenebeleid valt, neemt verweerder ook aan dat sprake is van een hoge mate van afhankelijkheid tussen referent en zijn ouders. Verweerder moet de feiten en omstandigheden op basis waarvan hij aanneemt dat eiser onder het jongvolwassenebeleid valt, expliciet meewegen in de belangenafweging. Hierbij verwijzen zij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 december 2022. [2]
De ouders betogen ook dat verweerder de psychische problemen van hen en referent onvoldoende heeft meegewogen. Referent heeft door het gemis van zijn familie al jarenlang ernstige psychische klachten. Hieruit blijkt dat de emotionele steun die zij hem geven, niet op afstand kan plaatsvinden. Ze stellen dat de arts in een evaluatie van oktober 2024 heeft genoteerd dat hun komst naar Nederland een positief resultaat zou leveren voor de psychische problemen van referent. Voor referent is dit erg belangrijk, nu hij eerder al een suïcidepoging heeft gedaan. Deze omstandigheden moet verweerder ook kenbaar meenemen in zijn belangenafweging.
De ouders stellen dat verweerder niet mag verwachten dat referent voorziet in zijn eigen onderhoud, nu hij aanneemt dat referent onder het jongvolwassenebeleid valt. In dit kader is het ook innerlijk tegenstrijdig dat verweerder het economisch belang zwaar tegenwerpt. Referent werkt inmiddels weer en zijn familie is nu weer financieel afhankelijk van hem. De ouders verwijzen hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 31 oktober 2023. [3] Ook stellen zij dat verweerder het economisch belang ten onrechte twee keer lijkt tegen te werpen, waardoor het nog zwaarder in hun nadeel lijkt te wegen.
Tot slot voeren eisers aan dat in de belangenafweging onvoldoende rekening is gehouden met de jongere broer van referent.
6. Verweerder gaat uit van de toepassing van het jongvolwassenebeleid op referent. Dit betekent dat dat referent jongvolwassen is, met zijn ouders in gezinsverband heeft samengeleefd en nog niet in zijn eigen onderhoud voorziet. Op grond van het jongvolwassenebeleid, neemt verweerder aan dat er sprake is van gezinsleven tussen referent en zijn ouders. Ook neemt hij aan dat er gezinsleven is tussen de ouders, de jongere broer en de oudere zus onderling. Om vast te stellen of daarom aan de ouders een verblijfsrecht moet worden toegekend, maakt verweerder een belangenafweging. Verweerder laat deze uitvallen in het nadeel van de ouders en referent. Verweerder stelt vast dat er sprake is van een objectieve belemmering voor referent om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen. Hier hecht verweerder beperkt waarde aan, omdat deze objectieve belemmering niet bestaat voor de ouders. Wel weegt verweerder in het voordeel van referent mee dat hij een binding heeft met Nederland. De ouders hebben die niet, wat dan weer in hun nadeel meeweegt. Ook stelt verweerder dat referent al een uitgebreide psychologische behandeling krijgt, die bestaat uit verschillende vormen van therapie. De psychische omstandigheden van referent houden volgens verweerder echter geen verband met het gezinsleven. Verweerder weegt in het nadeel van de ouders mee dat de Nederlandse staat een restrictief toelatingsbeleid hanteert en dat referent ten tijde van het bestreden besluit geen werk had en een uitkering ontving. Hij beschikt niet over duurzame middelen van bestaan om de kosten van het levensonderhoud en huisvesting van zijn ouders zelf te dragen. Bovendien zullen de ouders volgens verweerder aanspraak maken op een uitkering en andere uit algemene middelen gefinancierde faciliteiten.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerders belangenafweging met betrekking tot de ouders onzorgvuldig is en niet goed is gemotiveerd. Hierbij overweegt de rechtbank het volgende.
De objectieve belemmering voor het uitoefenen van gezinsleven
7.1.
Verweerder heeft vastgesteld dat voor referent een objectieve belemmering bestaat om zijn gezinsleven in Syrië uit te oefenen. Verweerder heeft ter zitting erkend dat hij ten onrechte heeft gesteld dat deze objectieve belemmering niet bestaat voor de ouders. Verweerder heeft het bestaan van deze objectieve belemmering dus onvoldoende meegewogen. Dit terwijl het bestaan van deze objectieve belemmering een zwaarwegend belang is. Aan de onjuiste conclusie dat er geen objectieve belemmering bestaat voor de ouders, heeft verweerder verbonden dat de banden van de ouders met Syrië in hun nadeel wegen. Dat is in dit kader dus ook onjuist. Verweerder dient opnieuw te beoordelen hoe de objectieve belemmering die bestaat voor referent en de ouders, meeweegt in de belangenafweging.
De psychische problemen van referent
7.2.
Voor zover verweerder stelt dat niet blijkt dat de psychische problemen van referent zijn ontstaan dan wel kunnen worden verholpen of verminderd door de fysieke aanwezigheid van zijn ouders, is de rechtbank van oordeel dat het tegendeel blijkt uit het behandelplan van referent. Hierin is expliciet opgenomen dat referent piekert vanwege zijn familie en ouders, en dat de fysieke aanwezigheid van zijn ouders in Nederland hem positief zou helpen bij het herstellen van zijn psychische problemen. Het is ook niet in geschil dat de
behandelaar van referent stelt dat aanwezigheid van zijn ouders hem erg zou helpen. Dit erkent verweerder ook in het bestreden besluit. [4] Maar verweerder volgt niet dat het missen van zijn ouders de oorsprong is van de psychische klachten van referent. De rechtbank kan de conclusie die verweerder hieraan verbindt niet volgen. Los van de oorsprong van de psychische klachten, is het zo dat de aanwezigheid van de ouders referent erg zou helpen. Dat is de omstandigheid die verweerder in aanmerking had moeten nemen in zijn belangenafweging had moeten betrekken. Verweerder heeft dat ten onrechte niet zo gedaan.
De economische belangen
7.3.
Alhoewel referent als jongvolwassene niet in zijn eigen onderhoud hoeft te voorzien, mag verweerder dit wel tegenwerpen in het kader van het economisch belang van de Nederlandse staat bij een afwijzing van de gevraagde mvv voor de ouders. Verweerder mag hierbij in aanmerking nemen dat wanneer de ouders naar Nederland komen, zij aanspraak zullen maken op algemene middelen en voorzieningen zonder zelf inkomen te hebben. [5] Wel heeft referent in de loop van 2025 werk gevonden en stukken ter onderbouwing hiervan overgelegd. Verweerder heeft hier destijds geen rekening mee kunnen houden, omdat het een omstandigheid is die zich heeft voorgedaan na het bestreden besluit. Bij het maken van een nieuwe belangenafweging moet verweerder hiermee wel rekening houden.
7.4.
Uit 7.1 en 7.2 volgt dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), vanwege de onzorgvuldige belangenafweging, en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, vanwege de ondeugdelijke motivering.
De hechte persoonlijke banden tussen referent en zijn jongere broer
8. De jongere broer voert aan dat hij zowel hechte als persoonlijke banden heeft met referent, al zou het voldoen aan één van deze voorwaarden al voldoende zijn. Hierbij verwijst hij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 16 maart 2023. [6] Hij voert aan dat niet in geschil is dat hij tot de gedwongen vlucht van referent uit Syrië met hem heeft samengewoond. Uit de vragenlijst over hun gezinsband blijkt dat referent tijdens dit samenwonen zijn jongere broer hielp met alle dagelijkse zaken. Sinds referent gedwongen is gevlucht, bellen ze elkaar meerdere keren per dag. Maar dit biedt geen oplossing voor het zware gemis en de hierdoor ontstane psychische problemen. Verweerder heeft dit alles niet betrokken in zijn besluitvorming. Verweerder heeft enkel geconcludeerd dat de ouders de jongere - minderjarige - broer verzorgen en er daarom geen hechte persoonlijke banden kunnen bestaan tussen - meerderjarige - referent en zijn jongere broer. Dit is volgens de laatste onvoldoende gemotiveerd nu deze stelling niet is gebaseerd op de wet, regelgeving of beleid.
9. Verweerder neemt familie- of gezinsleven aan tussen referent en zijn familieleden, waaronder met eiser. [7] In deze context heeft verweerder beoordeeld of sprake is van hechte en persoonlijke banden tussen referent en eiser. In de situatie waarin de ouders in leven zijn en voor het minderjarige kind - hier eiser, de jongere broer van de meerderjarige referent - zorgen, neemt verweerder aan dat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen referent en zijn jongere broer.
10. De rechtbank overweegt dat referent tot aan zijn gedwongen vertrek uit Syrië met zijn jongere broer in hun gezin heeft samengewoond. Referent heeft Syrië en zijn gezin rond of net na zijn achttiende verjaardag verlaten. Zijn jongere broer werd als minderjarige verzorgt door hun ouders maar nu referent volgens verweerder het jongvolwassene beleid valt, volgt daaruit dat ook referent geacht werd nog onder de zorg van hun ouders te vallen. Referent en zijn jongere broer hebben dus tot het moment dat referent vertrok en meerderjarig werd, samengewoond als minderjarigen die onder de zorg van hun beider ouders vielen. In die situatie vindt de rechtbank het onjuist om alleen op grond van de omstandigheid dat de jongere broer wordt verzorgd door zijn ouders, aan te nemen dat er geen hechte en persoonlijke banden bestaan tussen de inmiddels meerderjarige referent en zijn jongere broer. Verweerder heeft dan ook niet deugdelijk gemotiveerd dat deze situatie en de door de jongere broer omschreven omgang met referent onvoldoende zijn om hechte persoonlijke banden tussen beiden aan te nemen. Het bestreden besluit is op dit punt dus in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Verweerder moet daarom het bestaan van hechte persoonlijke banden tussen de jongere broer en referent opnieuw beoordelen. Daar komt bij dat verweerder in het kader van ‘het belang van het minderjarige kind’ van belang heeft geacht dat de jongere broer bij zijn ouders kan blijven. Dat belang kwam volgens verweerder niet in gevaar nu zowel aan de ouders als aan de jongere broer geen mvv werd verleend. Nu verweerder een nieuw besluit moet nemen over de verlening van een mvv aan de ouders, moet hij laatstgenoemd belang ook betrekken bij een nieuw besluit over het bestaan van hechte persoonlijke banden tussen de jongere broer en referent.
De bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en zijn oudere zus
11. De oudere zus voert aan dat verweerder heeft nagelaten om de samenwoning, de financiële afhankelijkheid, de gezondheid van haar en referent, de emotionele en exclusieve afhankelijkheid tussen haar en referent en de banden met het land van herkomst te betrekken in zijn beoordeling. Verweerder heeft enkel de samenwoning daarbij betrokken. Volgens de rechtspraak hoeven de bijkomende elementen van afhankelijkheid niet zo sterk te zijn dat zij en referent niet zonder elkaar kunnen functioneren. [8] De oudere zus voert verder aan dat verweerder de lange duur van de samenwoning van haar en referent en de gedwongen vlucht van referent als bijkomende elementen van afhankelijkheid had moeten beschouwen. Niet in geschil is dat referent in een autogarage heeft gewerkt in Syrië zodat hij zijn zus financieel kon onderhouden. Referent is nu weer aan het werk om zijn familie en dus ook zijn oudere zus financieel te onderhouden. Dit had verweerder ook als bijkomend element van afhankelijkheid moeten beschouwen. Verder had verweerder de gezondheid van referent moeten meenemen in zijn beoordeling. Uit het behandelplan van referent volgt dat hij constant over zijn familie piekert, hij hierdoor zijn motivatie verliest en suïcidaal is. De aanwezigheid van zijn zus zal hem helpen. Zij raakt zelf ook psychisch uitgeput zonder de aanwezigheid van referent. Uit de medische stukken blijkt dat zij en referent exclusief van elkaar afhankelijk zijn. Dit had verweerder zwaar in het voordeel moeten meewegen. Zij verwijst hierbij naar paragraaf 3.4 van Werkinstructie 2020/6. Ten slotte had verweerder in aanmerking moeten nemen dat de banden van haar met Syrië niet hecht zijn. Zij heeft via referent met Nederland banden ontwikkeld, nu zij begrijpt dat zij in Nederland fysiek veilig zou zijn.
12. Verweerder stelt zich op het standpunt dat referent en zijn oudere zus niet meer dan gebruikelijk afhankelijk van elkaar zijn. Volgens verweerder is tussen hen sprake van een normale broer-zus band. Wel neemt verweerder aan dat referent enige tijd heeft bijgedragen aan het gezinsinkomen, maar niet dat referent hiermee aannemelijk heeft gemaakt dat dit voor zijn oudere zus was en dat hij haar zo financieel heeft onderhouden. Verweerder neemt daarom geen gezinsleven aan tussen referent en zijn oudere zus.
13. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de oudere zus onvoldoende heeft onderbouwd dat er tussen haar en referent een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid bestaat. Haar enkele stellingen zijn hiervoor niet genoeg. Zij heeft ook geen concrete onderbouwing gegeven van de financiële steun die referent haar zou bieden.
Het eindoordeel van de rechtbank
14. Hiervoor heeft de rechtbank een aantal gebreken geconstateerd in het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen om die te herstellen. Uit overwegingen 7.1 en 7.2 volgt dat verweerder de belangenafweging met betrekking tot de ouders opnieuw moet maken. Als verweerder dat doet, moet hij daarbij betrekken dat referent nu wel werk en inkomen heeft. Uit overweging 10 volgt dat verweerder het bestaan van hechte persoonlijke banden tussen de jongere broer en referent opnieuw moet beoordelen. Als hij dat doet, moet hij daarbij opnieuw het belang van het kind betrekken. Omdat het hier gaat om een samenhangend besluit, over het gezinsleven van een gezin, moet verweerder ook opnieuw bezien of hij gezinsleven kan aannemen tussen referent en zijn oudere zus.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat eisers gelijk krijgen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
15.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
15.2.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder de proceskosten vergoeden aan eisers. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
15.3.
Omdat eisers geen griffierecht hebben betaald, krijgen zij ook geen vergoeding daarvoor.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 11 november 2024;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. J.W. Robijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.