ECLI:NL:RBDHA:2026:16209

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
SGR 26/73
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen door UWV in WIA-uitkeringszaak

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiseres beroep ingesteld tegen het UWV wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaar tegen de stopzetting van haar WIA-uitkering per 8 oktober 2024.

De rechtbank stelt vast dat het UWV de beslistermijn van negen weken, zoals voorgeschreven in artikel 8:55d Awb, heeft overschreden. Het UWV gaf aan dat het tekort aan verzekeringsartsen en de hoge werkvoorraad de vertraging veroorzaakten. De rechtbank bevestigt dat dit een bijzonder geval is dat een langere beslistermijn rechtvaardigt, maar handhaaft de termijn van negen weken na verzending van de uitspraak.

De rechtbank draagt het UWV op binnen deze termijn alsnog een besluit te nemen en legt een dwangsom van €100 per dag op met een maximum van €15.000 voor elke dag dat het besluit uitblijft. Tevens wordt het betaalde griffierecht en proceskosten aan eiseres vergoed.

Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen binnen negen weken alsnog te beslissen en een dwangsom opgelegd bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/73

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R. Muurlink),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv (gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In het besluit van 7 augustus 2024 heeft het Uwv bepaald dat de uitkering van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) stopt per 8 oktober 2024. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.1.
Eiseres heeft op 5 januari 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar.
1.2.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep is ontvankelijk en gegrond
2. Als een bestuursorgaan, zoals hier het Uwv, niet op tijd beslist op een aanvraag, een verzoek om herbeoordeling of een bezwaarschrift, kan een belanghebbende daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de belanghebbende schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de belanghebbende beroep instellen. [1]
3. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres heeft het Uwv in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 4 november 2025 tot het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.

De nadere beslistermijn

4. Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen.
5. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet een bestuursorgaan dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
5.1.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen om binnen veertien dagen, dan wel een door de rechtbank te stellen termijn, na de datum van de uitspraak een besluit te nemen.
5.2.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat beslistermijn is overschreden door het tekort aan artsen en de als gevolg daarvan hoge en nog steeds oplopende werkvoorraad, waardoor de verzekeringsarts nog niet heeft gerapporteerd.
6. Bij het Uwv is al geruime tijd sprake van tekorten aan verzekeringsartsen, waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald. In haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft deze rechtbank daarom bepaald dat in dit soort zaken, waarin het gaat om het uitblijven van een besluit waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. [2] De rechtbank heeft in die uitspraken bepaald dat in dergelijke beroepen het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten. Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts, of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een besluit te nemen. In totaal heeft het Uwv dan dus een termijn van negen weken na de datum waarop de uitspraak wordt verzonden om een besluit bekend te maken.
6.1.
Indien het Uwv ten tijde van de uitspraak van de rechtbank de medische beoordeling al heeft gepland op een bepaalde datum of deze al is uitgevoerd, wordt daarmee rekening gehouden. Het Uwv krijgt dan in ieder geval de wettelijke termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om dit aan te voeren. [3]
6.2.
In vier uitspraken van 13 mei 2026 heeft de rechtbank de bovengenoemde termijnen nogmaals bevestigd. [4]
De nadere beslistermijn in deze zaak
7. Het Uwv geeft in het verweerschrift aan dat onlangs Uwv-breed is besloten om de behandeling van beroepen tegen het uitblijven van een beslissing niet meer met voorrang te behandelen. De rechtbank heeft in haar uitspraken van 13 mei 2026 geoordeeld dat deze gewijzigde prioritering niet leidt tot een verandering in de beslistermijnen.
7.1.
Het Uwv verzoekt de rechtbank daarnaast om aan te sluiten bij de beslistermijn van vier maanden die door enkele andere rechtbanken wordt gehanteerd, en citeert daarbij een overweging van de rechtbank Oost-Brabant over het artsentekort. [5] De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om af te wijken van de beslistermijn die zij in haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft bepaald. In die uitspraken woog de rechtbank immers ook de omstandigheid van het artsentekort mee. [6]
8. In dit beroep stelt het Uwv in het verweerschrift verder dat het niet kan inschatten wanneer een besluit zal worden genomen. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.
Rechterlijke dwangsom
9. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. [7] Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
10.1.
De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, onder 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, onder 5.2. De rechtbank verwijst ook naar haar overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, onder 4.4 en 4.5.
3.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, onder 5.3 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, onder 5.3.
4.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 13 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:11558, ECLI:NL:RBDHA:2026:11559, ECLI:NL:RBDHA:2026:11560 en ECLI:NL:RBDHA:2026:11561.
5.De uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 12 januari 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:73, onder 4.2.
6.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, onder 4.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, onder 4.4.
7.https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.