Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16613

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.18079
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 20 lid 5 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArtikel 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel Kroatië

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 behandeld en verklaart het ongegrond.

Eiseres stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege ernstige tekortkomingen in Kroatië, waaronder overvolle opvangcentra en ontoereikende juridische bijstand, en verwees naar persoonlijke traumatische ervaringen. De rechtbank oordeelt dat deze stellingen onvoldoende onderbouwd zijn en dat eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigen dat Kroatië als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangemerkt.

Verder voerde eiseres aan dat haar medische situatie en die van haar kinderen een overdracht onverantwoord maken en dat de minister een BMA-advies had moeten inwinnen. De rechtbank stelt dat de medische stukken geen objectief bewijs leveren van een reëel en onomkeerbaar risico bij overdracht. Ook de persoonlijke bedreigingen door haar ex-partner en de belangen van haar minderjarige kinderen leiden niet tot een andere uitkomst.

De rechtbank concludeert dat de minister terecht geen nader onderzoek heeft verricht en dat het beroep ongegrond is. De asielaanvraag hoeft niet in behandeling te worden genomen en eiseres wordt terecht overgedragen aan Kroatië. Proceskosten worden niet toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag wordt niet in behandeling genomen; eiseres wordt overgedragen aan Kroatië.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18079

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres,

V-nummer: [v-nummer:],
alsmede namens haar minderjarige kinderen,

[naam]

V-nummer: [v-nummer:],

[naam]

V-nummer: [v-nummer:],

[naam]

V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. M.R. van der Pol),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. M.P. Gaal - De Groot).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 31 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, tegelijk met het verzoek om een voorlopige voorziening [1] , op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Ook was er een tolk aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
1.2.
Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. [2] Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [3] In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft het verzoek op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening aanvaard.
Herhaald en ingelast
5. De rechtbank overweegt dat de algemene stelling van eiseres in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, onvoldoende is om aan te kunnen merken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het besluit ingegaan op de zienswijze van eiseres. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiseres in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hen niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.
Mag de minister ten aanzien van Kroatië nog steeds uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
6. Eiseres betoogt dat ten aanzien van Kroatië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat daar ernstige tekortkomingen bestaan in de asielprocedure en de opvang. Zij verwijst hierbij naar het AIDA-rapport van 2024 (update 2025) [4] , die dateert van na de uitspraak van de Afdeling [5] van 9 oktober 2024. Uit de landeninformatie en NGO-rapportages blijkt dat opvangcentra overvol zijn, dat men soms op gangen slaapt en dat de toegang tot juridische bijstand en klachtenprocedures niet effectief is. Daarnaast stelt eiseres dat kan worden betwijfeld of Dublinclaimanten zoals zijzelf bij terugkeer naar Kroatië worden gegarandeerd van een asielprocedure en opvang. Zij verwijst ook naar haar eigen persoonlijke en traumatische ervaringen in Kroatië, waarin zij is geconfronteerd met dergelijke structurele tekortkomingen. Zij stelt dat zij door Kroatische agenten is gedwongen zich volledig uit te kleden en vervolgens is geschopt en geslagen. Daarna is zij drie dagen in een cel vastgehouden met natte kleding en zonder voedsel. Ook werd haar geld en telefoon afgenomen. Eiseres vreest dat haar bij terugkeer opnieuw een soortgelijke behandeling zal overkomen. Gelet op de door haar aangevoerde omstandigheden stelt eiseres dat de minister voorafgaand aan overdracht nadere garanties aan Kroatië had moeten vragen, althans niet zonder nader onderzoek had mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
7. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 9 oktober 2024 [6] geoordeeld dat voor Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, omdat niet is gebleken dat sprake is van structurele tekortkomingen in het Kroatische asiel- en opvangsysteem. De Afdeling heeft dit nogmaals bevestigd in de uitspraken van en 21 november 2025 [7] en 26 maart 2026. [8] Eiseres heeft geen informatie overgelegd die aanleiding geeft om nu anders te oordelen. Zo is het AIDA-rapport waar eiseres naar verwijst uitgebracht vóór laatstgenoemde uitspraak van de Afdeling. Ook geven de passages geen wezenlijk ander beeld van de opvangomstandigheden dan het AIDA-rapport over Kroatië van 2024, dat de Afdeling al heeft betrokken bij haar uitspraak van 9 oktober 2024.
7.1.
Ook de door eiseres gestelde persoonlijke ervaringen in Kroatië leiden niet tot de conclusie dat zij bij overdracht naar Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM [9] dan wel artikel 4 van Pro het Handvest. [10] De enkele stellingen van eiseres, zonder onderbouwing aan de hand van stukken die betrekking hebben op eiseres persoonlijk, acht de rechtbank hiertoe onvoldoende. Bovendien heeft Kroatië met het claimakkoord gegarandeerd dat het verzoek van eiseres om internationale bescherming in behandeling zal worden genomen overeenkomstig de toepasselijke Europese regelgeving. Mocht eiseres toch worden geconfronteerd met tekortkomingen, dan ligt het op haar weg hierover te klagen bij de (hogere) Kroatische autoriteiten. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen bij de Kroatische autoriteiten onmogelijk of bij voorbaat zinloos is. Gelet op het voorgaande heeft de minister in deze omstandigheden ook terecht geen aanleiding gezien om nader onderzoek te verrichten of concrete garanties te vragen aan de Kroatische autoriteiten.
7.2.
Ten aanzien van de stelling van eiseres dat zij na overdracht aan Kroatië vreest naar Turkije te zullen worden uitgezet, overweegt de rechtbank dat de minister, zoals hiervoor is overwogen, mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. De rechtbank komt daarom niet toe aan een nadere beoordeling van deze beroepsgrond over indirect refoulement in het kader van verschillen in beschermingsbeleid.
Heeft de minister aanleiding moeten zien om de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen?
8. Eiseres voert aan dat overdracht aan Kroatië zal leiden tot hertraumatisering en een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van haar gezondheidstoestand. Eiseres stelt dat uit de door haar overgelegde medische stukken blijkt van ernstige psychische problematiek en suïcidaliteit. Deze stukken, waaronder het patiëntendossier, vormen volgens eiseres een begin van bewijs dat overdracht medisch niet verantwoord is, zodat nadere medische diagnostiek dient te worden afgewacht. De minister had daarom een BMA-advies moeten inwinnen om de risico’s van overdracht te onderzoeken. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar uitspraken van deze rechtbank van 31 januari 2023 [11] en 31 december 2019 [12] , waarin volgens eiseres vergelijkbare omstandigheden aan de orde waren.
8.1.
Daarnaast stelt eiseres dat sprake is van andere bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan de minister haar asielaanvraag onverplicht in behandeling had moeten nemen. Eiseres voert aan dat eiseres door haar ex-partner in Turkije en Duitsland structureel is bedreigd en mishandeld. Na een recente escalatie in Duitsland is eiseres samen met haar kinderen gevlucht naar Nederland. Eiseres stelt dat eiseres nog steeds door haar ex-partner wordt bedreigd en vreest bij terugkeer naar Kroatië opnieuw met hem te worden geconfronteerd. Eiseres heeft ter onderbouwing meerdere stukken overgelegd, waaronder screenshots van WhatsApp-gesprekken met haar ex-partner en documenten betreffende de echtscheidingsprocedure en een beschermingsbevel in Turkije.
8.2.
Verder voert eiseres aan dat de minister ten onrechte voorbijgaat aan het bepaalde in het IVRK [13] en de belangen van haar drie minderjarige kinderen. De drie kinderen kampen allen met ernstige psychische problemen en worden in Nederland behandeld. Een overdracht in het kader van de Dublinverordening naar Kroatië is volgens eiseres niet in hun belang, omdat zij in Nederland hun plek hebben gevonden en in Kroatië een onzekere toekomst tegemoet zullen zien.
9. De rechtbank overweegt dat uit het arrest C.K. tegen Slovenië [14] en de rechtspraak van de Afdeling [15] volgt dat overdracht van een asielzoeker achterwege moet blijven als die overdracht zelf een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand zou inhouden. Eiseres moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van haar gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden aantonen. Uit WI 2021/39 [16] volgt dat eiseres, in geval van suïcidedreiging, objectieve medische stukken van een behandelaar moet overleggen die aantonen dat de behandelaar het risico dat eiseres suïcide zal plegen, als gevolg van de overdracht, als reëel inschat. Wanneer er door de behandelaar niet wordt gesproken over een reëel risico of verhoogd suïciderisico of waar dit onvoldoende is gerelateerd aan de daadwerkelijke overdracht, zal er geen BMA-onderzoek worden opgestart.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres met de overgelegde medische informatie van haar en haar kinderen niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij overdracht een onomkeerbare verslechtering van hun medische situatie zal ontstaan, en dat daarom geen onderzoek door het BMA is opgestart. De aard van de medische informatie geeft daarvoor geen aanleiding. Uit de stukken van het GZA volgt weliswaar dat er sterke aanwijzingen zijn dat zowel eiseres als haar kinderen kampen met PTSS-gerelateerde klachten, maar daaruit volgt niet dat sprake is van een zodanige ernst dat een overdracht zal leiden tot een aanzienlijke of onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand. Ten aanzien van de gestelde suïcidaliteit overweegt de rechtbank dat uit het overgelegde patiëntendossier blijkt dat het suïciderisico van eiseres in februari 2026 nog als laag is ingeschat en dat zij op dit moment een verwijzing heeft voor behandeling bij een specialist, maar dat deze behandeling nog niet is aangevangen. Dit heeft eiseres op de zitting bevestigd. De minister heeft in het betoog van eiseres en in de medische stukken daarom, ook volgens Werkinstructie 2021/39, geen aanleiding hoeven zien om een onderzoek te laten doen door het BMA. Daarbij komt dat eiseres niet heeft betoogd of aannemelijk gemaakt dat zij en haar gezin voor deze klachten na overdracht geen adequate hulp zouden kunnen krijgen in Kroatië.
9.2.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden geen aanleiding vormen om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen. De door eiseres genoemde omstandigheden zijn niet dermate bijzonder dat overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt. De minister is op de door eiseres gestelde persoonlijke ervaringen in Kroatië gemotiveerd ingegaan en heeft daarbij mogen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [17] Ten aanzien van wat eiseres aanvoert met betrekking tot haar ex-partner overweegt de rechtbank dat de door haar overgelegde stukken weliswaar duiden op een ernstig belaste en conflictueuze privésituatie, maar dat het aan eiseres is om zich hiervoor tot de Kroatische autoriteiten te wenden. Niet is gebleken dat eiseres zich in Kroatië niet tot de bevoegde autoriteiten kan wenden, dan wel dat door die autoriteiten op voorhand geen bescherming zou worden geboden.
9.3.
De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de minister de belangen van de kinderen voldoende heeft meegewogen bij de beoordeling van het bestreden besluit. Niet is gebleken dat deze belangen onvoldoende in de besluitvorming zijn betrokken.
9.4.
Voor zover eiseres een beroep doet op het arrest
Tarakhel [18] wegens haar medische toestand en het feit dat zij moeder is van drie jonge kinderen, is de rechtbank van oordeel dat eiseres hiermee onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere kwetsbaarheid zoals bedoeld in dit arrest.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt, dat de minister de asielaanvraag niet in behandeling hoeft te nemen en eiseres terecht wordt overgedragen aan Kroatië.
11. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.18080.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.Asylum Information Database,
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
9.Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
10.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
11.Rb. Den Haag, zittingsplaats Roermond, ECLI:NL:RBLIM:2023:775.
12.Rb. Den Haag, zittingsplaats Haarlem, ECLI:NL:RBNHO:2019:10779.
13.Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
14.Arrest van het Hof van 16 februari 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië (ECLI:EU:C:2017:127;hierna: het arrest C.K.).
15.Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980.
16.Werkinstructie 2021/3 “BMA advies tijdens de Dublinprocedure n.a.v. arrest C.K.
17.Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2595.
18.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712..