Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17138

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL24.10915
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8 EVRMRichtlijn 2001/55/EGRichtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beëindiging tijdelijke bescherming en terugkeerbesluit derdelander Oekraïne

Eiser, een Marokkaanse derdelander die rechtmatig in Oekraïne verbleef en vanwege de inval in Oekraïne tijdelijke bescherming in Nederland kreeg, werd geconfronteerd met een besluit van verweerder om zijn tijdelijke bescherming na 4 maart 2024 te beëindigen en hem te verplichten Nederland te verlaten.

Na prejudiciële vragen aan het HvJ EU en daaropvolgende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en rechtbanken, werd het eerdere besluit vervangen door een nieuw terugkeerbesluit. Eiser betwistte dit besluit onder meer met een beroep op het vertrouwensbeginsel en het recht op familie- en privéleven volgens artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank oordeelde dat de tijdelijke bescherming van derdelanders Oekraïne eerder mag eindigen dan die van Oekraïners, mits niet vóór 4 maart 2024, en dat het vervangend besluit aan de richtlijnvereisten voldoet. De bevriezingsmaatregel werd als feitelijke opschorting beoordeeld, niet als rechtmatig verblijf, waardoor het vertrouwensbeginsel niet werd geschonden.

Verder vond de rechtbank geen onderbouwing voor eisers stelling dat terugkeer naar Marokko onmogelijk is en zag zij geen strijd met het non-refoulementbeginsel. Ook was er geen bewijs van een beschermenswaardig familie- of privéleven in Nederland. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, het terugkeerbesluit bleef in stand en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen het beëindigen van de tijdelijke bescherming en het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.10915

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.R.F. Berte),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R.E. Thijssen).

Procesverloop

In het besluit van 21 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming, RTB), en dat hij binnen vier weken na die datum moet terugkeren naar zijn land van herkomst.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van de beantwoording van de aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) gestelde prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4394, en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742.
Het HvJ EU heeft deze vragen beantwoord in het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak Kaduna en Abkez. Vervolgens zijn op 23 april 2025 de einduitspraken van de Afdeling verschenen (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836) en is op 10 juli 2025 de einduitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, verschenen (ECLI:NL:RBAMS:2025:4843).
Naar aanleiding van deze uitspraken heeft verweerder op 24 juli 2025 een vervangend terugkeerbesluit genomen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1997 en heeft de Marokkaanse nationaliteit.
2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’.
3. In het besluit van 21 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming en Nederland binnen vier weken na die datum moet verlaten. Vervolgens is er onduidelijkheid ontstaan over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit. Daarom heeft verweerder de gevolgen van dit besluit bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt, maar blijft gelden voor personen zoals eiser die nog een lopende procedure hebben. In het vervangend terugkeerbesluit heeft verweerder bepaald dat het eerdere besluit te vroeg is genomen en dat eiser binnen vier weken na deze uitspraak Nederland moet verlaten.
4. Eiser is het niet eens met de besluiten. Hij voert aan dat verweerder zijn tijdelijke bescherming niet mag beëindigen. Volgens eiser handelt verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel. Ook voert eiser aan dat hij niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst. Verder beroept eiser zich op het recht op familie- en privéleven zoals neergelegd in artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. In het arrest Kaduna en Abkez en de daarop gevolgde einduitspraken is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het aangevulde besluit is de tijdelijke bescherming van eiser na die datum beëindigd. Niet is gebleken dat eiser op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat hij een aanvraag daartoe heeft lopen. Het aangevulde besluit vermeldt dat hij binnen vier weken moet terugkeren naar Mauritanië. Daarmee voldoet het vervangend besluit aan de vereisten van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn).
6. Omdat de bevriezingsmaatregel niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een feitelijke opschorting, en daarmee dus niet als rechtmatig verblijf, is ook geen sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. Daarbij komt dat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan waaruit de ‘derdelanders Oekraïne’ mochten afleiden dat zij altijd hetzelfde zouden worden behandeld als Oekraïners of dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 zoals hiervoor aangehaald, en van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32. Dergelijke toezeggingen zijn evenmin uit het dossier van eiser op te maken.
7. De stelling van eiser dat hij niet naar Marokko kan terugkeren omdat de situatie aldaar onduidelijk is en hij psychische problemen heeft, treft geen doel. De rechtbank stelt vast dat eisers stelling niet is onderbouwd met stukken. Daarbij is eisers asielaanvraag buiten behandeling gesteld en heeft hij hiertegen geen beroep ingediend, noch een nieuwe asielaanvraag ingediend. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om het vervangend terugkeerbesluit onrechtmatig te achten vanwege strijd met het beginsel van non-refoulement, en verwijst hierbij naar het arrest van het HvJ EU van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, in de zaak Ararat.
8. Op grond van artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn moet bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit rekening worden gehouden met het familie- en gezinsleven. Uit wat door eiser is aangevoerd kan echter niet worden opgemaakt dat hij in Nederland beschermenswaardig familie- of privéleven heeft opgebouwd zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM.
9. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het aangevulde terugkeerbesluit blijft in stand.
10. Voor zover eiser heeft verzocht om een schadevergoeding ter hoogte van €100.000, wordt dit verzoek afgewezen. Eiser heeft dit verzoek namelijk op geen enkele wijze onderbouwd.
11. Omdat het oorspronkelijke besluit gelet op het arrest Kaduna en Abkez en de daarop gevolgde einduitspraken een gebrek bevatte, is het beroep in zoverre terecht ingediend en bestaat er aanleiding om verweerder de veroordelen in de door eiser(es) gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan op 23 juni 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.