Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17319

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
NL25.43509 V
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 7:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzet tegen proceskostenveroordeling in bestuursrechtelijke zaak vreemdelingenrecht

De rechtbank Den Haag behandelde het verzet van opposante tegen de uitspraak van 4 maart 2026, waarin het beroep van opposante gegrond werd verklaard wegens niet-tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank had toen de proceskosten vastgesteld met een wegingsfactor van 0,25, wat neerkwam op een zeer lichte zaak.

Opposante stelde dat de rechtbank ten onrechte de zaak als zeer licht had aangemerkt en verwees naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 november 2025, waarin bij niet-tijdig beslissen een wegingsfactor van 0,5 en een lichte zaak passend werd geacht. Opposante vorderde daarom een herbeoordeling van de proceskostenvergoeding.

De rechtbank oordeelde dat opposante geen procesbelang heeft bij het verzet tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding, omdat het enkel procederen voor proceskosten geen zelfstandig procesbelang oplevert volgens vaste rechtspraak van de Afdeling en de Centrale Raad van Beroep. Het reële belang van opposante was reeds bereikt met de gegrondverklaring van het beroep op niet-tijdig beslissen.

Daarom verklaarde de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk en liet de uitspraak van 4 maart 2026 ongewijzigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling in deze verzetprocedure. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzet tegen de proceskostenveroordeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43509 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposante], opposante [1] ,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 4 maart 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposante gegrond heeft verklaard.
2. Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank van het verzet

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak eerst of in de uitspraak van 4 maart
2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het beroep gegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 4 maart 2026
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep niet-tijdig beslissen kennelijk gegrond geacht. Zij heeft hierbij de proceskosten vastgesteld op basis van één punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van
€ 934 en een wegingsfactor van 0,25. Daarmee heeft de rechtbank het gewicht van de zaak aangemerkt als “zeer licht”.
Heeft de rechtbank ten onrechte het gewicht van de zaak aangemerkt als “zeer licht”?
6. Opposante betoogt, onder verwijzing naar de uitspraak de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5294, dat de rechtbank in haar uitspraak ten onrechte de zaak heeft aangemerkt als “zeer licht” en bij het toekennen van de proceskosten aan opposante slechts een wegingsfactor van 0,25 toegepast. Opposante verwijst naar de aangehaalde uitspraak en stelt dat bij een beroep niet tijdig beslissen in beginsel moet worden uitgegaan van een wegingsfactor van 0,5 en de zaak moet worden aangemerkt als “licht”. Omdat de rechtbank de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2025 niet heeft onderkend bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding, is opposante van mening dat het verzet gegrond moet worden verklaard en dat bij een herbeoordeling van het beroep alsnog de proceskostenvergoeding moet worden vastgesteld met een wegingsfactor van 0,5, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht bij een “lichte” zaak.
7. Allereerst beantwoordt de rechtbank de vraag of er sprake is van procesbelang in het verzet. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld haar uitspraak van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:291, heeft een partij procesbelang bij een oordeel over zijn (hoger) beroep als komt vast te staan dat die partij een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk. Daarbij gaat het erom of het doel dat de appellant voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. De Centrale Raad van Beroep (Centrale Raad) heeft met zijn uitspraak van 3 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3885, geoordeeld dat het enkel procederen voor het verkrijgen van een proceskostenveroordeling geen zelfstandig procesbelang oplevert. Daarnaast heeft de Centrale Raad met zijn uitspraken van 2 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:635 en ECLI:NL:CRVB:2024:636, geoordeeld dat zelfs de kosten van bezwaar (artikel 7:15 van Pro het Awb) geen zelfstandig procesbelang in (hoger) beroep konden opleveren. De Afdeling heeft zich bij uitspraak van 19 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2508, aangesloten bij deze lijn van de Centrale Raad.
8. Het verzet ziet enkel op de hoogte van de aan eiser toegekende proceskosten in de aangevallen uitspraak. Gelet op wat onder 7. Is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat dit geen procesbelang kan opleveren voor opposante in deze procedure. Zij komt daarom niet toe aan hetgeen in de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2025 is overwogen. Het reële en actuele belang van opposante bij het beroep, namelijk dat verweerder middels een dwangsom ertoe wordt gezet om een beslissing te nemen op haar aanvraag, is met het oordeel van de aangevallen uitspraak reeds bereikt. De rechtbank zal het verzet daarom niet-ontvankelijk verklaren.

Conclusie en gevolgen

9. Het verzet is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de uitspraak van 4 maart 2026 in stand blijft.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).