ECLI:NL:RBDHA:2026:17369

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
AWB 25/21084
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 Vw 2000Art. 27 Verblijfsrichtlijn 2004/38/EGArt. 8 EVRMArt. 8.22 VbVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging EU-verblijfsrecht en ongewenstverklaring wegens ernstige strafbare feiten

Eiser, met de Montenegrijnse nationaliteit en gehuwd met een Kroatische EU-burger, werd op 10 maart 2023 veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf wegens internationale drugshandel, gewoontewitwassen en wapenbezit. De minister van Asiel en Migratie besloot daarop zijn EU-verblijfsrecht te beëindigen en hem ongewenst te verklaren, waarna eiser bezwaar en beroep instelde.

De rechtbank oordeelt dat de ontzegging en ongewenstverklaring rechtmatig zijn, omdat het gedrag van eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde. De belangen van eiser en zijn kinderen zijn meegewogen, maar de minister heeft terecht geoordeeld dat de impact op het gezinsleven niet zwaarder weegt dan het algemeen belang. Het waarschuwingsvereiste is niet geschonden, mede omdat eiser al vóór de waarschuwing strafbare feiten pleegde.

De rechtbank stelt vast dat het beroep tegen de ongewenstverklaring ongegrond is en dat het beroep tegen de beëindiging van het EU-verblijfsrecht niet-ontvankelijk is, omdat de ongewenstverklaring het verblijf rechtmatig onmogelijk maakt. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van het EU-verblijfsrecht en de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard en niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/21084

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.G.C. van Riet)
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).

Samenvatting

1. Bij besluit van 12 juli 2024 heeft de minister eiser zijn EU-verblijfsrecht ontzegd dan wel beëindigd en hem op grond van artikel 67 van Pro de Vw 2000 [1] ongewenst verklaard. Eiser moet Nederland onmiddellijk verlaten. Op 8 oktober 2025 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is hij bij de ontzegging/beëindiging van het EU-verblijfsrecht en de ongewenstverklaring gebleven. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de ontzegging/beëindiging van het EU-verblijfsrecht en de ongewenstverklaring in stand kunnen blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser is op onbekende datum, naar eigen zeggen in 2019, naar Nederland gekomen. Hij heeft de Montenegrijnse nationaliteit. Op 28 oktober 2021 heeft hij verzocht om afgifte van een document waaruit rechtmatig verblijf als gezinslid van een EU-burger blijkt. De huwelijkspartner van eiser heeft de Kroatische nationaliteit. Op 10 mei 2022 heeft eiser bericht gekregen dat het document hem zal worden uitgereikt. Hierbij is aangegeven dat een toen lopende strafzaak tot verblijfsbeëindiging kan leiden.
3. De meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam heeft eiser op 10 maart 2023 veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar wegens internationale drugshandel en het voorbereiden daarvan, (medeplegen van) gewoontewitwassen van grote geldbedragen en een auto, alsmede het bezit van een wapen met geluiddemper, gepleegd in de periode van juni 2020 tot maart 2022.
4. Op 31 maart 2023 heeft de minister aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om het EU-verblijfsrecht te beëindigen en een inreisverbod uit te vaardigen. Bij besluit van
10 januari 2024 is conform het voornemen beslist. Het door eiser tegen dit besluit ingediende bezwaar is bij besluit van 7 mei 2024 gegrond verklaard omdat ten onrechte geen rekening was gehouden met de Kroatische nationaliteit van de echtgenote van eiser.
5. Eveneens op 7 mei 2024 heeft de minister een voornemen tot verblijfsbeëindiging dan wel ontzegging van het EU-verblijfsrecht en een ongewenstverklaring aan eiser kenbaar gemaakt. Eiser heeft hierover een schriftelijke zienswijze ingediend.
6. De minister heeft met het besluit van 12 juli 2024 eisers EU-verblijfsrecht aan hem ontzegd dan wel dit verblijfsrecht beëindigd, bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en hem ongewenst verklaard.
6.1.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
6.2.
In het bestreden besluit van 8 oktober 2025 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
6.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
6.4.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Het bestreden besluit
7. De minister heeft het EU-verblijfsrecht aan eiser ontzegd dan wel dit beëindigd omdat eisers persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. De minister heeft daarbij overwogen dat eiser op 10 maart 2023 veroordeeld is tot een gevangenisstraf van vijf jaar wegens internationale drugshandel en het voorbereiden daarvan, het (medeplegen van) gewoontewitwassen van grote geldbedragen en een auto, alsmede het bezit van een wapen met geluiddemper, gepleegd in de periode van juni 2020 tot maart 2022. Vervolgens is volgens de minister niet gebleken dat de omstandigheden waarin eiser tot zijn daden is gekomen en/of zijn normbesef nu zodanig ten positieve zijn gewijzigd dat niet meer voor criminele activiteiten hoeft te worden gevreesd. De persoonlijke belangen van eiser staan volgens de minister niet aan de besluiten in de weg. De banden met Nederland zijn beperkt en die met Montenegro substantieel. In het belang van de openbare orde mag een aanpassing van het gezinsleven worden gevraagd. De glijdende schaal staat niet aan de besluiten in de weg, evenmin als artikel 8 van Pro het EVRM. [2]
8. Het beroep van eiser richt zich tegen zowel het besluit van de minister tot ontzegging/beëindiging van het EU-verblijfsrecht als zijn ongewenstverklaring. Uit artikel 67, derde lid, van de Vw 2000 volgt dat een vreemdeling geen rechtmatig verblijf in Nederland kan hebben zolang zijn ongewenstverklaring voortduurt. Dit betekent dat eiser geen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen de ontzegging/beëindiging van het EU-verblijfsrecht, zolang de ongewenstverklaring voortduurt. [3] Eisers beroep tegen de ontzegging/beëindiging van het EU-verblijfsrecht is dan ook slechts ontvankelijk als de uitspraak van de rechtbank tot gevolg heeft dat de hem opgelegde ongewenstverklaring niet langer van kracht is. De rechtbank zal daarom eerst de rechtmatigheid van de ongewenstverklaring beoordelen. Alleen als die onrechtmatig is, volgt een beoordeling van de ontzegging/beëindiging van het EU-verblijfsrecht.
8.1.
Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de ongewenstverklaring betrekt de rechtbank wel ten volle de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd tegen de ontzegging van het EU-verblijfsrecht. Voor beide gevallen is het toetsingskader namelijk gelijk
. [4]
Juridisch kader
9. Op grond van de Verblijfsrichtlijn [5] kan de vrijheid van verkeer en verblijf van burgers van de Europese Unie worden beperkt om onder meer redenen van openbare orde. Het aanvoeren van een reden van openbare orde moet in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel, mag alleen gebaseerd zijn op het gedrag van betrokkene en het gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormen voor een fundamenteel belang van de samenleving. [6]
9.1.
Op grond van artikel 67, eerste lid, van de Vw 2000 kan de minister een Unieburger ongewenst verklaren als (onder b) hij is veroordeeld voor een misdrijf waarvoor de maximale gevangenisstraf drie jaren of meer is bedreigd en (onder c) omdat hij een gevaar vormt voor de openbare orde en hij geen rechtmatig verblijf heeft. De minister moet hierbij toetsen of het persoonlijke gedrag van de Unieburger een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Daarbij moet de minister in het bijzonder rekening houden met de duur van het verblijf van de betrokkene in Nederland, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie en sociale en culturele integratie in Nederland en met de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van herkomst.
9.2.
In de uitspraak [7] van 20 november 2015, heeft de Afdeling uit het arrest Z.Zh. en I.O. [8] afgeleid dat, voor zover nu van belang, de minister bij zijn beoordeling of sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, alle feitelijke en juridische gegevens moet betrekken die zien op de situatie van een vreemdeling in relatie tot het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Steunen op een algemene praktijk of een vermoeden volstaat daarom niet. Verder moet de minister bij zijn beoordeling in acht nemen dat de hiervoor bedoelde feitelijke en juridische gegevens niet noodzakelijkerwijs beperkt zijn tot de gegevens die de strafrechter heeft beoordeeld. Ook moet de minister bezien of de vreemdeling sinds het (laatst) gepleegde strafbare feit een positieve gedragsverandering heeft doorgemaakt.
9.3.
Het bestreden besluit is een belastend besluit, zodat het aan de minister is om aan te tonen dat aan de voorwaarden voor de ongewenstverklaring is voldaan.
Waarschuwingsvereiste geschonden
10. Eiser stelt zich op het standpunt dat het waarschuwingsvereiste is geschonden. Bij brief van 8 november 2021 is aan eiser meegedeeld dat hij vanaf 28 oktober 2021 rechtmatig verblijf heeft in Nederland en dat zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER in behandeling wordt genomen. In deze brief is eiser niet gewaarschuwd dat het plegen van strafbare feiten van invloed kan zijn op het verkrijgen en continueren van het verblijfsrecht. Eiser verwijst in dit verband onder andere naar de arresten van het EHRM [9] Nguyen tegen Denemarken van 9 april 2024 [10] en Loukili tegen Nederland van 11 april 2023. [11] In de laatste zaak was de vreemdeling ook niet gewaarschuwd voor de gevolgen van het verder plegen van strafbare feiten maar omdat daar sprake was van recidive en het bewijs van inhoudelijk gezinsleven ontbrak werd er toch tot verblijfsbeëindiging geconcludeerd. Dat ligt hier anders nu het slechts gaat om één veroordeling zonder recidive en het gezinsleven tussen eiser en zijn twee kinderen niet ter discussie staat.
10.1.
De rechtbank overweegt dat het waarschuwingsvereiste dat wordt genoemd in de arresten Nguyen tegen Denemarken en Loukili tegen Nederlandgeen hard criterium is, maar in samenhang moetworden bekeken met de overige belangen die spelen in de zaak. In de zaak Nguyen was het misdrijf minder ernstig en woonde de vreemdelinge sinds haar vijfde in Denemarken. In de zaak Loukili woonde de vreemdeling al 42 jaar in Nederland en was er weliswaar sprake van recidive maar waren de misdrijven beduidend minder ernstig. De rechtbank is van oordeel dat de minister in deze zaak voldoende alle belangen in samenhang heeft beoordeeld. Hierbij is onder andere betrokken dat eiser op het moment dat hij de strafbare feiten beging een volwassen man was met een universitaire opleiding van wie verwacht mocht worden dat hij de consequenties van zijn daden kon overzien. In dat kader kan ook van belang worden geacht dat eiser zonder de juiste papieren naar Nederland is gekomen. Pas in 2021 is hij teruggereisd om identiteitspapieren te halen terwijl hij zich al vanaf de eerste helft van 2020 schuldig maakte aan internationale handel in harddrugs, gewoontewitwassen en wapenbezit. Daarbij is eiser er in de brief van 10 mei 2022, waarin hemis meegedeeld dat hij het document waaruit rechtmatig verblijf als gezinslid van een EU-burger blijkt uitgereikt zal krijgen, wel expliciet voor gewaarschuwd dat een toen lopende strafzaak tot verblijfsbeëindiging zou kunnen leiden. Ten slotte vindt de rechtbank van belang dat een flink deel van de strafbare feiten al was gepleegd voordat eiser de brief van 8 november 2021 ontving. Om al deze redenen slaagt de beroepsgrond niet.
Belangen van de kinderen
11. Eiser stelt zich daarnaast op het standpunt dat de minister zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van zijn kinderen. Aangevoerd is dat de zoon van eiser veel last heeft van het feit dat hij aanwezig was bij de arrestatie van zijn vader en de omstandigheid dat zijn vader nu in detentie zit. Dit is met een behandelplan en een Whatsapp-bericht onderbouwd. Mogelijk is er sprake van een posttraumatische stressstoornis waarbij is gebleken dat videocontact geen aanvaardbaar alternatief is voor echt contact. Het gezin is in therapie en een onderzoek door de Raad van de kinderbescherming is mogelijk geïndiceerd. Hier is in het bestreden besluit niet, dan wel onvoldoende, rekening mee gehouden.
11.1.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de rechtbank moet toetsen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden bij zijn belangenafweging heeft betrokken en, als dit het geval is, of hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familieleven dan wel het privéleven van de vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid. [12]
11.2.
Bij een belangenafweging waarin openbare-ordeaspecten een rol spelen, moeten de criteria uit de arresten Boultif [13] en Üner [14] betrokken worden. Hiertoe behoren onder meer de aard en de ernst van het gepleegde misdrijf, de gedragingen van de betrokken vreemdeling gedurende die tijd en de hechtheid van de sociale, culturele en familiebanden van de betrokken vreemdeling met het gastland en het land van herkomst. Ook de gezinssituatie van de betrokkene en het belang en welzijn van de kinderen van de betrokkene behoren hiertoe, in het bijzonder de ernst van de problemen die de kinderen waarschijnlijk zouden ondervinden in het land waarnaar de betrokkene mogelijk uitgezet zal worden. Verder volgt uit vaste jurisprudentie van het EHRM dat in alle beslissingen over kinderen hun belangen een eerste overweging dienen te vormen en aan die belangen, hoewel die belangen op zichzelf niet doorslaggevend kunnen zijn, aanzienlijk gewicht moet toekomen.
11.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit alle relevante feiten en omstandigheden in de belangenafweging heeft betrokken en dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat deze belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Hierbij heeft de minister mogen betrekken dat de traumatische ervaring die eisers zoon bij de arrestatie heeft opgedaan, eiser toch vooral aan zichzelf te wijten heeft. In dat kader merkt de minister terecht op dat gesteld wordt dat de zoon sinds de arrestatie psychische problemen heeft gehad maar dat daar in de gronden van bezwaar niet over wordt gerept en er voor 14 mei 2025, twee weken voor de hoorzitting, nooit aanleiding is gezien om professionele hulp voor hem in te schakelen. Ook was er ten tijde van het bestreden besluit nog geen behandelplan. Inmiddels is dit behandelplan er wel maar een diagnose is, zo blijkt daaruit, nog niet gesteld. Verder heeft de minister overwogen dat er voor kinderen van zeven en vijf jaar oud een vanzelfsprekend belang is om beide ouders in hun nabijheid te hebben maar dat in dit geval de impact aanmerkelijk geringer zal zijn omdat eiser al jaren achtereen niet meer thuis is. Niet aannemelijk is gemaakt dat zijn afwezigheid bij de kinderen tot onoverzienbare problemen heeft geleid. Zij kunnen hun leven blijven leven zoals zij nu doen. Indien nodig kan ondersteuning gevonden worden bij reguliere hulpverlening. Daarbij komt dat de kinderen nog vrij jong zijn. Hun worteling is nog vrij beperkt zodat zij ook in een ander land een toekomst zullen kunnen opbouwen. Dit geldt eveneens voor de echtgenote van eiser. Zij woonde al eerder in Montenegro en zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar daar onoverkomelijke problemen zouden wachten als zij zich daar weer zou vestigen. Daarbij hoeft de ongewenstverklaring niet voor altijd te zijn. Ook heeft de minister betrokken dat, mochten de echtgenote en de kinderen besluiten in Nederland te blijven, wat in het belang van de openbare orde verdedigbaar is, het gezinsleven anders vormgegeven kan worden. Contact via moderne communicatiemiddelen is verre van ideaal maar in een geval als dit een aanvaardbaar alternatief. Daarbij verwijst de minister erop dat de kinderen hier inmiddels al geruime tijd mee vertrouwd zijn. De minister geeft aan dat de moeder en grootmoeder de stabiele factoren in het leven van de kinderen zijn. Temeer omdat eiser voor zijn detentie ook regelmatig op en neer reisde, ligt het dan ook in de rede dat zij hem buiten Nederland zullen bezoeken. Gelet hierop en de andere door de minister betrokken belangen, heeft de minister de belangenafweging niet ten onrechte in eisers nadeel laten uitvallen. Dat de minister de zoon van eiser had moeten laten onderzoeken door de Raad voor de Kinderbescherming volgt de rechtbank niet omdat het onderzoek naar de psychische problemen van de zoon pas in mei 2025 is opgestart en daar nog geen resultaten van bekend zijn of een diagnose is gesteld.
Vestiging elders in de EU
12. Verder heeft eiser aangevoerd dat, zoals tijdens het gehoor van 16 juli 2025 reeds naar voren is gebracht, er een naturalisatieprocedure loopt ten behoeve van zijn echtgenote en kinderen. Inmiddels is er op 30 oktober 2025 een positief besluit genomen. Hier heeft de minister in het bestreden besluit ten onrechte geen aandacht voor gehad. Dit maakt dat van hen ook niet gevergd kan worden dat zij zich buiten de EU vestigen.
12.1.
De rechtbank stelt vast dat het besluit in de naturalisatieprocedure dateert van na het bestreden besluit. Om die reden heeft de minister dit naar het oordeel van de rechtbank in zijn besluitvorming hoeven betrekken. Daarbij merkt de minister terecht op dat, bij een vertrek van eiser uit de EU, het zijn echtgenote en de kinderen volledig vrij staat om in Nederland te blijven. Ook kunnen zij ervoor kiezen eiser te volgen. Niet is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat het gezinsleven van eiser en zijn gezin niet in Montenegro zou kunnen worden uitgeoefend.
Recidive risico
13. Ten slotte zou de minister volgens eiser bij zijn beoordeling van het recidive risico ten onrechte voorbij gaan aan hetgeen naar voren is gebracht ten aanzien van het gedrag en de keuzes die eiser gemaakt heeft na zijn veroordeling. Daaruit blijkt dat de veroordeling grote impact op hem heeft gehad en dat hij iets geleerd heeft van zijn veroordeling, met name door de reactie van en de gevolgen die het voor zijn kinderen heeft. Verwezen is naar de rationale keuze theorie. De gevolgen voor zijn zoon blijken bijvoorbeeld uit zijn behandelplan. Eiser voelt zich hier verantwoordelijk voor en lijdt er dagelijks onder. Dit maakt dat hij nooit meer de keuzes zal maken die geleid hebben tot het vonnis van 10 maart 2023. De minister heeft zich hier onvoldoende rekenschap van gegeven.
13.1.
De rechtbank constateert dat eiser in beroep in dit verband geen nieuwe argumenten naar voren heeft gebracht terwijl de minister in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd heeft aangegeven dat niet aannemelijk is gemaakt dat het recidiverisico laag is.
De minister merkt terecht op dat eiser een volwassen en hooggeschoolde man is die de mogelijke consequenties van zijn daden vooraf moet hebben kunnen overzien en de mogelijke risico’s voor hem, maar ook voor zijn gezin, heeft aanvaard. Ook het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 maart 2023 en het rapport van de reclassering vermelden geen aanwijzingen dat eiser de keuze niet in vrijheid zou hebben gemaakt. Daarnaast valt ook uit eisers houding tijdens de strafrechtelijke procedure niet op te maken dat de belangen van zijn kinderen hem voor alles gingen nu hij heeft geweigerd mee te werken tijdens het proces met mogelijk een langere straf tot gevolg. De minister heeft dan ook niet hoeven inzien dat in de toekomst de consequenties voor zijn gezin eiser er wel van zouden weerhouden om over te gaan tot het plegen van strafbare feiten.

Conclusie en gevolgen

14. De rechtbank verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de ongewenstverklaring, ongegrond. Aangezien eiser ongewenst is verklaard en daarom op dit moment geen rechtmatig verblijf kan hebben, heeft eiser geen belang bij de beoordeling van zijn beroep, voor zover gericht tegen de ontzegging/beëindiging van het EU-verblijfsrecht. Daarom is het beroep, in zoverre, niet-ontvankelijk.
15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de ongewenstverklaring, ongegrond;
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de ontzegging dan wel beëindiging van het EU-verblijfsrecht, niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 18 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2984 en 22 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN2265.
5.Richtlijn 2004/38/EG.
6.Dit volgt uit onder meer uit artikel 27 van Pro de Verblijfsrichtlijn, artikel 67 van Pro de Vw, artikel 8.22 van het Vb en paragraaf B10/2.3 van de Vc.
8.Van dit arrest moet nog even vermeld worden wie het heeft gegeven en wat de vindplaats is.
9.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
10.Nr. 2116/21.
11.Nr. 57766/19, JV 2023/102.
12.Afdeling 3 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4481 en 29 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1722.
13.EHRM 2 augustus 2001, ECLI:CE:EHCR:2001:0802JUD005427300.
14.EHRM 18 oktober 2006.ECLI:CE:EHCR:2006:1018JUD004641099.