ECLI:NL:RVS:2022:1722
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A. Kuijer
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking Nederlanderschap en ongewenstverklaring wegens onvoldoende belangenafweging
Appellante werd in oktober 2019 het Nederlanderschap ontnomen en ongewenst verklaard vanwege haar aansluiting bij ISIS en een bedreiging voor de nationale veiligheid. De rechtbank verklaarde haar beroepen ongegrond, maar appellante stelde hoger beroep in.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het individueel ambtsbericht van de AIVD ingezien en bevestigd dat appellante een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Echter, de staatssecretaris heeft onvoldoende rekening gehouden met de belangen van appellante's minderjarige kinderen die in Nederland verblijven en het feit dat zij feitelijk met hen is teruggekeerd.
De Afdeling oordeelt dat de belangenafweging in strijd is met artikel 8 EVRM Pro en de artikelen 3:2 en 3:46 Awb, waardoor de besluiten tot intrekking en ongewenstverklaring niet in stand kunnen blijven. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, de beroepen worden gegrond verklaard en de besluiten vernietigd. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De intrekking van het Nederlanderschap en de ongewenstverklaring worden vernietigd wegens onvoldoende belangenafweging, met name ten aanzien van de minderjarige kinderen.