ECLI:NL:RBDHA:2026:17674

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.25034
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5 Terugkeerrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen bewaring vreemdeling wegens risico op onttrekking en zicht op uitzetting

Eiser is in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege het risico op onttrekking aan toezicht. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank overwoog dat de bewaring terecht is opgelegd gezien de herhaalde weigering van eiser om Nederland en de EU te verlaten, het ontbreken van identificatiedocumenten en het gebruik van meerdere aliassen. De stelling dat een lichter middel had moeten worden toegepast, werd verworpen omdat eiser onvoldoende onderbouwde hoe de bewaring zijn gezinsleven met partner en kinderen in België belemmert.

Verder oordeelde de rechtbank dat er wel degelijk zicht is op uitzetting naar Libië of Algerije binnen een redelijke termijn, ondanks het ontbreken van een reactie op laissez-passer aanvragen. Eiser heeft onvoldoende meegewerkt aan het uitzettingsproces. Ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid en het non-refoulementbeginsel leverde geen onrechtmatigheid op.

Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.25034

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K.A.J. Smit. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Lichter middel
1. Eiser voert aan dat er een lichter middel had moeten worden toegepast. Hij stelt hiertoe dat zijn bewaring, die op grond van een andere grondslag inmiddels al lange tijd duurt, hem zwaar valt, omdat hij daardoor geen contact kan hebben met zijn partner en kinderen in België.
1.1.
Gelet op de niet bestreden zware gronden 3a, 3b, 3c, 3d, 3e en 3i en lichte gronden 4a, 4b, 4c en 4d, die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, en op de omstandigheden genoemd in de toelichting op die gronden, en meer specifiek op de omstandigheden dat eiser niet heeft voldaan aan zijn (uit het besluit van 5 augustus 2019 voortvloeiende) verplichting om Nederland en de EU te verlaten, bij herhaling (namelijk op 6 augustus 2019, 13 juni 2023 en 25 juni 2025) met onbekende bestemming is vertrokken, geen aantoonbare inspanningen heeft verricht om aan identificerende documenten te komen en meerdere aliassen heeft opgegeven, uit welke gronden en omstandigheden tezamen een fors risico op onttrekking aan het toezicht voortvloeit, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast.
1.2.
De stelling van eiser die erop neerkomt dat zijn bewaring vanwege het gezinsleven dat hij met zijn partner en kinderen in België heeft onevenredig bezwarend is, volgt de rechtbank niet. Nog daargelaten dat de gestelde relatie met zijn partner en kinderen niet is onderbouwd (ook niet in beroep), heeft eiser niet toegelicht en geconcretiseerd, laat staan onderbouwd, op welke wijze hij invulling geeft aan zijn gestelde gezinsleven, en op welke wijze de inbewaringstelling hem belemmert in het uitoefenen van dit (gestelde) gezinsleven. Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onevenredig bezwarend is. Ter vergelijking verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:224.
1.3.
De beroepsgrond dat een lichter middel moest worden toegepast, slaagt gezien het voorgaande niet.
Zicht op uitzetting
2. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting naar Libië of Algerije binnen een redelijke termijn ontbreekt. Daartoe stelt eiser dat hij al langer dan vijf maanden in vreemdelingenbewaring zit en dat de Libische en Algerijnse autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de aanvragen van verweerder om een laissez-passer (lp).
2.1.
De rechtbank overweegt dat in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije bestaat. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1892), 15 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2842) en 27 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:722).
De rechtbank overweegt verder dat in zijn algemeenheid ook zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Libië bestaat. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 9 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3070) en 1 september 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4156).
2.2.
Over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Libië of Algerije in het concrete geval van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. De op 17 februari 2026 voor eiser ingediende lp-aanvragen zijn nog in behandeling bij de Libische en Algerijnse autoriteiten. Dat er tot op heden, na drie maanden, geen positieve reacties op de lp-aanvragen zijn ontvangen, betekent, gelet op wat er onder 2.1. is overwogen, niet dat thans in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. De rechtbank wijst er in dit verband op dat op 13 mei 2026 voor eiser een presentatie bij de Algerijnse autoriteiten stond gepland. Verder geldt dat met een lp-traject bij zowel de Libische als de Algerijnse autoriteiten in het algemeen de nodige tijd (soms meerdere maanden) gemoeid gaat, zeker indien een vreemdeling, zoals in het geval van eiser, geen enkel document betreffende zijn identiteit en nationaliteit overlegt en al langere tijd weg is uit zijn land van herkomst. Voorts wijst de rechtbank er in dit verband op dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en het lp-traject. Niet is gebleken dat eiser dat voldoende doet. Zo blijkt uit het verslag van het vertrekgesprek van 7 mei 2026 dat eiser tot op heden geen inspanningen heeft verricht om identificerende documenten te regelen en dat hij heeft verklaard niet te weten of hij zal meewerken aan zijn presentatie bij de Algerijnse consul op 13 mei 2026. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat beide lp-trajecten, ook als hij wel zou meewerken, op niets zullen uitlopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven. De beroepsgrond dat het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn ontbreekt, slaagt dan ook niet.
Slotsom beroepsgronden
3. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Ambtshalve toetsing
4. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast dient de rechtbank, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), ambtshalve te toetsen of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a en b, van de Terugkeerrichtlijn zich verzetten tegen verwijdering. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Voor wat betreft het gestelde gezinsleven van eiser overweegt de rechtbank dat hierover, in overweging 1.2, al is overwogen dat eiser dit niet heeft onderbouwd.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.