ECLI:NL:RBDHA:2026:18007

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
SGR 24/8874
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 WIAArt. 6:19 AwbArt. 13 Dagloonbesluit
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling dagloonberekening WIA-uitkering en referteperiode

Eiseres, een arts die sinds juni 2022 arbeidsongeschikt is, heeft een WIA-uitkering toegekend gekregen op basis van een dagloon berekend over de referteperiode van 1 juni 2021 tot en met 31 mei 2022. Zij betwistte de hoogte van het loon waarop de uitkering is gebaseerd en stelde dat ook het loon over juni 2022, waarin zij een loonsverhoging kreeg, meegewogen moest worden.

De rechtbank stelt vast dat de WIA en het Dagloonbesluit dwingendrechtelijke regels bevatten die de referteperiode strikt bepalen en dat hiervan niet kan worden afgeweken. De rechtbank oordeelt dat verweerder de referteperiode correct heeft toegepast en dat het gewijzigde besluit het dagloon terecht heeft verhoogd.

Hoewel eiseres stelt dat de strikte toepassing van de dagloonregels tot een onevenredig resultaat leidt vanwege haar veranderde arbeidsmarktpositie door long covid, oordeelt de rechtbank dat het besluit niet onredelijk bezwarend is. De rechtbank wijst het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond, verklaart het beroep tegen het eerdere besluit niet ontvankelijk en veroordeelt verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep tegen het gewijzigde besluit over de dagloonberekening wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen het eerdere besluit niet ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8874

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Ouwerkerk-Hoogendonk),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: C. Schravesande).

Inleiding

Bij besluit van 22 juli 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres per 16 juli 2024 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend.
Bij besluit van 1 oktober 2024 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het door eiseres tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaalt dat eiseres haar loongegevens aan de rechtbank stuurt.
Bij brief van 26 maart 2026 heeft eiseres informatie van de salarisadministratie van haar werkgever en loonstroken ingezonden.
Bij besluit van 14 april 2026 (bestreden besluit II) heeft verweerder het in het bestreden besluit I vastgestelde dagloon gewijzigd.
Bij brief van 23 april 2026 heeft eiseres een nader standpunt ingenomen.
Partijen hebben ter zitting op voorhand toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiseres is op 27 juni 2022 uitgevallen voor haar werkzaamheden als arts bij Arboned B.V. Op 8 april 2024 heeft eiseres een WIA-uitkering aangevraagd.
2. Verweerder heeft aan eiseres per 16 juli 2024 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de WIA toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. De hoogte van deze uitkering bedraagt € 3.429,32 bruto per maand. Daarbij is uitgegaan van het loon dat eiseres verdiende in de referteperiode van 1 juni 2021 tot en met 31 mei 2022, een bedrag van € 47.910,12. Uit het aan dit besluit ten grondslag liggende dagloonrapport blijkt dat het dagloon van eiseres is vastgesteld op € 227,04.
3. Eiseres voert aan dat verweerder van een te laag loon is uitgegaan. Volgens de salarisadministratie van de werkgever ging het om een sv-loon van € 48.635,35 in plaats van € 47.910,12. Ter onderbouwing hiervan heeft eiseres loonstroken en informatie van de loonadministratie van de werkgever overgelegd.
4. Naar aanleiding van de door eiseres overgelegd loongegevens heeft verweerder een gewijzigd besluit genomen en het eerder vastgestelde WIA-dagloon gewijzigd. Bij die eerdere vaststelling was volgens verweerder ten onrechte de eenmalige uitkering die zij in november 2021 ontving uit het dagloon gehaald. Uit het aan dit besluit ten grondslag liggende dagloonrapport blijkt dat het dagloon van eiseres is vastgesteld op € 230,48.
5. Eiseres heeft in reactie op het nieuwe besluit gesteld dat voor een deel aan haar bezwaren is tegemoet gekomen. Zij stelt dat het loon over de maand juni 2022 ook mee moet worden genomen in de berekening van haar dagloon. Zij heeft er op gewezen dat zij op 1 juni 2022 een substantiële loonsverhoging kreeg en dit zou een wezenlijk verschil maken in de berekening van haar dagloon.
6. Met het bestreden besluit II heeft verweerder het bestreden besluit I gewijzigd. De rechtbank zal het beroep tegen het bestreden besluit I niet ontvankelijk verklaren wegens het ontbreken van een procesbelang. Omdat bestreden besluit II niet volledig tegemoet komt aan de bezwaren van eiseres, wordt het beroep met toepassing van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht mede gericht geacht tegen bestreden besluit II.
7.1
Op grond van artikel 13, eerste lid, van de WIA wordt voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte die tot volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid heeft geleid, is ingetreden.
7.2.
Op grond van artikel 13, derde lid, van de WIA worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld.
7.3.
Op grond van artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit, voor zover hier van belang, wordt onder referteperiode verstaan de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het tijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden.
8.1.
Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep [1] volgt de referteperiode voor de vaststelling van het dagloon uit artikel 13, eerste lid, van de WIA en artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit en dat de referteperiode niet kan worden losgekoppeld van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Voorts blijkt uit eerdere jurisprudentie [2] dat uit de regeling van de referteperiode volgt dat voor de vaststelling van het welvaartsniveau niet bepalend is het loon dat is genoten op het moment van intreden van het verzekerde risico, maar het loon dat daadwerkelijk is genoten tijdens de gehele referteperiode (historisch dagloon). Hieraan is inherent dat periodes waarin minder loon is ontvangen tijdens de referteperiode een negatieve invloed hebben op de hoogte van het dagloon. Inherent hieraan is ook dat geen rekening wordt gehouden met vóór of na de referteperiode genoten inkomsten. Artikel 13 van Pro de WIA biedt dus geen ruimte om van een andere referteperiode uit te gaan. Ook het Dagloonbesluit biedt hiervoor geen grondslag.
8.2.
Het voorgaande bekent naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder de referteperiode terecht heeft vastgesteld over de periode van 1 juni 2021 tot en met 31 mei 2022 en bij de berekening van het dagloon rekening heeft gehouden met het inkomen dat eiseres in die periode verdiende.
9.1.
Eiseres stelt dat strikte toepassing van de dagloonregels tot een onevenredig resultaat leidt. Eiseres is basisarts en het plan was om een opleiding tot specialist te gaan volgen. Door haar ziekte, long covid, kan dat niet meer. Tot op heden is nog geen behandeling mogelijk voor long covid klachten, hetgeen betekent dat het heel goed mogelijk is dat zij over een niet al te lange periode een IVA-uitkering krijgt. Haar toekomstsperspectief op de arbeidsmarkt is door de ziekte wezenlijk veranderd.
9.2.
De rechtbank overweegt dat de dagloonberekening dwingendrechtelijk van aard is. Verweerder heeft geen ruimte om hiervan af te wijken. Het Dagloonbesluit is een algemeen verbindend voorschrift dat geen wet in formele zin is en vaststelling van het WIA-dagloon is een gebonden besluit. Uit de jurisprudentie volgt dat bij een gebonden bevoegdheid op het niveau van het algemeen verbindende voorschrift al een belangenafweging in algemene zin heeft plaatsgevonden. De uitkomst daarvan is neergelegd in de wettelijke voorwaarden voor de uitoefening van die bevoegdheid en daarmee is in beginsel ook de evenredigheid van het besluit gegeven. Er kunnen zich bijzondere omstandigheden voordoen die maken dat toepassing van een algemeen verbindend voorschrift voor een belanghebbende zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel, dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit betekent dat het bestuursorgaan uiteindelijk (“onder de streep”) moet beoordelen of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindende voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst zou leiden, maar daarbij gaat het dan alleen nog om de evenwichtigheid. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor een belanghebbende onredelijk bezwarend is, dat wil zeggen zozeer in strijd met het evenredigheidsbeginsel dat toepassing achterwege moet blijven.
9.3.
De rechtbank stelt vast dat aan eiseres met bestreden besluit I een uitkering van
€ 3.429,32 bruto is toegekend. Dit bedrag zal met de ophoging van het dagloon in het bestreden besluit II nog iets meer worden. Naar het oordeel van de rechtbank moet eiseres daarmee in haar levensonderhoud kunnen voorzien. Er is dan ook geen sprake van dat het besluit onredelijk bezwarend is. Dat haar perspectief op de arbeidsmarkt niet rooskleurig zal zijn, zoals eiseres heeft gesteld, maakt dat niet anders. Toekomstige ontwikkelingen maken geen deel uit van de dagloonberekening.
9.4.
Eiseres heeft nog gewezen op de uitspraak van deze rechtbank van 13 juli 2022 [3] . Naar het oordeel van de rechtbank is deze uitspraak niet vergelijkbaar met de situatie van eiseres. In die uitspraak had de rechtbank geoordeeld dat de betrokkene als een starter als bedoeld in artikel 18 van Pro het Dagloonbesluit moet worden aangemerkt en dat daarom niet het loon over de gehele referteperiode in aanmerking kon worden genomen bij de vaststelling van de hoogte van het dagloon. Dat is in het geval van eiseres anders. Zij is immers niet als starter aan te merken. Bovendien is in de uitspraak geoordeeld dat nu de betrokkene als starter was aan te merken, het loon
inde referteperiode niet representatief was. Dat is bij eiseres anders, omdat het bij haar gaat om het loon dat zij
nade referteperiode heeft verdiend.
10. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit II is ongegrond.
11. Omdat verweerder hangende het beroep een gewijzigd besluit heeft genomen krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Ook moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit I niet ontvankelijk;
- verklaart het beroep gericht tegen bestreden besluit II ongegrond;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.