ECLI:NL:CRVB:2021:2482
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling dagloon op basis van historische referteperiode bij WIA-uitkering
Appellante was vanaf 1 oktober 2009 werkzaam bij een werkgever en volgde tussen 2013 en 2015 een opleiding, waarna zij in 2016 fulltime werkte. Na een ongeval in juli 2016 werd zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt verklaard. Het UWV stelde het dagloon vast op basis van de referteperiode van 1 juli 2015 tot en met 1 juli 2016, waarbij ook periodes met minder loon door studie werden meegenomen.
Appellante maakte bezwaar tegen de hoogte van het dagloon omdat zij meende dat het niet representatief was voor haar inkomen na afronding van haar opleiding. De rechtbank verklaarde haar beroep ongegrond en verwees naar eerdere jurisprudentie waarin werd bevestigd dat het loon gedurende de gehele referteperiode bepalend is, ook als dit leidt tot een lager dagloon.
In hoger beroep voerde appellante aan dat deze berekeningswijze onredelijk en onrechtvaardig was en inbreuk maakte op de verzekeringsgedachte van de Wet WIA. De Raad oordeelde dat de wet en het Dagloonbesluit dwingend voorschrijven welke referteperiode geldt en dat de rechter deze formele wetgeving niet kan toetsen op billijkheid of grondwettigheid.
De Raad verwierp de argumenten van appellante en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er was geen grond om af te wijken van de wettelijke regeling, ook niet vanwege de studiejaren in de referteperiode. De procedurekosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het dagloon op basis van de gehele referteperiode wordt vastgesteld en wijst het hoger beroep af.