ECLI:NL:CRVB:2026:484
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vaststelling dagloon WIA-uitkering ondanks coronaperiode met lagere onregelmatigheidstoeslag
Appellante, een touringcarchauffeur, kreeg per 19 september 2022 een WIA-uitkering toegekend met een dagloon van € 83,59, berekend over de referteperiode van 1 september 2019 tot 31 augustus 2020. Zij stelde dat deze periode niet representatief was vanwege de coronamaatregelen, waardoor zij minder onregelmatigheidstoeslag (ORT) ontving dan gebruikelijk. Appellante vorderde dat een andere referteperiode zou worden gehanteerd of dat rekening zou worden gehouden met het gemiddelde ORT van voorgaande jaren.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond en handhaafde het besluit van het UWV. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad overweegt dat de referteperiode dwingend is voorgeschreven in de wet- en regelgeving en dat het dagloon het werkelijk genoten loon in die periode weerspiegelt. Het feit dat appellante door corona minder ORT ontving, leidt niet tot een onredelijk bezwarend besluit. De Raad wijst ook op het verschil tussen dagloon en maatmaninkomen, waarbij alleen bij het laatste rekening kan worden gehouden met afwijkende perioden.
Het hoger beroep wordt verworpen, waardoor het dagloon van € 83,59 blijft gelden. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 22 april 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het dagloon van € 83,59 blijft gehandhaafd.