Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
De hoogte van de in aanmerking te nemen schade (grief j)
extraleeftijdskorting”, aangezien de termijn van vijf werkdagen al leeftijdskorting kan inhouden. De zin omschrijft enkel de regeling uit het Kaderbesluit bpm en bevat geen oordeel. Hieruit volgt dus niet de conclusie die eiseres hieraan wenst te verbinden. Een andere onderbouwing heeft eiseres niet gegeven. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor toepassing van extra leeftijdskorting.
artikel 9, dertiende en veertiende lid, van de wetblijkt de CO2-uitstoot van een personenauto of een bestelauto in gram per kilometer uit het kentekenregister.
artikel 22 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, dan wel het door de fabrikant ter zake afgegeven certificaat van overeenstemming;
artikel 26 van Pro de Wegenverkeerswet 1994;
In het onderhavige geval dient daarom met toepassing van het eerste lid het kentekenregister in het land van de eerste toelating als leidend te worden beschouwd. Bij gebreke aan de gegevens uit het kentekenregister dient in eerste instantie te worden teruggevallen aan een typegoedkeuring te ontlenen gegevens en daarna indien nodig op het zogenaamde ‘Certificaat van overeenstemming’. Voorts dient te worden bezien of een testrapport van de betreffende auto soelaas biedt. Indien dat allemaal niet het geval is, zijn de onder d genoemde metingen aan de orde. Niet valt uit te sluiten dat de door eiseres verdedigde Scandinavische rekenmethode voldoet aan de onder d vermelde voorwaarden, maar dat is eerst aan de orde indien toetsing aan de bronnen, genoemd onder a, b en c, geen resultaat heeft opgeleverd. Daarnaast bestaat natuurlijk de mogelijkheid dat de uitstootwaardes die in de eerste drie bronnen zijn weergegeven zijn gebaseerd op deze berekeningsmethode. Ook dan kan de Scandinavische rekenmethode leiden tot de voor de vaststelling van de bpm te hanteren CO²-uitstoot van de auto. Voor de door eiseres gewenste toepassing van de methode in alle gevallen wanneer dit tot een voor de belastingplichtige gunstiger is, biedt de wet echter geen ruimte. Voor de conclusie dat deze bewijsregels kunnen leiden tot een uitkomst die onverenigbaar is met artikel 110 VWEU Pro ziet de rechtbank geen aanknopingspunten.
Indien de rechtsmiddelen waarmee een fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel.”
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade van eiseres tot een bedrag van € 1.048, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
- veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid tot betaling van een immateriële schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 952, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
- veroordeelt verweerder in de helft van de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 116,75, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
- veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid in de helft van de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 116,75, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
- neemt voor wat betreft de vergoeding van de immateriële schade en proceskosten bij de zaken met zaaknummers SGR 23/7892, SGR 23/7333, SGR 23/7334,
mr. S.W. van de Griend, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op