ECLI:NL:RBDHA:2026:1830
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen beëindiging tijdelijke bescherming derdelander Oekraïne
Eiser, een Algerijnse derdelander die rechtmatig in Oekraïne verbleef, kreeg tijdelijke bescherming in Nederland na de inval in Oekraïne door Rusland. Verweerder besloot op 13 maart 2024 dat de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 eindigde en dat eiser binnen vier weken moest terugkeren naar Algerije.
Eiser betwistte dit besluit en stelde dat de tijdelijke bescherming verlengd was tot 4 maart 2025 op grond van het Uitvoeringsbesluit (EU) 2023/2409. Tevens voerde hij aan dat de SIS-signalering niet gehandhaafd mocht worden als het terugkeerbesluit niet standhield.
De rechtbank oordeelde dat de tijdelijke bescherming van derdelanders Oekraïne eerder mag eindigen dan die van Oekraïners, maar niet vóór 4 maart 2024. Omdat eiser geen verblijfsvergunning had en geen aanvraag daartoe liep, was het besluit tot beëindiging en terugkeer rechtsgeldig. De rechtbank verwierp ook het beroep op non-refoulement en verklaarde het beroep ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter M.L. Weerkamp op 3 februari 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot beëindiging van tijdelijke bescherming en het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard.