ECLI:NL:RBDHA:2026:18870

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
NL25.52856
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMAwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belangenafweging MVV-aanvraag gezinshereniging onvoldoende gemotiveerd door minister

Eisers, familieleden van een in Nederland verblijvende referent met een verblijfsvergunning asiel, vroegen om een machtiging voorlopig verblijf (MVV) voor gezinshereniging. De minister wees de aanvraag voor eisers af, omdat volgens hem geen sprake was van hechte persoonlijke banden en de belangenafweging in het nadeel van eisers uitviel. De rechtbank oordeelt dat de minister de banden tussen eisers en referent voldoende heeft onderzocht en dat de afwijzing op dat punt standhoudt.

De rechtbank stelt echter vast dat de minister de belangenafweging ten aanzien van het Nederlandse belang, met name het restrictief toelatingsbeleid en het economische belang, niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De minister heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom beide belangen afzonderlijk zwaar in het nadeel van eisers wegen. Hierdoor kan het bestreden besluit niet in stand blijven.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eisers.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende gemotiveerde belangenafweging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52856

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1], eiseres,

geboren op [geboortedatum 1],
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer 1],

[naam 2], eiseres,

geboren op [geboortedatum 2],
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer 2],

[naam 3], eiseres,

geboren op [geboortedatum 3],
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer 3],

[naam 4], eiser,

geboren op [geboortedatum 4],
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer 4],
hierna tezamen: eisers,
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. D. Post).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de verblijfsaanvraag van eisers. Eisers beogen gezinshereniging met hun broertje dan wel neef [naam 5] (hierna: referent). [naam 3], [naam 4] en referent hebben in Syrië tot aan het vertrek van referent in 2021 samengewoond. [naam 1] en [naam 2] hebben vanaf 2019 tot en met 2021 (het vertrek van referent) met referent samengewoond. Referent heeft voor eisers en voor zijn ouders en twee andere zussen een aanvraag ingediend tot verlening van een machtiging voorlopig verblijf (mvv). De minister heeft deze aanvraag ingewilligd voor de ouders en voor de twee andere zussen van referent, maar afgewezen voor eisers. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De door de minister verrichte belangenafweging is op het punt van het belang van de Nederlandse overheid niet deugdelijk gemotiveerd. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 24 oktober 2022 is namens eisers een mvv-aanvraag ingediend voor gezinshereniging met hun zoon, broertje en neef (referent). Met het primaire besluit van 29 mei 2024 heeft de minister deze aanvraag gedeeltelijk afgewezen. De aanvraag is afgewezen voor zover deze ziet op eisers. Met het bestreden besluit van 1 oktober 2025 is de minister bij de afwijzing van de aanvraag van eisers gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres ([naam 3]), referent, de gemachtigde van eisers, een tolk en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek is op zitting gesloten.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eisers zijn de broer, zussen en het nichtje van referent. Zij beogen gezinshereniging en daarvoor is de mvv-aanvraag ingediend. Eisers wonen in Raqqa, Syrië. Referent heeft in Nederland op 12 augustus 2022 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gekregen. Vervolgens heeft hij om nareis en gezinshereniging verzocht van zijn ouders, 4 zussen, 1 broer en 1 nichtje.
3.1.
[naam 1] heeft aangeven dat zij in 2016 is getrouwd zonder toestemming van haar schoonfamilie, dat haar echtgenoot in 2018 vermist is geraakt en dat haar schoonfamilie niet voor haar en haar dochter wil zorgen. In 2018 zijn [naam 1] en [naam 2] weer bij de ouders van referent en [naam 1] gaan wonen. Verder is aangegeven dat eisers tot het vertrek van referent in 2021 samenwoonden in Syrië. Eisers hebben gesteld dat referent zorg- en opvoedingstaken heeft verricht voor [naam 2] en dat eisers zorgtaken hebben verricht voor referent. Zo helpen ze hem met keuzes maken, geven ze advies en brachten ze hem naar school.
3.2.
De aanvraag is ingewilligd voor zover deze ziet op de ouders en twee andere zussen van referent. Daarom heeft de minister de aanvraag van eisers ook getoetst aan de banden met de ouders, aangezien zij een gekoppelde aanvraag hebben ingediend. De minister heeft daarbij aangegeven dat voor de aanvraag van eisers andere voorwaarden gelden dan voor hun (groot)ouders.
3.3.
De mvv-aanvraag van eisers is afgewezen. Volgens de minister is namelijk geen sprake van gezinsleven tussen eisers en hun ouders, als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM [1] . De minister acht de identiteit van eisers en de familierechtelijke relatie wel aannemelijk, omdat dit met echt bevonden documenten is onderbouwd. Volgens de minister is echter geen sprake van hechte persoonlijke banden tussen referent en [naam 2]. Ook is geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen [naam 1] en haar ouders. Daarnaast vallen [naam 1], [naam 3] en [naam 4] niet onder het jongvolwassenenbeleid. De belangenafweging valt volgens de minister in het nadeel van eisers uit. Hiertegen hebben eisers bezwaar gemaakt.
3.4.
In het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. De minister volgt eisers in het standpunt dat niet vastgehouden kan worden aan de stelling dat een eenmaal verbroken gezinsband niet kan worden hersteld. De minister heeft zijn standpunt over het ontbreken van gezinsleven met [naam 2] gehandhaafd, omdat niet gebleken is van hechte persoonlijke banden. De minister heeft vervolgens ten aanzien van [naam 2] geen belangenafweging gemaakt. De minister heeft ten aanzien van [naam 3], [naam 4] en [naam 1] wel aangenomen dat sprake is van gezinsleven met referent, maar zij vallen niet onder het jongvolwassenenbeleid. De minister heeft vervolgens een belangenafweging gemaakt en geconcludeerd dat deze in het nadeel uitvalt van [naam 3], [naam 4] en [naam 1].
3.5.
Eisers kunnen zich hier niet mee verenigen. De rechtbank gaat hierna in op wat namens hen is aangevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft de minister ten onrechte de banden tussen referent en [naam 2] niet onderzocht?
4. Eisers voeren aan dat de hechte banden tussen [naam 2] en referent ten onrechte niet zijn onderzocht. Referent heeft aangegeven dat hij [naam 2] als een soort jonger zusje beschouwt en dat hij zorg- en oppastaken op zich nam. De minister gaat hieraan ten onrechte voorbij, enkel omdat zijn broer, zussen en ouders ook in huis woonden. Dat referent 14 jaar oud was toen hij uit Syrië vertrok, betekent niet dat hij niet kon oppassen of andere zorgtaken kon verrichten.
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien om referent nader te horen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat referent op de hoorzitting weliswaar niet specifiek is bevraagd over de zorg- en oppastaken, maar dat de minister ook niet heeft betwist dat referent enige zorg- en oppastaken heeft verricht. De minister gaat er in het bestreden besluit immers van uit dat referent, zoals door referent ook wordt aangevoerd, enige zorg- en oppastaken heeft verricht. Ook heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om referent nader te bevragen over de emotionele band tussen referent en [naam 2]. Referent heeft in dit kader aangevoerd dat [naam 2] voor hem voelt als een zusje. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat uit deze verklaring niet volgt dat sprake is van hechte persoonlijke banden. De minister heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat in de leeftijden, gezinssamenstelling en de door referent gegeven verklaring geen aanleiding is gelegen voor het doen van nader onderzoek en dat evenmin is gebleken van hechte persoonlijke banden. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft de minister ten onrechte geoordeeld dat [naam 1], [naam 3] en [naam 4] niet onder het jongvolwassenenbeleid vallen?

6. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit ten aanzien van [naam 1], [naam 3] en [naam 4] gezamenlijk heeft overwogen dat zij niet onder het jongvolwassenenbeleid vallen vanwege hun leeftijd en de omgekeerde afhankelijkheidsrelatie ten opzichte van de ouders. Ten aanzien van de omgekeerde afhankelijkheidsrelatie heeft de minister gewezen op de verklaring van eisers in het aanvraagformulier en de verklaring van de ouders dat de kinderen niet veel zorg nodig hadden, maar dat het vooral de ouders waren die zorg ontvingen van hun kinderen.
6.1.
De rechtbank stelt verder vast dat tussen partijen niet meer in geschil is dat een eenmaal verbroken gezinsband kan worden hersteld. Ten aanzien van [naam 1] heeft de minister, in aanvulling op hetgeen onder 6 is opgenomen, overwogen dat [naam 1] in 2016 is getrouwd, dat zij met haar man is gaan samenwonen en dat zij samen een dochter hebben gekregen. De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het voor het herstellen van de eenmaal verbroken gezinsband onvoldoende is dat [naam 1] weer bij haar ouders is komen te wonen. In dit kader heeft de minister betrokken dat [naam 1] de zorg heeft over het uit het huwelijk geboren kind, ook al heeft de moeder van [naam 1] gedurende het eerste levensjaar van [naam 2] zorgtaken verricht. Van een financiële afhankelijkheid is verder niet gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht geconcludeerd dat [naam 1] stappen naar zelfstandigheid heeft gezet en daardoor niet onder het jongvolwassenenbeleid valt.
6.2.
Ten aanzien van [naam 4] overweegt de rechtbank als volgt. De minister heeft het standpunt dat [naam 4] kostwinner is laten vallen, maar heeft zich, in aanvulling op hetgeen onder 6 is opgenomen, op het standpunt kunnen stellen dat [naam 4] heeft gewerkt in Syrië en dat hieruit blijkt dat hij stappen heeft gezet naar zelfstandigheid. Ook heeft de minister terecht erop gewezen dat uit de verklaringen van de ouders blijkt dat vanwege de leeftijd de kinderen niet veel zorg nodig hadden, maar dat het vooral de ouders waren die zorg ontvingen van hun kinderen, daarmee is sprake van een omgekeerde afhankelijkheidsrelatie. De minister heeft, gelet op het voorgaande, terecht geconcludeerd dat [naam 4] niet onder het jongvolwassenenbeleid valt.
6.3.
De rechtbank overweegt ten aanzien van [naam 3] als volgt. Uit het bestreden besluit volgt dat de minister in het geval van [naam 3] hetgeen onder 6 is opgenomen bij de beoordeling heeft betrokken. Aanvullend is ten aanzien van [naam 3] en [naam 1] overwogen dat de enkele stelling dat zij zichzelf niet kunnen redden vanwege de tradities en de cultuur onvoldoende is om te concluderen dat zij geen stappen naar zelfstandigheid hebben gezet. Daarbij komt volgens de minister dat niet aannemelijk is geworden dat zij afhankelijk zijn van hun ouders. De algemene situatie in Syrië verandert dit volgens de minister niet, nu uit het algemeen ambtsbericht Syrië van 2023 volgt dat een meerderjarige broer bescherming zou kunnen bieden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister hiermee voldoende gemotiveerd dat [naam 3] niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. De rechtbank merkt op dat de minister zich in aanvulling op het voorgaande in het verweerschrift terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet kunnen werken te maken heeft met de algemene situatie in Syrië en de traditie en cultuur en niet omdat sprake is van een afhankelijkheid van de ouders. Verder is hierin terecht overwogen dat niet is gebleken van een financiële afhankelijkheid.
Heeft de minister ten onrechte geoordeeld dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eisers en hun ouders?
7. De rechtbank overweegt dat voor het aannemen van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen meerderjarige familieleden sprake moet zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden tussen ouders en kinderen overstijgen. [2] Elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst moeten, voor zover zij zijn aangevoerd, in die beoordeling een rol spelen. Verder kan bijvoorbeeld de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond van belang zijn. [3] Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan de minister om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister bij de beoordeling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid heeft betrokken dat [naam 3] en [naam 4] hebben samengewoond met hun ouders. De minister merkt verder terecht op dat de samenwoning tussen [naam 1] en haar ouders verbroken is geweest, omdat [naam 1] is getrouwd, is gaan samenwonen en een kind heeft gekregen met haar man. Nu de minister terecht heeft overwogen dat niet is gebleken dat de ouders verzorgd dienen te worden, heeft de minister beperkt gewicht mogen toekennen aan de samenwoning.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eisers en hun ouders de gestelde zorgbehoefte van hun ouders onvoldoende hebben onderbouwd. De minister heeft er terecht op gewezen dat de ouders van eisers gedateerde medische documenten hebben overgelegd en dat uit de documenten niet blijkt dat sprake is van een zorgbehoefte. Ook heeft de minister terecht erop gewezen dat de aanvraag van de twee andere zussen van eisers zijn ingewilligd en dat alleen [naam 6] bij haar ouders is gaan wonen, [naam 7] is elders gaan wonen. Dit doet afbreuk aan de stelling van eisers dat hun ouders de hulp/zorg nodig hebben van eisers omdat [naam 6] niet alleen voor haar ouders kan zorgen. De minister concludeert naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht dat er op dit punt geen sprake is van een bijkomend element van afhankelijkheid.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers de financiële afhankelijkheid niet aannemelijk hebben gemaakt. De minister heeft er terecht op gewezen dat eisers de financiële afhankelijkheid niet met stukken hebben onderbouwd. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich ook niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers niet hebben aangetoond dat sprake is van praktische afhankelijkheid tussen eisers en hun ouders. De minister heeft daarbij terecht betrokken dat de banden van eisers met het land van herkomst sterk zijn en dat zij geen banden hebben met Nederland. Verder heeft de minister terecht betrokken dat eisers zijn geworteld in Syrië, daar een sociaal netwerk hebben en toegang hebben tot sociale voorzieningen.
7.4.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eisers en hun ouders. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister ten onrechte geen belangenafweging voor [naam 2] gemaakt?
8. De rechtbank overweegt ten aanzien van [naam 2] dat de minister in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden. [naam 1] heeft vooral zorg gedragen voor de opvoeding van [naam 2] en is daarbij in het eerste jaar geholpen door haar moeder. Zoals hiervoor overwogen onder 5 heeft de minister voor referent aangenomen dat hij enige zorgtaken heeft verricht voor [naam 2], maar terecht geconcludeerd dat deze het gebruikelijke niet overstijgen. Het verrichten van enige zorgtaken maakt niet dat sprake is van hechte persoonlijke banden. De rechtbank is van oordeel dat de minister geen belangenafweging heeft hoeven maken voor [naam 2] nu geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen haar en referent. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister ten onrechte de belangen van eisers minder gewicht toegekend dan de belangen van de minister?
9. De rechtbank overweegt dat de minister vanwege het bestaan van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen referent, [naam 3], [naam 4] en [naam 1], gehouden was een belangenafweging te maken. Wanneer een belangenafweging is gemaakt in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM, dient de rechtbank eerst te toetsen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Wanneer dit het geval is, dient de rechtbank te toetsen of de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang. De vraag of alle feiten en omstandigheden zijn betrokken, moet de rechtbank zonder terughoudendheid (vol) toetsen. [4] De uitkomst van de gemaakte belangenafweging dient de rechtbank enigszins terughoudend te toetsen. Dat betekent onder meer dat de rechtbank het gewicht dat de minister aan de verschillende belangen heeft toegekend, enigszins terughoudend moet toetsen. [5]
9.1.
De minister heeft in het bestreden besluit in het voordeel van eisers gewogen dat er sprake is van familie- en gezinsleven tussen eisers en referent. Verder weegt de minister licht in het voordeel van eisers dat er sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen. De minister overweegt daarbij dat hier doorgaans een zwaar gewicht aan toekomt, maar dat dit in het geval van eisers anders is omdat het gezinsleven tussen eisers en referent niet van dien aard is dat verblijf in Nederland aan eisers moet worden toegestaan. In het nadeel heeft de minister gewogen dat het gezinsleven niet in Nederland hoeft te worden uitgevoerd en dat het contact dat eisers en referent met elkaar hebben op afstand kan blijven. Verder heeft de minister in het nadeel van eisers gewogen dat referent in staat is om op eigen benen te staan en zelfstandiger is geworden. Ook heeft de minister licht in het nadeel van eisers gewogen dat zij geen sterke banden hebben met Nederland. De minister heeft de banden met het land van herkomst licht in het nadeel van eisers meegewogen. De rechtbank stelt vast dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling heeft betrokken.
9.2.
Ten aanzien van de belangen van de Nederlandse Staat, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het bestreden besluit volgt dat het belang van de Nederlandse staat het beschermen van het economisch welzijn, de openbare orde en de volksgezondheid van het land is. De belangen van de staat zijn vervolgens afgewogen tegen de belangen van eisers. De minister is ten aanzien van de belangen van de Nederlandse staat allereerst ingegaan op het restrictief toelatingsbeleid onder het kopje
restrictief toelatingsbeleid. Hieronder is opgenomen dat Nederland een restrictief toelatingsbeleid heeft en dat dit zwaar in het nadeel van eisers weegt. Vervolgens is onder dit kopje overwogen dat de wetgever heeft besloten welke gezinsleden onder het nareisbeleid vallen en dat eisers hier niet onder vallen. Verder is overwogen dat de belangen van de Nederlandse overheid worden beschermd door een restrictief toelatingsbeleid.
9.3.
Vervolgens is de minister ingegaan op de economische belangen. Onder het kopje
economische belangenheeft de minister opgenomen dat de economische belangen van Nederland groot zijn en dat dit zwaar in het nadeel van eisers weegt. De minister overweegt onder dit kopje dat het economisch belang niet alleen gaat over het al dan niet hebben van eigen inkomen, maar ook over de bescherming van de arbeidsmarkt en over door de overheid betaalde voorzieningen zoals onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur. De minister overweegt in dit kader - kort gezegd - dat referent onvoldoende middelen van bestaan heeft. Verder overweegt de minister dat eisers – kort gezegd – gebruik zullen maken van meerdere publieke voorzieningen, zoals huisvesting, medische voorzieningen en gezondheidszorg en dat zij een beroep zullen doen op door algemene middelen gefinancierde faciliteiten zoals een uitkering, toeslagen en gezondheidszorg.
9.4.
Onder het kopje
Conclusieheeft de minister opgenomen dat de algemene belangen van de overheid zwaarder wegen dan het persoonlijk belang van eisers en referent. Hierbij heeft de minister in het bijzonder gewezen op het feit dat er sprake is van gezinsleven maar dat de aard en intensiteit van het gezinsleven niet dusdanig is dat dit in Nederland uitgeoefend moet worden en dat het economisch belang nog altijd in het nadeel van eiser meeweegt.
9.5.
Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister zich op het standpunt gesteld dat de economische belangen onderdeel zijn van het restrictief toelatingsbeleid en dat het restrictief toelatingsbeleid aan de hand van de economische belangen is onderbouwd. Het restrictief toelatingsbeleid en het economisch belang zijn volgens de gemachtigde van de minister dan ook niet apart tegengeworpen. Dit volgt eveneens uit het feit dat het restrictief toelatingsbeleid niet expliciet is gemotiveerd in de conclusie.
9.6.
De rechtbank volgt de minister niet in bovengenoemd standpunt. Zoals onder 9.2 en 9.3 uiteengezet is, blijkt uit het bestreden besluit dat het restrictief toelatingsbeleid en het economische belang als aparte belangen zijn opgenomen, en allebei in het nadeel van eisers zijn gewogen. Uit het bestreden besluit volgt ook dat de onderbouwing zoals opgenomen onder de verschillende kopjes van elkaar verschilt, zodat hieruit niet volgt dat het restrictief toelatingsbeleid is ingevuld aan de hand van de economische belangen. De rechtbank kan uit het bestreden besluit dan ook niet opmaken dat het restrictief toelatingsbeleid niet apart is meegewogen en tegengeworpen. De stelling dat het restrictief toelatingsbeleid niet meer is opgenomen onder het kopje
Conclusieen dat uit de conclusie volgt dat enkel het economisch belang hier in het nadeel van eisers is gewogen, acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Uit het bestreden besluit blijkt immers dat onder het restrictief toelatingsbeleid is opgenomen dat dit eveneens zwaar in het nadeel van eisers wordt gewogen.
9.7.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister in het bestreden besluit niet inzichtelijk heeft gemaakt en niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom aan het restrictief toelatingsbeleid én het economisch belang, als onderdeel van dit beleid, beide afzonderlijk een zwaar gewicht in het nadeel van eisers is toegekend. Voor zover de minister heeft bedoeld dat het niet onder het nareisbeleid vallen als onderdeel van het restrictief toelatingsbeleid zwaar in het nadeel van eisers moet wegen, dan valt zonder nadere toelichting niet in te zien wat maakt dat eisers, bij wie in het kader van gezinsleven wel een belangenafweging is gemaakt, zwaar in hun nadeel zou moeten wegen dat Nederland een restrictief toelatingsbeleid hanteert.
9.8.
Dit betekent dat de door de minister verrichte belangenafweging op het punt van het belang van de Nederlandse overheid niet deugdelijk is gemotiveerd en het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Het beroep is daarom gegrond.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond en dat betekent dat eisers gelijk krijgen. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Het bestreden besluit zal worden vernietigd en de minister zal de belangenafweging opnieuw moeten uitvoeren en motiveren met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
10.1.
De rechtbank wijst erop dat eisers wegens betalingsonmacht zijn vrijgesteld van het betalen van griffierecht, zodat de minister niet op grond van artikel 8:74 van Pro de Awb [6] griffierecht hoeft te vergoeden.
10.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister een vergoeding voor de gemaakte proceskosten betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-. [7] De gemachtigde van eisers heeft namelijk een beroepschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit op het bezwaar van eisers te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188 en het arrest van het EHRM, Azerkane van 2 september 2020, ECLI:CE:ECHR:2020:0602JUD000313816.
3.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, rechtsoverweging 3.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:340.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187, onder 6 – 6.2.
6.Algemene wet bestuursrecht.
7.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.