ECLI:NL:RBDHA:2026:1892

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
NL25.63730
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft het beroep behandeld en vastgesteld dat het Dublingehoor zorgvuldig is verlopen, waarbij eiser voldoende is geïnformeerd en gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaren kenbaar te maken. De rechtbank oordeelt dat het gebruik van een standaard voornemen door de minister niet leidt tot een onzorgvuldig besluit, mits de relevante overwegingen duidelijk zijn opgenomen.

Eiser stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Spanje niet meer geldt vanwege rapporten over tekortkomingen in de opvang en asielprocedure. De rechtbank volgt dit niet en verwijst naar recente jurisprudentie waarin is bevestigd dat het AIDA-rapport en de inbreukprocedure onvoldoende zijn om het vertrouwensbeginsel te doorbreken.

Verder heeft eiser onvoldoende onderbouwd dat toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, die de minister discretionaire bevoegdheid geeft om een aanvraag toch in behandeling te nemen, op zijn situatie van toepassing is. De rechtbank concludeert dat de minister terecht heeft besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de overdracht aan Spanje blijft in stand.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63730
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. B.A. Palm),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: R.A. Mandersloot).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 29 december 2025 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Onzorgvuldig gehoor/procedure
5. Eiser voert aan dat hij niet zorgvuldig is gehoord.. Eiser verwijst naar artikel 4, eerste lid en onder c, van de Dublinverordening. De nieuwe werkwijze van Dublin gehoren houdt in dat de minister volstaat met brochures, een toelichting voorafgaand aan het gehoor en enkele algemene vragen. Daarbij gaat de minister er ten onrechte vanuit dat een vreemdeling, in dit geval eiser, tijdens het gehoor kan onthouden wat allemaal relevant kan zijn. Eiser meent dat het Dublingehoor daarom niet zorgvuldig is geweest, en dat de minister op basis van dat gehoor nader onderzoek had moeten doen naar zowel de actuele situatie voor asielzoekers en Dublinterugkeerders in Spanje, als voor wat betreft de individuele omstandigheden van eiser.
6. De rechtbank stelt vast dat het Dublingehoor is bedoeld om de verantwoordelijke lidstaat te bepalen. In het aanmeldgehoor is eiser hiervan op de hoogte gesteld. Vervolgens is eiser ook geïnformeerd dat het van belang is om alle omstandigheden die van belang kunnen zijn bij het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat zo snel mogelijk kenbaar te maken. Voordat het gehoor begon zijn aan eiser zijn twee brochures uitgereikt en tijdens het gehoor is eiser op de inhoud van deze brochures gewezen. Eiser heeft desgevraagd aangegeven geen vragen te hebben naar aanleiding van de brochures. Hierdoor kon eiser weten welke omstandigheden hij specifiek bij het gehoor naar voren kon brengen. Tijdens het Dublingehoor is eiser vervolgens gevraagd naar bezwaren tegen overdracht aan Spanje en is hem gevraagd of hij al haar bezwaren kenbaar heeft kunnen maken. Daarnaast is eiser meermaals gevraagd of hij naar aanleiding van het gehoor nog vragen heeft, en heeft eiser dit ontkennend beantwoord. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van eiser is gehandeld in overeenstemming met de informatieverplichting die is opgenomen in artikel 4 van Pro de Dublinverordening.2 Eisers stelling dat de minister – naar de rechtbank begrijpt - gezien het onzorgvuldig verlopen gehoor aanleiding had moeten zien om zelf nader onderzoek te verrichten naar de situatie in Spanje, volgt de rechtbank dan ook niet. De beroepsgrond slaagt niet.

Standaard voornemen

7. Eiser voert aan dat de minister het voornemen onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat de minister gebruik heeft gemaakt van een standaard voornemen. Eiser verwijst naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 november 20233 en stelt dat niet aan alle daaruit voortvloeiende eisen is voldaan. Niet alle dragende overwegingen staan in het voornemen opgenomen.
8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het voornemen van de minister onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank overweegt daartoe dat het voornemen een voorbereidingshandeling is en een mededeling van feitelijke aard, die niet is gericht op enig rechtsgevolg. Het enkele feit dat niet alle verklaringen van de eiser tijdens het aanmeldgehoor kenbaar zijn betrokken bij het voornemen kan op zichzelf niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Wanneer in het voornemen voldoende duidelijk uiteen is gezet op grond van welke redenen (in dit geval) Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, waarom er geen reden is om op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de aanvraag aan zich te trekken en wanneer alle voor het standpunt dragende overwegingen zijn opgenomen, is dit voldoende. 2 Vervolgens wordt eiser in de gelegenheid gesteld om in zijn zienswijze hierop te reageren. In het besluit dient de minister vervolgens in te gaan op alle relevante elementen die tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag hebben geleid. In het voornemen is op alle relevante elementen ingegaan die tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser hebben geleid. Er staat in waarom Spanje verantwoordelijk wordt geacht, en dat de minister in de individuele omstandigheden van eisers geen aanleiding ziet om de asielaanvraag in behandeling te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
2 Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBDHA:2025:20220.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
9. Eiser voert aan dat ten aanzien van Spanje niet uit kan worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser verwijst naar het AIDA-rapport van 30 april 2025 en de inbreukprocedure die de Europese Commissie tegen Spanje is gestart, in verband met gebreken in de opvang. Daarnaast verwijst eiser naar het rapport van USDOS4 van 12 augustus 2025, waaruit volgens eiser volgt dat de asielprocedure in Spanje niet aan de eisen van het Unierecht voldoet.
10. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in de uitspraken van 24 juni 20245 en 25 november 20256 bevestigd. Het is daarom in beginsel aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 Handvest Pro. Daarvan is sprake in het geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals neergelegd in het arrest Jawo.
11. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Spanje niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. In de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2025 is bijvoorbeeld het AIDA-rapport van 30 april 2025 betrokken.7 De Afdeling heeft geoordeeld dat het AIDA-rapport van 30 april 2025 geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangsituatie ten opzichte van het AIDA rapport van 30 mei 2024. Hoewel het lastig kan zijn voor Dublinclaimanten om toegang te verkrijgen tot opvangvoorzieningen, blijkt niet dat die problemen dermate structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Spanje op voorhand sprake is van een reëel risico op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU Handvest strijdige behandeling. Ook de inbreukprocedure die de Europese commissie tegen Spanje is gestart, is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat Spanje structurele tekortkomingen heeft in de opvangvoorzieningen.8 Daarbij is van belang dat de Europese Commissie de Spaanse autoriteiten de gelegenheid heeft gegeven om de gebrekkige implementatie van de Opvangrichtlijn te herstellen.9 Ook het rapport van USDOS is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat eiser bij overdracht aan Spanje in een situatie terecht komt die strijdig is met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. Op pagina 14 van het rapport oordeelt het USDOS bijvoorbeeld dat het opvangsysteem voor vluchtelingen in Spanje over het algemeen goed functioneert. De door eiser aangehaalde passages geven aan dat er problemen zijn in de opvangvoorzieningen, maar die problemen zijn niet van zo’n structurele en ernstige aard dat het tot de conclusie kan leiden dat er niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. De beroepsgrond slaagt niet.
4 United States Department of State.
8 Zie ECLI:NL:RBDHA:2025:15746, bevestigd in de uitspraak ECLI:NL:RVS:2025:4183.
Artikel 16 en Pro 17 van de Dublinverordening
12. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De rechtbank begrijpt dat eiser stelt dat de minister op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening de aanvraag in behandeling had moeten nemen omdat hij getraumatiseerd is door recentelijk verlies van zijn familieleden (broer en recentelijk vader) en de ziekte van zijn moeder.
13. Daarnaast begrijpt de rechtbank dat eiser stelt dat hij in het aanmeldgehoor heeft aangegeven een vriendin in Nederland te hebben. Aangezien de Dublinverordening het belang van gezinsleven voorop stelt (overweging 16 van de Dublinverordening), dient de minister eisers aanvraag in behandeling te nemen, of in elk geval te motiveren waarom de minister dit punt niet in zijn beoordeling betrekt. Aan het besluit kleeft volgens eiser hierdoor een motiveringsgebrek.
14. De rechtbank overweegt als volgt. Een lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de criteria in deze verordening. Dit volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Volgens paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 maakt de minister niet snel gebruik van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening. Volgens vaste rechtspraak10 is het aan de minister om dit te beoordelen en dient de rechter deze beoordeling terughoudend te toetsen.
15. De rechtbank oordeelt dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen aanleiding bestaat om toepassing te geven aan de bevoegdheid uit artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Eiser heeft zijn gestelde trauma geenszins onderbouwd met medische documenten of ander bewijs. Daarnaast mag op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit worden gegaan dat de medische voorzieningen in Spanje van een vergelijkbare kwaliteit zijn als die in Nederland. In het gestelde trauma had de minister naar oordeel van de rechtbank geen aanleiding hoeven zien om de aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening naar zich te trekken. Ook heeft eiser zijn relatie met zijn Nederlandse vriendin niet onderbouwd. Bovendien is de verwijzing naar artikel 16 van Pro de Dublinverordening (of enig ander artikel t.a.v. het gezin/afhankelijke personen) niet aan de orde omdat eiser en zijn gestelde vriendin geen gezin zijn zoals is bedoeld in artikel 2, sub g, van de Dublinverordening. In hetgeen eiser heeft aangevoerd hoefde de minister dan ook geen aanleiding te zien om toepassing te geven aan artikel 17 (dan wel artikel 16) van de Dublinverordening. Enige andere omstandigheden zijn niet gesteld of gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Spanje. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
28 januari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.