ECLI:NL:RBDHA:2026:19069

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 2007
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 234 GemeentewetArt. 2 Besluit gemeentelijke parkeerbelastingenArt. 228a GemeentewetArt. 229b Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van kosten naheffingsaanslag parkeerbelasting gemeente Delft

Eiser kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Delft, inclusief €64 aan kosten. Eiser betwistte dat de kosten te hoog waren vastgesteld, met name de opname van kosten die volgens hem niet of slechts zijdelings verband houden met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting.

De rechtbank onderzocht de verschillende kostenposten, waaronder vaste en variabele informatieverwerkingskosten, afschrijvingen, interest, personeels- en overheadkosten. De rechtbank oordeelde dat de kosten van het parkeerinformatiesysteem PRIS niet als last ter zake kunnen worden beschouwd omdat deze vooral dienen voor parkeerregulering en niet voor inning van niet-betaalde parkeerbelasting.

Desondanks blijft het bedrag van €64 aan kosten onder de maximale wettelijke limiet, ook als de kosten van PRIS en de bijbehorende interest buiten beschouwing worden gelaten. De rechtbank verwierp de overige bezwaren van eiser en verklaarde het beroep ongegrond.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 25 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard omdat de kosten binnen de wettelijke limiet blijven.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 25/2007

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: I.N.D.J. Rissema, LLB),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Delft, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening van 8 november 2024 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd (de naheffingsaanslag).
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 februari 2025 de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft een pleitnota ingediend.
Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2026.
Namens eiser is de gemachtigde verschenen. Namens verweerder is mr. [naam 1] verschenen.
De zaak van eiser is ter zitting tegelijk behandeld met zaken van de gemachtigde met de zaaknummers 25/2001, 25/2003, 25/2005, 25/2011, 25/2012, 25/2013, 25/2014, 25/2779, 25/2783 en 25/4176.
De rechtbank heeft op 24 februari 2026 het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.
Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2026.
Namens eiser is de gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn mr. [naam 1] en
[naam 2] verschenen.
De zaak van eiser is ter zitting tegelijk behandeld met de zaken van de gemachtigde met de zaaknummers 24/9428, 25/1583, 25/1999, 25/2001, 25/2003, 25/2005, 25/2011, 25/2012, 25/2013 en 25/2014.
Ter zitting heeft de rechtbank verweerder opgedragen om binnen twee weken nadere informatie te verstrekken over bepaalde kostenposten. Daarbij is aan de gemachtigde toegezegd dat hij in de gelegenheid zal worden gesteld om daarop schriftelijk te reageren. Partijen hebben desgevraagd verklaard dat zij afzien van een nadere zitting.
Verweerder heeft de nadere informatie op 25 maart 2026 verstrekt. Op 26 maart 2026 heeft verweerder een aanvulling van de nadere informatie verstrekt.
De gemachtigde heeft bij brief van 9 april 2026 gereageerd op de nadere informatie en de aanvulling daarop van verweerder.

Overwegingen

Feiten
1. Op 5 november 2024 om 21:50 uur stond de auto van eiser met kenteken [kenteken] (de auto) geparkeerd aan de [straatnaam] te Delft (de parkeerlocatie). De parkeerlocatie is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft aangewezen als een plaats waar op die datum en dat tijdstip alleen mag worden geparkeerd tegen betaling van parkeerbelasting of met een geldige parkeervergunning.
2. Tijdens een controle op voormelde datum en tijdstip is geconstateerd dat voor de auto op de parkeerlocatie geen parkeerbelasting was voldaan en dat de auto zonder geldige parkeervergunning stond geparkeerd. Naar aanleiding daarvan is de naheffingsaanslag opgelegd. Daarbij is € 64 aan kosten in rekening gebracht.
3. Eiser heeft in bezwaar gesteld dat de kosten te hoog zijn vastgesteld. Verweerder heeft daarop de volgende kostenonderbouwing overgelegd:

Kostenonderbouwing naheffingsaanslag 2024

a. vaste informatieverwerkingskosten € 441.390
b. variabele informatieverwerkingskosten € 439.205
c. kosten van afschrijving € 76.864
d. kosten van interest € 7.095
e. personeelskosten € 1.495.428
f. overheadkosten € 523.400
Totaal € 2.983.382
Prognose opgelegde naheffingen 44000
Kosten per naheffing € 68
Vastgesteld tarief (2024) € 64
4. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder de voormelde kostenposten als volgt nader toegelicht:

Vaste informatieverwerkingskosten;
Onder deze kosten wordt begrepen de automatiseringskosten en de kosten voor het onderhouden van de parkeerapparatuur op straat, scanauto en dergelijke. (…)
Variabele informatieverwerkingskosten;
Hieronder worden begrepen de kosten voor het innen van naheffingsaanslagen, het afhandelen van beroep en bezwaar (juridische kosten) en bankkosten. (…)
Kosten van afschrijving en kosten van interest;
Onder deze kosten vallen de afschrijvingskosten en rentekosten van parkeerapparatuur en
aangelegde parkeerplaatsen in de openbare ruimte. (…)
Parkeerregime [stadsdeel 1]: kosten voor onderzoek en uitvoering van Parkeerregulering in [stadsdeel 1] en [stadsdeel 2] wat ervoor zorgt dat parkeervoorzieningen worden gebruikt door die categorie parkeerders, waarvoor ze bestemd zijn. (…)
100 extra parkeerplaatsen: deze kosten hangen samen met aanpassingen in de openbare ruimte en betreft inrichten van parkeervakken en aanbrengen van markeringen. (…)
Parkeer-/straatverbetering wij: deze kosten hebben betrekking op aanpassingen in de
openbare ruimte en betreft het plaatsen van verkeersborden, het aanbrengen van
markeringen. (…)
Vervanging 49 parkeerautomaten: deze kosten hangen samen met de inning van niet
betaalde parkeerbelasting, omdat parkeerautomaten noodzakelijk zijn om vast te stellen welke parkeerbelastingen niet zijn betaald.
Parkeer informatie systeem PRIS: deze kosten hangen samen met Parkeerregulering en zorgt ervoor dat parkeervoorzieningen worden gebruikt door die categorie parkeerders, waarvoor ze bestemd zijn. (…)
Parkeerautomaten contactloos betalen: deze kosten hangen samen met de inning van niet betaalde parkeerbelasting, omdat parkeerautomaten noodzakelijk zijn om vast te stellen welke parkeerbelastingen wel/niet zijn betaald.
Personeelskosten;
Onder deze kosten vallen de salariskosten en overige personeelskosten (reiskostenvergoeding, ziekengeldverzekering, studie en opleidingskosten) van medewerkers die betrokken zijn bij het handhaven van het gemeentelijk parkeerbeleid op straat. Personeelskosten van medewerkers die vanuit de gemeente betrokken zijn bij het vormgeven van het parkeerbeleid worden meegenomen. (…)
Overheadkosten, die ten hoogste 50% van de personeelskosten mogen bedragen;
Zoals blijkt uit de kostenonderbouwing zijn de personeelskosten geraamd op € 1.495.428 en de overheadkosten op € 523.400. Hiermee wordt de 50% niet overschreden.”
5. In de hiervoor vermelde kosten zijn ook kosten begrepen die door [bedrijfsnaam 1] B.V. aan de gemeente worden doorberekend ([bedrijfsnaam 1]). Dat is een vennootschap waarvan alle aandelen in handen van de gemeente zijn, en waaraan zij de uitvoering van het betaald parkeren in Delft heeft opgedragen. [bedrijfsnaam 1] heeft het opleggen van de naheffingsaanslagen en de incasso van de naheffingsaanslagen uitbesteed aan [bedrijfsnaam 2]. [bedrijfsnaam 2] heeft op haar beurt de behandeling van bezwaren uitbesteed aan InPublic en die van beroepsprocedures aan Eiffel, twee commerciële organisaties.
6. In beroep heeft verweerder een overzicht overgelegd van de door [bedrijfsnaam 1] BV aan de gemeente doorberekende kosten en wat daarvan is meegenomen in de kostenraming. Uit dit overzicht blijkt dat in de kostenraming de volgende doorberekende kosten zijn meegenomen:
personeelskosten
1.465.428
e. personeelskosten
uitbesteed werk (regulier)
339.15
b. variabele info-verwerkingskosten
uitbesteed werk (projecten)
79.58
b. variabele info-verwerkingskosten
onderhoud en Schoonmaak
130.72
a. vaste info-verwerkingskosten
ICT en SAAS
288.62
a. vaste info-verwerkingskosten
betalingsverkeer
20.475
b. variabele info-verwerkingskosten
overige afschrijvingen en scanauto
22.05
a. vaste info-verwerkingskosten
7. Daarnaast heeft verweerder in beroep het volgende overzicht overgelegd van de “Kosten gemeente/algemeen”:
personeel gemeente
30
e. personeelskosten
overhead
523.400 (35%)
f. overheadkosten
afschr. parkeerregime [stadsdeel 1]
2.25
c. kosten afschrijving
afschr. 100 extra parkeerplaatsen
158
c. kosten afschrijving
afschr. parkeer-/straatverbetering wijk
307
c. kosten afschrijving
afschr. parkeer info.systeem PRIS
14.099
c. kosten afschrijving
afschr. contactloos betalen
48.941
c. kosten afschrijving
afschr. verv. dakkoffer scanauto
11.109
c. kosten afschrijving
interest bovenstaande investeringen
7.095
d. kosten van interest
totaal
637.359

Geschil8. In geschil is of de kosten tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld.

9. Eiser stelt dat verweerder kosten in aanmerking heeft genomen die niet of slechts zijdelings verband houden met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting. Als deze kosten uit de raming worden gehaald dan wordt de opbrengstlimiet overschreden. Aldus heeft verweerder de kosten te hoog vastgesteld.
10. Verweerder heeft de stelling van eiser gemotiveerd bestreden.
Beoordeling van het geschil
Kader
11. De bevoegdheid om kosten in rekening te brengen bij het opleggen van een naheffingsaanslag is neergelegd in artikel 234, lid 5, van de Gemeentewet. Op grond van de delegatie van het zesde lid van artikel 234 Gemeentewet Pro zijn nadere regels over de in rekening te brengen kosten gesteld in het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (het Besluit).
12. Artikel 2, lid 1, van het Besluit regelt welke kosten bij een naheffingsaanslag in rekening kunnen worden gebracht. Dat zijn de kosten van categorieën a tot en met f die worden genoemd in de hiervoor onder 6 en 7 weergegeven kostenoverzichten. Zij mogen alleen in rekening worden gebracht voor zover zij gelden als ‘lasten ter zake’. Volgens de nota van toelichting bij het Besluit is het woord samenhangen in deze bepaling gebruikt om buiten twijfel te stellen dat de kosten niet uitsluitend ten behoeve van de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen hoeven te zijn gemaakt. [1] Vereist is slechts dat de kosten meer dan zijdelings daarmee samenhangen. [2] Van samenhang in die zin is daarmee slechts dan geen sprake als de desbetreffende kosten geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen. [3] Hierbij geldt dat de gemeente geen kosten mag verhalen die weliswaar lasten ter zake zijn, maar niet op de gemeente drukken omdat zij al op andere wijze dan bij naheffing van parkeerbelasting worden verhaald.
Artikel 2, lid 2, van het Besluit bepaalt dat de raad van de gemeente het bedrag vaststelt dat per naheffing aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht. De raad moet dat op grond van deze bepaling in beginsel doen op basis van een jaarlijks op te stellen raming van de kosten en een raming van het aantal naheffingen. De ramingen kunnen evenwel ook het gemiddelde betreffen over een periode van ten hoogste vier jaren.
13. Artikel 2 van Pro het Besluit strekt ertoe dat het bedrag aan kostenverhaal zó wordt vastgesteld, dat op jaarbasis niet meer kosten worden verhaald dan het geraamde totaalbedrag van de kosten die samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen (de verhaalbarekostenlimiet).
De verhaalbarekostenlimiet heeft wezenlijk dezelfde strekking als de opbrengstlimiet die op grond van de artikelen 228a en 229b van de Gemeentewet geldt voor rioolheffing respectievelijk leges. Bij de beoordeling van de vraag of de begrenzing van de verhaalbarekostenlimiet in acht wordt genomen, moet daarom zoveel mogelijk worden aangesloten bij de rechtspraak van de Hoge Raad over de opbrengstlimiet van de artikelen 228a en 229b van de Gemeentewet. [4]
14. De aansluiting bij die rechtspraak brengt mee dat de verordening op het punt van het kostenverhaal slechts dan in zijn geheel onverbindend is, als het de gemeente op voorhand duidelijk moet zijn geweest dat (i) de vaststelling van de verhaalbare kosten berust op ramingen die niet voldoen aan de eisen van artikel 2 van Pro het Besluit, en bovendien (ii) het vastgestelde bedrag in betekenende mate, dat wil zeggen 10 procent of meer uitgaat boven het bedrag aan kosten dat de gemeente maximaal mag verhalen. In alle andere gevallen waarin de limiet wordt overschreden is het kostenverhaal slechts onverbindend voor zover het meer beloopt dan wat de gemeente op grond van het Besluit maximaal in rekening mag brengen.
15. De aansluiting bij de rechtspraak over de opbrengstlimiet van de artikelen 228a en 229b van de Gemeentewet betekent voor wat betreft de stelplicht en bewijslast dat, als een belanghebbende overschrijding van de verhaalbarekostenlimiet aan de orde stelt en de heffingsambtenaar inzicht in de desbetreffende ramingen verschaft, van de heffingsambtenaar alleen kan worden verlangd verdergaand inzicht te verschaffen voor zover de belanghebbende vervolgens voldoende gemotiveerd stelt dat ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een last ter zake. Aan de nadere inlichtingen die de heffingsambtenaar in dat geval dient te verstrekken, mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat hij naar vermogen, dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs in staat moet worden geacht, duidelijk maakt waarom de door de belanghebbende opgeworpen twijfel ongegrond is.
Daarmee volstaat voor de vaststelling dat sprake is van lasten ter zake dat de heffingsambtenaar aannemelijk maakt dat de kosten meer dan zijdelings verband houden met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen.
Vaste informatieverwerkingskosten
16. Eiser stelt dat ten onrechte kosten voor onderhoud van parkeerapparatuur op straat in aanmerking zijn genomen als vaste informatieverwerkingskosten. Hij voert daartoe aan dat parkeerautomaten er in de eerste plaats zijn ten behoeve van de betaling van parkeerbelasting. Dat zij gegevens genereren die gebruikt worden bij de controle en handhaving is een secundaire functie van een niet meer dan bijkomend gewicht. Daarmee houden de kosten van de parkeerapparatuur niet meer dan zijdelings verband met de inning van niet-betaalde belasting.
In dit verband heeft eiser aan de hand van de geraamde inkomsten uit parkeerbelastingen, de veronderstelling dat gemiddeld per parkeerbelasting € 15 is gemoeid en de raming van het aantal naheffingsaanslagen per jaar voorgerekend dat het aantal naheffingsaanslagen circa 7,5% van het totale aantal te verwachten parkeeracties uitmaakt.
Verder heeft hij bij zijn reactie van 9 april 2026 een pagina overgelegd waarvan hij niet heeft aangeduid van welk stuk het deel uitmaakt maar alleen dat het van de gemeente afkomstig is, en waar verweerder niet op heeft kunnen reageren, waaruit volgens hem blijkt dat de betalingsbereidheid van het parkerend publiek 92 tot 93% bedraagt.
17. Verweerder heeft dienaangaande naar voren gebracht dat de handhaving van de parkeerbelasting berust op een samenhangend geheel van systemen, apparaten, processen, mensen, hardware en software. De scanauto’s waarmee het niet-betalen wordt geconstateerd, worden gevoed met informatie die van de parkeerautomaten afkomstig is. De parkeerautomaten houden zodoende meer dan zijdelings verband met het innen van niet-betaalde parkeerbelasting.
Verder heeft verweerder in respons op de door eiser opgestelde berekening verklaard dat deze niet overeenstemt met de bij de gemeente aanwezige gegevens, volgens welke de betalingsbereidheid van het parkerend publiek onder de 90% ligt.
18. De rechtbank acht aannemelijk dat de met de parkeerautomaten gegenereerde informatie van een meer dan bijkomstige betekenis is voor het functioneren van het systeem van handhaving. Daarmee hangen de kosten van de parkeerautomaten zodanig samen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting dat geoorloofd is ze daaraan toe te rekenen. [5]
De rechtbank volgt eiser derhalve niet in zijn kwantitatieve benadering. Naar haar oordeel kan het verband niet worden ‘gewogen’ aan de hand het aantal naheffingsaanslagen in verhouding tot de parkeeracties waarbij de belasting middels de automaten wordt voldaan, namelijk omdat daarmee ten onrechte een lineaire verhouding wordt verondersteld tussen de kosten van de automaten en de opbrengst van beide categorieën.
De rechtbank overweegt voorts, ten overvloede, dat eiser tegenover de geloofwaardige verklaring van verweerder het door hem gestelde percentage van betalingsbereidheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Redengevend daarvoor is dat zijn berekening berust op een aanname en hij daarbij eraan voorbij heeft gezien dat niet iedere parkeeractie waarbij niet wordt betaald uitmondt in een naheffingsaanslag, terwijl blijkens de door hem bij zijn reactie van 9 april 2026 overgelegde pagina bij de bepaling van de daarin genoemde percentages van betalingsbereidwilligheid ook de betalingen door vergunninghouders in aanmerking zijn genomen.
19. Verder heeft eiser opgeworpen dat niet duidelijk is waar de door [bedrijfsnaam 1] aan de gemeente doorberekende “overige afschrijvingen en scanauto” betrekking op heeft. Verweerder heeft ter zitting geloofwaardig verklaard dat deze post ziet op de afschrijving van een softwarepakket en van de scanauto. Eiser heeft vervolgens niet in twijfel gesteld dat deze afschrijvingen ‘kosten ter zake’ zijn.
De variabele informatieverwerkingskosten
20. Eiser stelt dat onder de post variabele informatieverwerkingskosten ten onrechte kosten voor bezwaar en beroep in aanmerking zijn genomen. Deze kosten worden gemaakt voor een ander doel dan de inning van niet-betaalde parkeerbelasting, namelijk voor het bieden van rechtsbescherming.
21. Volgens verweerder staan de kosten van de behandeling van bezwaar- en beroepsprocedures in een noodzakelijk verband tot de inning van niet-betaalde parkeerbelasting, omdat daarzonder die procedures overwegend erin uitmonden dat de naheffingsaanslagen worden vernietigd.
22. De vraag of de gemeente ervoor zou kiezen rechtsbescherming te bieden ter zake van door haar opgelegde naheffingsaanslagen, kan in het midden blijven: die keuze heeft de wetgever voor haar gemaakt. Die keuze brengt mee dat de gemeente er niet aan ontkomt kosten voor de behandeling van bezwaren en beroepen te maken omdat, zoals door verweerder terecht naar voren is gebracht, de door haar opgelegde naheffingsaanslagen anders overwegend geen stand zullen houden. Daarmee is het vereiste verband tussen die kosten en de inning van niet-betaalde parkeerbelasting gegeven. [6]
23. Verder stelt eiser dat ten onrechte kosten van betalingsverkeer in aanmerking worden genomen. Die kosten worden overwegend gemaakt om geld van de parkeerautomaten op de bankrekening van de gemeente te krijgen en houden in zoverre geen verband met het innen van niet-betaalde parkeerbelasting, aldus eiser.
24. Met de nader door hem verstrekte informatie heeft verweerder verduidelijkt dat de kosten van betalingsverkeer bestaan uit:
• algemene bankkosten;
• kosten van de betalingen via belproviders;
• kosten van de betalingen via parkeerautomaten; en
• kosten voor de betalingen van naheffingen.
Verweerder heeft tegenover het standpunt van eiser gesteld dat de post ‘betalingsverkeer’ meer dan zijdelings verband houdt met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting, omdat aan het opleggen van een naheffingsaanslag de constatering voorafgaat dat niet is betaald. Die constatering wordt gedaan aan de hand van bankgegevens, waarmee de kosten van het betalingsverkeer in een noodzakelijk verband staan tot het kunnen opleggen van de naheffingsaanslag. Voorts zijn ook met de betaling van de naheffingsaanslagen als zodanig bankkosten gemoeid.
25. De rechtbank acht aannemelijk dat een onmiddellijke en voor de gemeente toegankelijke vastlegging van de voldoening van parkeerbelasting een noodzakelijk element is binnen het systeem van controle en (na)heffing, terwijl van de bankkosten die gemoeid zijn met de betalingen op naheffingsaanslagen het verband met de inning van de belasting voor zich spreekt. Daarmee zijn de bankkosten naar het oordeel van de rechtbank ‘ter zake’.
Kosten van afschrijving en interest op investeringen
26. Eiser stelt dat de posten ‘afschrijvingen’ en ‘interest van investeringen’ – alleen met uitzondering van de dakkoffer – onvoldoende samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting.
Parkeerregime [stadsdeel 1] ziet op onderzoek in de wijk. Parkeerdrukmeting staat niet in verband met de inning van niet-betaalde belasting omdat ten tijde van die meting überhaupt geen belasting wordt geheven. Parkeer- en straatverbeteringen in de wijk dienen een ruimtelijk en regulerend doel; de aanleg van extra parkeerplaatsen heeft betrekking op de inrichting van de openbare ruimte, niet op de heffing van parkeerbelasting.
De afschrijvingen en interest verband houdend met parkeerapparatuur op straat zijn volgens eiser niet ‘kosten ter zake’ om de hiervoor genoemde reden.
Het parkeerinformatiesysteem PRIS houdt volgens hem geen verband met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting.
27. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat in de [stadsdeel 1] in de jaren ’90 onbetaald
parkeren gold. De kosten voor ‘parkeerregime [stadsdeel 1]’, ‘100 extra parkeerplaatsen’ en ‘parkeer-/straatverbetering’ zijn gemaakt om betaald parkeren in die buurt mogelijk te maken.
Dit heeft te maken met parkeerregulering. Naar het oordeel van de rechtbank zijn controle en handhaving daarmee onlosmakelijk verbonden en houden daarmee ook de afschrijvings-
en interestkosten op deze investeringen meer dan zijdelings verband met het innen van niet-
betaalde parkeerbelasting.
28. Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld, houden de kosten van parkeerapparatuur op straat meer dan zijdelings verband met het innen van niet-betaalde parkeerbelasting. Die kosten omvatten ook de afschrijving op en interest ter zake van de vervanging van 49 parkeerautomaten en het contactloos betalen bij parkeerautomaten. Dit zijn immers ook kosten van de parkeerapparatuur.
29. Van parkeerinformatiesysteem PRIS heeft verweerder ter zitting verklaard dat dit de
borden zijn waarop staat hoeveel vrije parkeerplaatsen er zijn. Deze borden zijn naar
het oordeel van de rechtbank vooral bedoeld als service voor de parkeerders en om te
voorkomen dat mensen hun auto parkeren op plaatsen waar dat niet is toegestaan. Aldus dienen de kosten van dit systeem een ander doel dan het innen van niet-betaalde parkeerbelasting. Deze kosten, ten bedrage van € 14.099, heeft de gemeente daarom ten onrechte opgenomen in haar kostenraming.
Personeelskosten
30. Eiser heeft gesteld dat de personeelskosten die worden gemaakt ter zake van
parkeerbeleid in een te ver verwijderd verband staan van de inning van niet-betaalde
parkeerbelastingen. Het parkeerbeleid betreft de sturing en regulering van parkeren in algemene zin, niet de handhaving in gevallen waarin niet is betaald en ziet daarmee niet op de inning van niet-betaalde parkeerbelasting, aldus eiser.
31. De rechtbank volgt verweerder in zijn tegenwerping dat de personeelskosten van degenen die zich bij de gemeente bezig houden met het parkeerbeleid meer dan zijdelings
verband met het innen van niet-betaalde parkeerbelasting, nu dat beleid ook de controle en handhaving omvat. [7]
Overheadkosten
32. Eiser heeft tot slot gesteld dat de gemeente ten onrechte 35% overheadkosten in aanmerking neemt over de personeelskosten van [bedrijfsnaam 1] BV. Hij verwijst daarbij naar de uitspraak van Hof Amsterdam van 21 mei 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1370, r.o. 4.5.5. Volgens eiser is er sprake van een dubbeltelling nu [bedrijfsnaam 1] BV haar eigen
overheadkosten heeft, die zij doorberekent aan de gemeente.
33. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat [bedrijfsnaam 1] weliswaar is gestructureerd als een afzonderlijke vennootschap, maar dat zij praktisch gezien niet ‘stand alone’ functioneert maar veeleer als onderdeel van de gemeente. Hij heeft er daarbij op gewezen dat [bedrijfsnaam 1] in de praktijk veelvuldig gebruik maakt van de diensten van de gemeente Delft.
34. Uit de stukken van het geding blijkt dat [bedrijfsnaam 1] haar kosten zonder opslag doorberekent aan de gemeente.
Tot die doorberekende kosten horen onder meer huisvestingskosten, verkoop- en kantoorkosten en algemene kosten tot een bedrag van in totaal € 161.071. Deze overheadkosten van [bedrijfsnaam 1] zijn niet meegenomen in de kostenraming. Verder blijkt uit de stukken dat dit bedrag aan overheadkosten van [bedrijfsnaam 1] relatief laag is in vergelijking tot haar personeelskosten (€ 1.818.876). Uit de toelichting van verweerder, het feit dat de kosten zonder opslag worden doorberekend en dat [bedrijfsnaam 1] relatief lage overheadkosten heeft (die overigens niet in de kostenraming zijn meegenomen), maakt de rechtbank op dat [bedrijfsnaam 1] praktisch gezien functioneert als onderdeel van de gemeente.
Met het oog daarop is de rechtbank van oordeel dat de gemeente 50% van de personeelskosten van [bedrijfsnaam 1] als overheadkosten in aanmerking mocht nemen. Nu de gemeente (niet meer dan) 35% in aanmerking genomen als overheadkosten, is op dit punt niet sprake van een overschrijding van de verhaalbarekostenlimiet.
35. De door de raad van de gemeente Delft vastgestelde kosten worden gedeeld door het aantal ‘inbare naheffingsaanslagen’. Volgens eiser laat het Besluit echter geen ruimte om rekening houden met de inbaarheid van de naheffingsaanslagen.
Dit standpunt faalt in het licht van hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:24:
“Uit de parlementaire geschiedenis van de regeling waarbij het kostenverhaal mogelijk is gemaakt, blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is dat gemeenten dit instrument kostendekkend moeten kunnen hanteren. Bij die strekking sluit aan artikel 2, lid 2, van het Besluit aldus uit te leggen dat de gemeente, als zij bij de vaststelling van het bedrag aan kostenverhaal een raming moet maken van het jaarlijkse aantal naheffingsaanslagen, daarbij slechts rekening hoeft te houden met inbare naheffingsaanslagen. De tekst van en de toelichting bij artikel 2, lid 2, van het Besluit staan aan een dergelijke uitleg niet in de weg.”
Slotsom
36. Uit het voorgaande volgt dat alleen de kosten van parkeer informatie systeem PRIS niet als een ‘last ter zake’ kunnen worden beschouwd. Het gaat om een kostenpost van € 14.099. Indien deze kosten buiten beschouwing worden gelaten, dan wordt het bedrag dat in totaal aan kosten in rekening mag worden gebracht: € 67,48 (totale kosten volgens de kostenonderbouwing € 2.983.382 minus € 14.099 kosten PRIS = € 2.969.283 gedeeld door het aantal inbare naheffingsaanslagen van 44.000). Dat is nog steeds hoger dan het bedrag dat de gemeente in rekening brengt. Ook indien de gemeente ten onrechte de interest over het bedrag van € 14.099 als kosten ter zake heeft opgevoerd, blijft de gemeente onder het bedrag dat aan kosten mag worden opgevoerd.
37. De slotsom is daarmee dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.
Proceskosten
38. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, voorzitter, en mr. E. Kouwenhoven en
mr. J.G.E. Gieskes, leden, in aanwezigheid van mr. W.M.M.A. van der Vegt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.Besluit van 22 januari 2019, houdende wijzigingen van ondergeschikte aard in enkele algemene maatregelen van bestuur op het terrein van het openbaar bestuur, Stb. 2019, 46, blz. 8.
2.HR 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1016, r.o. 2.4.7.
3.HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777, r.o. 3.3.6.
4.HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:24.
5.Vgl. HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:24.
6.Vgl. Gerechtshof Den Haag 3 april 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:553.
7.Vgl. Gerechtshof Den Haag 3 april 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:553.