ECLI:NL:RBDHA:2026:19410

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
NL23.24808 en NL24.8987
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 3, tweede lid, TerugkeerrichtlijnArt. 5 TerugkeerrichtlijnArt. 64 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging facultatieve tijdelijke bescherming en terugkeerbesluit Oekraïense derdelander

Eiser, een derdelander uit Oekraïne, maakte bezwaar tegen de beëindiging van zijn facultatieve tijdelijke bescherming (RTB) en tegen verschillende terugkeerbesluiten van de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank oordeelt dat de facultatieve tijdelijke bescherming rechtsgeldig is beëindigd op 4 maart 2024 en dat de minister bevoegd was om het meest recente terugkeerbesluit uit te vaardigen.

De rechtbank verklaart het beroep tegen het besluit van 24 januari 2024 niet-ontvankelijk omdat dit besluit bij de beoordeling van het eerdere beroep betrokken moet worden. Ook zijn beroepen tegen eerdere besluiten niet-ontvankelijk omdat deze besluiten zijn ingetrokken of geen procesbelang meer opleveren. De beroepen tegen het besluit van 13 februari 2024 en het terugkeerbesluit van 11 juli 2025 worden ongegrond verklaard.

De rechtbank weegt mee dat eiser geen aannemelijk gemaakt risico op schending van het non-refoulementbeginsel heeft gesteld, noch dat het terugkeerbesluit in strijd is met zijn privéleven of het evenredigheidsbeginsel. De minister heeft voldaan aan zijn verplichtingen, onder meer door het aanbieden van een artikel 64 Vw Pro-procedure. De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten aan eiser wegens het onjuist intrekken van een eerder besluit.

Uitkomst: De rechtbank verklaart meerdere beroepen niet-ontvankelijk of ongegrond en veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.24808 en NL24.8987

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R.I. Schreinemachers).

Samenvatting

1. Eiser is een zogenoemde derdelander uit Oekraïne. Deze uitspraak gaat over meerdere terugkeerbesluiten. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de facultatieve
tijdelijke bescherming heeft kunnen beëindigen op 4 maart 2024 en dat verweerder aan
eiser het meest recente terugkeerbesluit heeft kunnen uitvaardigen. Dit terugkeerbesluit is niet prematuur. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het besluit strijd oplevert met het beginsel van non-refoulement of eisers privéleven. Ook heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat het besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel of andere (Unierechtelijke) beginselen van behoorlijk bestuur. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft facultatieve tijdelijke bescherming genoten op grond van de RTB. In het besluit van 18 augustus 2023 heeft verweerder besloten dat eisers facultatieve tijdelijke bescherming is geëindigd per 4 september 2023 en heeft aan hem een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Tegen dit besluit heeft eiser op 28 augustus 2023 beroep met nummer NL23.24808 ingesteld. Op 24 januari 2024 heeft verweerder meegedeeld dat de tijdelijke bescherming voortduurt tot en met 4 maart 2024. Met het besluit van 13 februari 2024 heeft verweerder het besluit van 18 augustus 2023 ingetrokken. Eiser heeft zijn beroep gehandhaafd.
2.1
In het besluit van 13 februari 2024 heeft verweerder eiser meegedeeld dat de tijdelijke bescherming voor hem eindigt na 4 maart 2024. Eiser heeft hiertegen op 5 maart 2024 beroep met nummer NL24.8177 ingesteld. In het besluit van 12 maart 2024 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd.
2.2
In het besluit van 11 juli 2025 heeft verweerder het terugkeerbesluit van 12 maart 2024 ingetrokken en heeft hij aan eiser een nieuw terugkeerbesluit uitgevaardigd.
2.3
De rechtbank heeft de beroepen op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Wat ging aan de zaak vooraf?
3. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier facultatieve tijdelijke bescherming gekregen op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming 2001/55/EG (RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822 van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit).
3.1
In de uitspraak van 17 januari 2024 [1] heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat de facultatieve tijdelijke bescherming van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. De Afdeling oordeelde ook dat er geen toezeggingen door verweerder zijn gedaan waaruit mocht worden afgeleid dat de facultatieve tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur van de tijdelijke bescherming is bereikt en dat voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel geen plaats is. In het arrest in de zaak Kaduna van 19 december 2024 [2] heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) naar aanleiding van vragen van onder meer de Afdeling overwogen dat lidstaten de verleende facultatieve tijdelijke bescherming mogen intrekken zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB en de algemene beginselen van het Unierecht in acht worden genomen. Lidstaten zijn niet verplicht de duur van de facultatieve tijdelijke bescherming af te stemmen op de duur van de verplichte tijdelijke bescherming. Ook heeft het Hof overwogen dat het lidstaten niet is toegestaan om een terugkeerbesluit uit te vaardigen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd. De Afdeling heeft vervolgens in haar uitspraken van 23 april 2025 [3] geoordeeld dat verweerder bevoegd was de facultatieve tijdelijke bescherming voor de derdelanders uit Oekraïne op 4 maart 2024 te beëindigen. De Afdeling ziet geen aanleiding om te oordelen dat de algemene beginselen van het Unierecht daarbij niet in acht zijn genomen.
3.2
In afwachting van het arrest van het Hof en de uitspraken van de Afdeling heeft verweerder besloten de beëindiging van de tijdelijke bescherming te bevriezen. In een brief aan de Tweede Kamer van 3 juni 2025 [4] heeft verweerder aan de Kamer bericht dat de bevriezingsmaatregel eindigt per 4 september 2025.
Wat betrekt de rechtbank bij de beoordeling?
4. Eiser heeft de Egyptische nationaliteit en is geboren op [datum] 1996. Eiser woonde en werkte acht jaar in Oekraïne met een tijdelijke verblijfsvergunning. Eiser is sinds zijn komst in Nederland in 2022 werkzaam bij [bedrijf].
4.1
Op 29 juli 2022 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. In het besluit van 18 augustus 2023 is deze aanvraag buiten behandeling gesteld. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld. Daarmee staat de buiten behandelingstelling van de asielaanvraag in rechte vast.
4.2
Eiser heeft verder op 28 augustus 2023 [5] en op 5 maart 2024 [6] verzocht om een voorlopige voorziening. Met de uitspraak van 20 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening met nummer NL23.24809 toegewezen. Er is bepaald dat eiser, totdat op de beroepen is beslist, dient te worden behandeld als een vreemdeling die onder de werking van Richtlijn 2011/55/EG valt. Het verzoek met nummer NL24.8988 is afgewezen, omdat eiser hier niet meer of iets anders mee kan bereiken.
Wat is het standpunt van verweerder?
5. In de uitspraak van 17 januari 2024 heeft de Afdeling overwogen dat de tijdelijke
bescherming van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. Eiser heeft geen openstaande vreemdelingrechtelijke procedures die leiden tot rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Evenmin is eiser in het bezit van een verblijfsvergunning. Dit betekent dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland.
Daarom heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Er is geen sprake van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer een risico loopt op refoulement.
Is het beroep NL24.8987 ontvankelijk?
6. Het beroep met nummer NL24.8987 heeft eiser ingediend naar aanleiding van het besluit van 24 januari 2024. Het besluit van 24 januari 2024 kan worden aangemerkt als een wijziging van het besluit van 18 augustus 2023 over het beëindigen van het rechtmatig verblijf van eiser. De rechtbank is daarom van oordeel dat het besluit van 24 januari 2024 op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege bij de beoordeling van het beroep met nummer NL23.24808 moet worden betrokken. Het was dus niet nodig om tegen het besluit van 24 januari 2024 afzonderlijk beroep in te stellen. Daarom is het beroep met nummer NL24.8987 niet-ontvankelijk.
Beoordeling van het beroep met het zaaknummer NL23.24808
7. Uit rechtspraak [7] van de Afdeling volgt dat bij de vraag of er sprake is van
procesbelang het erom gaat of het doel dat eiser voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Procesbelang is er niet als elk belang
bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen.
Heeft eiser procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het besluit van 18 augustus 2023?
7.1
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke
beoordeling van zijn beroep gericht tegen het besluit van 18 augustus 2023. In het besluit
van 18 augustus 2023 heeft verweerder besloten dat eisers tijdelijke bescherming eindigt per
4 september 2023 en is een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Dit besluit is ingetrokken. Eiser
kan niet meer of anders bereiken, dan met het intrekken van het besluit al is bereikt. Het
beroep voor zover gericht tegen het besluit van 18 augustus 2023 is daarom niet-ontvankelijk.
Heeft eiser procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het besluit van 13 februari 2024?
7.2
Het besluit van 13 februari 2024 ziet op de intrekking van het besluit tot beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 september 2023. Het beroep kan bewerkstelligen dat de tijdelijke bescherming per latere datum dan per 4 maart 2024 is geëindigd. Eiser heeft dus procesbelang bij zijn beroep tegen dit besluit.
Heeft eiser procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het besluit van 12 maart 2024?
7.3
De rechtbank stelt verder vast dat een inhoudelijke beoordeling van het terugkeerbesluit van 12 maart 2024 geen feitelijke betekenis heeft voor eiser. Uit het arrest Kaduna en de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 volgt dat verweerder dit besluit te vroeg heeft genomen en daarom heeft verweerder het besluit ingetrokken en vervangen door het terugkeerbesluit van 11 juli 2025. Eiser kan niet meer of anders bereiken dan met het intrekken van het terugkeerbesluit al is bereikt. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 12 maart 2024 is daarom niet-ontvankelijk.
Heeft eiser procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het besluit van 11 juli 2025?
8. In het besluit van 11 juli 2025 staat dat dit besluit het eerdere terugkeerbesluit
vervangt. De rechtbank merkt het besluit aan als een besluit tot vervanging als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Het beroep ziet daarom ook op dit besluit.
Eiser heeft dus procesbelang bij zijn beroep voor zover gericht tegen dit besluit.
Is de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 geëindigd?(
het besluit van 13 februari 2024)
9. Eiser voert aan dat het Hof in het arrest Kaduna en Abkez heeft bepaald dat de tijdelijke bescherming op een eerdere datum mag worden beëindigd, mits de lidstaat geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van Richtlijn 2001/55 en de algemene beginselen van het Unierecht eerbiedigt. Het Hof weet niet of Nederland de toezegging heeft gedaan dat de bescherming van de facultatief beschermden gelijk liep met die van de verplicht beschermden. Het Hof heeft de rechters opgedragen om na te gaan of een dergelijke toezegging is gedaan. Eiser wijst erop dat de Afdeling in de uitspraak van 23 april 2025 de toets heeft weggelaten. Ook kan de meervoudige kamer van de zittingsplaats Amsterdam, die ook prejudiciële vragen had gesteld, mogelijk afwijken van de uitspraken van de Afdeling en mogelijk onderzoeken of Nederland die toezegging heeft gedaan.
9.1
Zoals hiervoor al is overwogen heeft het Hof in het arrest Kaduna overwogen dat lidstaten bevoegd zijn om de facultatieve tijdelijke bescherming eerder te beëindigen dan de niet-facultatieve tijdelijke bescherming. De Afdeling heeft daarom in haar uitspraken van 23 april 2025 haar eerdere oordeel van 17 januari 2024 bevestigd dat de facultatieve tijdelijke bescherming eindigt op 4 maart 2024. De Afdeling heeft daarbij overwogen dat het beëindigen van de onverplichte tijdelijke bescherming niet in strijd is met het Unierechtelijke rechtszekerheid- en/of vertrouwensbeginsel, omdat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan. Dit is nadien nog meerdere keren herhaald door de Afdeling. [8] Eiser heeft geen nieuwe inhoudelijke gronden daartegen ingebracht. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om in deze zaak tot een ander oordeel te komen. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder op 11 juli 2025 aan eiser een terugkeerbesluit kunnen uitvaardigen?(
besluit van 11 juli 2025)
10. In de uitspraak van 17 januari 2024 [9] heeft de Afdeling overwogen dat de tijdelijke bescherming van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. Eiser heeft geen openstaande vreemdelingrechtelijke procedures die leiden tot rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van Pro de Vw. Evenmin is eiser in het bezit van een verblijfsvergunning. Dit betekent dat eiser niet meer rechtmatig in Nederland verblijft. Daarom heeft verweerder op 12 maart 2024 aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Op 11 juli 2025 is het terugkeerbesluit van 12 maart 2024 ingetrokken en is een nieuw terugkeerbesluit genomen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb richt het beroep zich ook op het terugkeerbesluit van 11 juli 2025.
10.1
Eiser voert aan dat een terugkeerbesluit pas kan worden opgelegd als vaststaat dat de betreffende derdelander illegaal op het grondgebied van de EU verblijft. Zolang niet vast staat of Nederland de bewuste toezegging heeft gedaan, en of de tijdelijke bescherming is geëindigd, is het nemen van een nieuw terugkeerbesluit prematuur.
Eiser meent dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden, nu een individuele belangenafweging in het terugkeerbesluit ontbreekt. In het besluit wordt ten onrechte overwogen dat voor een individuele belangenafweging geen plaats is.
Eiser voert aan dat hij vreest in militaire dienst te moeten indien hij naar Egypte terug zou moeten keren. Hij vreest een onmenselijke behandeling. Ter onderbouwing van zijn standpunt wordt gewezen op pagina 32 en verder van het ambtsbericht Egypte 2021.
Daarnaast beroept eiser zich op zijn privéleven in Nederland en zijn persoonlijke omstandigheden, artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het evenredigheidsbeginsel. In dit
verband heeft hij aangevoerd dat hij vrijwel sinds zijn komst naar Nederland werkzaam is bij [bedrijf] Amsterdam. Uit brieven van collega’s en vrienden blijkt dat hij nauwe banden heeft opgebouwd in Nederland. Verweerder heeft het privéleven dat eiser sinds 2022 legaal in Nederland heeft opgebouwd, op geen enkele manier bij zijn beoordeling betrokken.
Tot slot voert eiser aan dat het besluit strijdig is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name wegens schending van het zorgvuldigheids-, motiverings-, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.
Het terugkeerbesluit en de bevriezingsmaatregel
10.2
Eisers stelling dat het besluit van 6 augustus 2025 te vroeg aan eiser is uitgevaardigd gelet op de bevriezingsmaatregel, slaagt niet. In de uitspraak van 31 oktober 2025 [10] heeft de Afdeling geoordeeld dat de bevriezingsmaatregel van verweerder voor derdelanders uit Oekraïne er niet toe heeft geleid dat verweerder geen terugkeerbesluit kon uitvaardigen. Eiser heeft geen argumenten naar voren gebracht waarin de rechtbank aanleiding ziet om tot een ander oordeel te komen. De beroepsgrond slaagt niet.
Het terugkeerbesluit en het toegewezen verzoek om een voorlopige voorziening
10.3
De op 20 maart 2024 toegewezen voorlopige voorziening houdt in dat eiser totdat
is beslist op het beroep, behandeld wordt als een vreemdeling die onder de RTB valt. Dit
betekent dat eiser ten tijde van het uitvaardigen van het terugkeerbesluit rechtmatig verblijf
had op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw. Dit doet echter niet af aan de
vaststelling van illegaal verblijf op grond van de Terugkeerrichtlijn en de verplichting en
dus bevoegdheid voor verweerder om een terugkeerbesluit uit te vaardigen. Het toewijzen
van een voorlopige voorziening betekent immers ‘slechts’ dat de rechtsgevolgen van het
terugkeerbesluit worden opgeschort in afwachting van de uitspraak op het beroep. Dit
betekent niet dat het verblijf van eiser dan niet illegaal is in de zin van artikel 3, tweede lid,
van de Terugkeerrichtlijn. [11] Niet kan worden gesteld dat het terugkeerbesluit prematuur is opgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.
Het terugkeerbesluit, artikel 3 van Pro het EVMR en het recht op privéleven
10.4
In artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn is het volgende bepaald:
Bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn houden de lidstaten rekening met:
a. a) het belang van het kind;
b) het familie- en gezinsleven;
c) de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land, en eerbiedigen zij het beginsel van non-refoulement.
10.4.1
Uit artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn en uit het arrest Ararat [12] en het arrest Adrar volgt dat verweerder bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit het beginsel van non-refoulement moet eerbiedigen. Verweerder moet beoordelen of sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt te worden onderworpen aan de doodstraf, folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen. Verweerder meent, zo is op zitting en in aanvulling op het besluit gesteld, dat daarvoor geen concrete aanwijzingen zijn. Eiser heeft niet onderbouwd te vrezen vanwege dienstplichtweigering. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder daarin gevolgd worden. Eiser heeft ook geen beroep ingesteld tegen de buitenbehandelingstelling van zijn asielaanvraag. Verder heeft eiser ten tijde van het nemen van het terugkeerbesluit en ook op dit moment niet onderbouwd dat hij een behandeling ondergaat voor zijn medische problemen en dat hij daarom bij terugkeer naar Egypte zal worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Verder heeft verweerder met het aanbieden van een artikel 64 Vw Pro procedure voldaan aan zijn verplichtingen op grond van de RTB. Die procedure kan leiden tot het opschorten, niet intrekken, van het terugkeerbesluit, maar dat is bij de huidige stand van zaken nog niet aan de orde. Deze beroepsgrond slaagt niet.
10.4.2
Wat betreft eisers privéleven overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank wijst er allereerst op dat uit artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn niet volgt dat verweerder bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit moet toetsen of de terugkeer in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. De Terugkeerrichtlijn ziet niet op het verkrijgen van een verblijfsrecht of andere toestemming van verblijf. Aan deze richtlijn kan geen verblijfsrecht worden ontleend. [13] Ten tweede is van belang dat, hoewel in artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn niet expliciet is benoemd dat het recht op het uitoefenen van privéleven ook betrokken moet worden bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit, uit rechtspraak van het Hof [14] en de Afdeling [15] volgt dat moet worden nagegaan of het recht op privéleven zich verzet tegen een terugkeerbesluit. Dat betekent niet dat vanwege het enkele gegeven dat eiser gedurende zijn verblijf in Nederland privéleven heeft opgebouwd, verweerder geen terugkeerbesluit heeft kunnen uitvaardigen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding heeft hoeven zien om tot een ander besluit te komen. De beroepsgrond slaagt niet.
Het terugkeerbesluit en het evenredigheidsbeginsel
10.5
Beoordeeld moet worden of het terugkeerbesluit in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel. [16] De rechtbank is van oordeel dat verweerder in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding heeft hoeven zien om aan eiser geen terugkeerbesluit uit te vaardigen. Verwezen wordt naar wat hierboven is overwogen. Dat eiser hierdoor mogelijk niet het werk kan doen dat hij wenst maakt niet dat het terugkeerbesluit onevenredig is. De facultatieve tijdelijke bescherming die eiser heeft genoten had niet als doel om eiser in de gelegenheid te stellen om in Nederland werkzaam te zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
11. De rechtbank verklaart het beroep NL24.8987 niet-ontvankelijk. Voor het beroep
met kenmerk NL23.24808 geldt dat het, voor zover het is gericht tegen het besluit van 18 augustus 2023 en het besluit van 12 maart 2024, niet-ontvankelijk is. Voor zover het beroep is gericht tegen de besluit van 13 februari 2024 en het besluit van 11 juli 2025 is het beroep ongegrond.
11.1
Omdat verweerder het besluit van 18 augustus 2023 heeft ingetrokken omdat het onjuist was, heeft eiser wel terecht beroep ingesteld tegen dit besluit. Eiser krijgt daarom een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een wegingsfactor van 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep NL24.8987 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep NL23.24808 gericht tegen het besluit van 18 augustus 2023 niet-
ontvankelijk;
- verklaart het beroep NL23.24808 gericht tegen het besluit van 13 februari 2024
ongegrond;
- verklaart het beroep NL23.24808 gericht tegen het besluit van 12 maart 2024
niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep NL23.24808 gericht tegen het besluit van 11 juli 2025 ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.ECLI:EU:C:2024:1038.
4.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024-2025, 19 637, nr. 3434,
5.NL23.24809
6.NL24.8988
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1788.
8.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2025:4148.
10.ECLI:NL:RVS:2025:5213, BRS.25.001552, BRS.25.001554.
11.Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530.
12.Arrest van het Hof van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.
13.Zie het Cannabis-arrest van 22 november 2022, ECLI:EU:C:2022:913, punten 84 en 85.
14.Zie het Cannabis-arrest van 22 november 2022, ECLI:EU:C:2022:913, punt 98.
15.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1529, r.o. 5.3.
16.Zie het Cannabis-arrest van 22 november 2022, ECLI:EU:C:2022:913, punt 98.