ECLI:NL:RBDHA:2026:19414

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
AWB 24/10923
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T.J. Thurlings - Rassa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 VWEUArt. 8:41a AwbArt. 8:47 AwbArt. 8:72 AwbArt. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning faciliterend visum op grond van artikel 20 VWEU wegens afhankelijkheidsrelatie tussen vader en kinderen

Eiser, een vader woonachtig in Kenia, verzocht om een faciliterend visum op grond van artikel 20 VWEU Pro om bij zijn in Nederland wonende kinderen te kunnen verblijven. De minister wees dit verzoek af, stellende dat eiser niet de dagelijkse zorg voor de kinderen draagt en dat er geen zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat die een verblijfsrecht rechtvaardigt.

De rechtbank benoemde een deskundige kinder- en jeugdpsycholoog die een uitgebreid onderzoek verrichtte naar de gezinsdynamiek en de emotionele en psychosociale gevolgen van de fysieke afwezigheid van de vader. Het deskundigenbericht concludeerde dat er een vergaande afhankelijkheidsrelatie bestaat en dat de fysieke gescheidenheid een groot risico op emotionele schade voor de kinderen met zich meebrengt.

De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met de integrale afweging die vereist is op grond van het Chavez-Vilchez-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De minister had ten onrechte het criterium van marginale zorg- en opvoedingstaken als doorslaggevend gehanteerd. De rechtbank stelde vast dat eiser voldoet aan de criteria voor een afgeleid verblijfsrecht en vernietigde het bestreden besluit.

De rechtbank bepaalde dat de minister binnen vier weken een faciliterend visum moet verstrekken en veroordeelde de minister in de proceskosten. De uitspraak heeft een declaratoir karakter en bevestigt het verblijfsrecht van eiser op grond van artikel 20 VWEU Pro.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en beveelt de minister binnen vier weken een faciliterend visum te verstrekken aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/10923
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],eiser
(gemachtigde: mr. Y.N. Teke-Bozkurt)
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

1. Eiser heeft op 15 november 2022 verzocht om de afgifte van een faciliterend visum op grond artikel 20 VWEU Pro [1] . Bij primair besluit van 23 november 2022 is dit verzoek afgewezen. Eiser heeft hiertegen bij bezwaarschrift van 6 december 2022 bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 11 juni 2024 heeft de minister de afwijzing van de aanvraag in stand gelaten. Bij beroepschrift van 2 juli 2024, bij de rechtbank binnengekomen op 3 juli 2024, is eiser tegen het bestreden besluit in beroep gegaan.
2. De rechtbank heeft het beroep op 13 december 2024 op zitting behandeld. Bij de zitting waren aanwezig mevrouw [naam 1] (referent), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ter zitting heeft de rechtbank, partijen gehoord, besloten over te gaan tot het benoemen van een deskundige.
3. De rechtbank heeft vervolgens het Onderzoeks- en Expertisecentrum voor Kinderen en Vreemdelingenrecht van de Rijksuniversiteit Groningen als deskundige benoemd, waarbij de deskundigenopdracht is uitgevoerd door drs. S. Pantelić (Kinder- en Jeugdpsycholoog NIP [2] , Postmaster-psycholoog SKJ [3] en GZ-psycholoog [4] , hierna: deskundige). De deskundige heeft bij deskundigenbericht van 8 maart 2026, aan de rechtbank verzonden op 9 maart 2026 en door de rechtbank ontvangen op 16 maart 2026, de vragen van de rechtbank beantwoord. Beide partijen hebben vervolgens een reactie op het deskundigenbericht uitgebracht. Nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld om een nadere zitting te verzoeken en daar niet om hebben verzocht, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
4. De minister heeft in het bestreden besluit verwezen naar hoofdstuk B10/2 van de Vc [5] , waarin staat dat een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8 onder Pro e, van de Vw [6] , als hij:
zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt met een geldig paspoort of geldige identiteitskaart, of met andere bewijsmiddelen als hij geen geldig paspoort of geldige identiteitskaart kan overleggen;
een minderjarig, Nederlands kind heeft;
daadwerkelijk voor het kind zorgt; en
er een zodanige afhankelijkheid tussen hem en het kind bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de derdelands ouder een verblijfsrecht wordt geweigerd
5. Volgens de minister is niet voldaan aan de voorwaarden onder c en d.
6. Voor wat betreft voorwaarde c stelt de minister in de kern dat eiser in Kenia woont en dus niet de dagelijkse zorg voor het kind heeft, hij zijn kind pas voor het eerst in augustus 2023 (fysiek) heeft ontmoet, dat de referent alleen van 31 juli 2023 tot en met 25 augustus 2023 in Kenia is geweest en daarna niet meer, dat eiser zijn tweede kind nog niet heeft ontmoet, dat niet is gebleken dat eiser tijdens de vakantie in 2023 zorgtaken heeft verricht, maar zo wel, dat die gezien de duur marginaal van aard zijn, dat de overgelegde foto’s onvoldoende zijn om aan te tonen dat zorgtaken zijn verricht, dat de onderbouwing van een financiële ondersteuning van het kind ontbreekt, dat verder niet is gebleken dat referent als gevolg van haar studie en werk de ondersteuning van eiser in de opvoeding nodig heeft, en dat het enkele overleg over de ontwikkeling van de kinderen onvoldoende is om zorgtaken aan te nemen.
7. Voor wat betreft voorwaarde d voert de minister in de kern aan dat uit de stukken niet blijkt dat het contact tussen de eiser en de kinderen meer inhoudt dan de affectieve band die bestaat tussen een ouder en zeer jonge kinderen die op afstand zeer regelmatig contact hebben met elkaar. Dat eiser zeggenschap over de kinderen heeft, betekent nog niet dat sprake is van een wezenlijke afhankelijkheidsrelatie.
Beroepsgronden
Gronden van eiser
8. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij zorgtaken verricht en dat er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie, die blijkt uit onder meer het dagelijks (video)bellen en betrokkenheid bij belangrijke beslissingen over de kinderen zoals in de zorg en het onderwijs, waarbij de frequentie van dit contact voldoende is om aan te tonen dat sprake is van een zorgrelatie die verder gaat dan sporadisch contact.
Het deskundigenbericht
Vraagstelling
9. De rechtbank heeft aanleiding gezien een deskundige te benoemen. Daarbij zijn aan de deskundige de volgende vragen gesteld:
1) Wat is de algemene wetenschappelijke visie op de gevolgen van het ontbreken van de fysieke aanwezigheid van de vader op de ontwikkeling van een kind, in het bijzonder wanneer deze al op jonge leeftijd (0-4 jaar) afwezig is?
2) Welke invloed kan de fysieke afwezigheid van de vader volgens u, mede gelet op uw antwoord onder vraag 1, in het concrete geval van de kinderen van eiser en referent hebben?
3) Hoe beoordeelt u het risico dat de kinderen, gelet op hun leeftijd en afhankelijkheidsrelatie met beide ouders, psychosociale of emotionele schade ondervinden indien het contact met de vader wordt beperkt of zij langdurig van hem gescheiden blijven?
4) Hoe waarschijnlijk acht u het dat de door u geschetste gevolgen zich in dit concrete geval daadwerkelijk zullen voordoen?
Antwoord van de deskundige
10. De deskundige heeft de volgende antwoorden op de vragen van de rechtbank gegeven.
Ten aanzien van vraag 1:
“Binnen de ontwikkelingspsychologie bestaat brede wetenschappelijke consensus dat het voor een gezonde ontwikkeling van kinderen van groot belang is dat zij opgroeien in de fysieke en emotionele nabijheid van hun ouders of primaire verzorgers, tenzij er sprake is van omstandigheden die een ontwikkelingsrisico vormen. Deze nabijheid biedt kinderen stabiliteit, continuïteit en emotionele veiligheid, die essentieel zijn voor hun sociaalemotionele ontwikkeling. Tegen deze achtergrond vormt de hechtingstheorie van Bowlby een belangrijk theoretisch kader. De hechtingstheorie onderstreept het belang van fysieke en emotionele nabijheid van een ouder of primaire verzorger voor een gezonde ontwikkeling. Bowlby beschrijft hechting als een aangeboren, biologisch systeem dat kinderen motiveert om nabijheid te zoeken bij hun verzorger ter bevordering van overleving, stressregulatie en emotionele veiligheid. De hechtingsfiguur fungeert daarbij als een veilige haven in stressvolle situaties en als een veilige basis van waaruit het kind de omgeving kan verkennen. De kwaliteit van deze relatie, bepaald door de beschikbaarheid en responsiviteit van de verzorger, heeft een blijvende invloed op de emotionele en sociale ontwikkeling van het kind. Steun, zorg en liefde van een belangrijke hechtingsfiguur zijn van cruciaal belang voor een gezonde emotionele en sociale ontwikkeling van kinderen. Het feit dat een belangrijke gehechtheidsfiguur van de kinderen in hun leven blijft, bevordert het vermogen van kinderen om relaties aan te gaan met andere kinderen of volwassenen buiten het gezin. Voor het ontstaan van een veilige, niet-problematische gehechtheidsrelatie is continuïteit in het contact tussen ouder en kind van belang. Als een ouder langdurig afwezig is, doet dit afbreuk aan de continuïteit in het contact tussen ouder en kind. Verondersteld wordt dat hoe jonger het kind is als een van beide ouders langdurig uit beeld verdwijnt, hoe meer impact de afwezigheid van de ouder heeft op de gehechtheidsrelatie. Afwezigheid van de
biologische vader in vroege kindertijd (0-5 jaar) hangt sterker samen met hogere depressieve symptomen gedurende adolescentie en jonge volwassenheid dan afwezigheid later in de kindertijd. De effecten blijven persistent aanwezig, vooral bij exposure in de eerste levensjaren. Dit laat zien dat het moment waarop de vader wegvalt cruciaal is. De literatuur wijst erop dat afwezigheid in de vroege kindertijd samenhangt met meer uitgesproken en persisterende negatieve mentale gezondheidsuitkomsten in vergelijking met afwezigheid op latere leeftijd. Specifiek is afwezigheid van de vader in 0-5 jaar geassocieerd met hogere niveaus van depressieve symptomen op 14-jarige leeftijd. Een veilige en stabiele omgeving is essentieel voor een kind om een hechtingsrelatie met zijn
verzorgers aan te kunnen gaan en zich later op een adequate manier in de samenleving te ontwikkelen. Hechting aan een belangrijke persoon in de kindertijd kan daarom worden beschouwd als een universele behoefte voor een gezonde ontwikkeling van het kind, waarbij continuïteit een cruciale voorwaarde vormt voor het ontstaan van een stabiele hechtingsrelatie tussen ouder en kind. Tegelijkertijd kan stress bij ouders leiden tot minder sensitieve en ondersteunende opvoeding, wat een negatieve invloed heeft op het welzijn en de ontwikkeling van het kind. De kwaliteit van de opvoedingsomgeving speelt daarmee een beschermende rol en is van groot belang voor het bevorderen van een gezonde ontwikkeling van kinderen. De kwaliteit van de vroege hechtingsrelatie draagt bij aan de emotionele en sociale ontwikkeling van kinderen. Onveilige hechting, bijvoorbeeld als gevolg van onregelmatige responsiviteit of onvoldoende emotionele steun, vergroot de kwetsbaarheid voor emotionele problemen. Continuïteit in ouderlijke aanwezigheid en emotionele ondersteuning is daarbij van essentieel belang. Het ontbreken of wegvallen van een primaire hechtingsfiguur, zoals de vader, kan leiden tot verstoring van hechtingsprocessen en hangt samen met een verhoogd risico op internaliserende problemen zoals angst en somberheid. Daarnaast kan scheiding van een belangrijke hechtingsfiguur aanzienlijke gevolgen hebben voor diverse ontwikkelingsgebieden bij kinderen. Kinderen die opgroeien zonder hun vader vertonen vaker gedragsproblemen, kampen met een lager zelfbeeld en ondervinden vaker moeilijkheden bij het aangaan van hechte relaties. Daarnaast vergroot het ontbreken van een vaderfiguur de kans op lagere schoolprestaties en een verminderd psychisch welzijn. Het wegvallen van een belangrijke hechtingsfiguur kan gevoelens van verdriet en angst veroorzaken en heeft een negatieve invloed op zowel de sociale ontwikkeling als het gedrag van het kind. Deze wetenschappelijke inzichten zijn terug te zien in de Richtlijn Uithuisplaatsing en terugplaatsing, waarin het belang van het behoud en herstel van de ouder-kindrelatie centraal staat. De richtlijn benadrukt dat uithuisplaatsing een ingrijpende maatregel is die uitsluitend gerechtvaardigd is wanneer de veiligheid of ontwikkeling van het kind ernstig wordt bedreigd en verblijf bij de ouders (tijdelijk) niet verantwoord is. Tegelijkertijd onderstreept de richtlijn het belang van continuïteit in gehechtheidsrelaties en wordt gesteld dat, waar mogelijk, moet worden ingezet op het behoud van contact en op terugplaatsing bij de ouders.”
Ten aanzien van vraag 2:
“[De kinderen] ontwikkelen zich volgens de beleving van hun ouders voorspoedig. Er worden door zowel moeder als vader, geen (gedrags)problemen gezien. Ook rapporteren zowel vader als moeder nagenoeg geen problematiek, ze steunen elkaar in de opvoeding van de kinderen. Echter kampen beiden met de stress dat ze als gezin niet samen kunnen zijn.
Moeder staat er, ondanks de steun van haar man en de lange afstandsrelatie, in het dagelijkse leven alleen voor. Dat is gezien de jonge leeftijd van [kind 1] (3 jaar oud) en [kind 2] (1 jaar oud), en hun opvoedvraag, erg intens. Deze jaren worden ook wel in de volksmond de tropenjaren genoemd gezien de intensiteit. De draagkracht-draaglast-balans, van moeder is kwetsbaar. Vooral door de bijkomende stress dat ze haar man mist, hij andersom ook zijn vrouw en kinderen mist en ze samen er alles aan doen om binnen de huidige omstandigheden een gezin te kunnen zijn. Ze proberen beiden er alles aan te doen om er voor de kinderen te zijn. [De kinderen] hebben dagelijks contact met hun vader, echter via een beeldscherm (WhatsApp) en telefoon. Niet fysiek, waarbij vader derhalve niet in de volledige mogelijkheid is om goed af te stemmen op [de kinderen]. Vader kan vanwege deze handicap niet (op de momenten dat hij niet ‘aanwezig’ is middels beeldbellen) danwel onvoldoende (op momenten dat hij ‘aanwezig’ is middels beeldbellen) responsief en sensitief zijn naar de kinderen, hij kan niet actief bijdragen aan hun opvoeding. Hij kan niet actief moeder ondersteunen in de opvoeding, hij kan moeder niet ontlasten, hij kan [de kinderen] niet knuffelen, hij kan geen verzorgingstaken op zich nemen en ze niet te hulp schieten als ze hem nodig hebben. Hij kan zijn vaderrol vanwege de afstand maar zeer beperkt vervullen. De fysieke afwezigheid van vader, is daarmee van negatieve invloed op de gehechtheidsrelatie die [de kinderen] met hun vader kunnen hebben.
Zoals bij vraag 1 genoemd, is een veilige en stabiele omgeving essentieel voor een kind om
een hechtingsrelatie aan te kunnen gaan en zich later op een adequate manier in de samenleving te ontwikkelen. [De kinderen] kunnen dit gezien de omstandigheden wel met
hun moeder opbouwen, maar niet/onvoldoende met hun vader. Continuïteit is namelijk een
cruciale voorwaarde voor het ontstaan van een stabiele hechtingsrelatie tussen ouder en
kind. Tegelijkertijd kan (zoals reeds genoemd) stress bij ouders leiden tot minder sensitieve
en ondersteunende opvoeding, wat een negatieve invloed heeft op het welzijn en de
ontwikkeling van het kind. In deze is het evident dat moeder, ondanks haar positiviteit,
reeds langdurig onder stress staat vanwege de afwezigheid van vader. Dit kan derhalve ook
doorwerken in haar beschikbaarheid voor [de kinderen], haar ouderschap en daarmee
leiden tot een disbalans (danwel scheefgroei) in de ontwikkeling van de kinderen.”
Ten aanzien van vraag 3:
“[De kinderen] zijn erg jonge kinderen en gezien hun leeftijd volledig afhankelijk van hun
ouders. Het risico dat de kinderen, gelet op hun jonge leeftijd en afhankelijkheidsrelatie met
beide ouders, psychosociale of emotionele schade ondervinden indien het contact met vader
wordt beperkt of zij langdurig gescheiden van hem blijven, is groot. Te meer daar [de kinderen] binnen de huidige omstandigheden intensief contact hebben met hun vader en hun
band groeit. Hoe ouder de kinderen worden, hoe meer ze zich zullen realiseren dat hun
vader op afstand leeft en het besef en daarmee de pijn groeit van het gemis.”
Ten aanzien van vraag 4:
“De door ondergetekende geschetste gevolgen voor [de kinderen], indien hun vader fysiek
afwezig blijft, worden als heel waarschijnlijk geacht. Het is namelijk reeds vanaf hun
geboorte hun werkelijkheid, dat hun vader fysiek afwezig is. Deze omstandigheid is derhalve reeds van negatieve invloed op de ouder-kind-relatie (van vader met de kinderen) en van negatieve invloed op de gehechtheidsrelatie die [de kinderen] met hun vader hebben. Daarbij is er reeds vanaf de geboorte van [de kinderen] sprake van ouders die onder stress staan. Ook al doet moeder haar uiterste best om er voor de kinderen te zijn, zal ze onder invloed van deze stress ook niet altijd goed kunnen afstemmen op de kinderen. Dit zal fluctueren, waardoor het ook ten koste gaat van de stabiliteit en emotionele beschikbaarheid. De afwezigheid van vader is derhalve op verschillende vlakken van invloed op de kwaliteit van de opvoedingsomgeving.”
Standpunten van eiser naar aanleiding van het deskundigenbericht
11. Volgens eiser bevestigt het deskundigenbericht dat sprake is van een reële en duurzame gezinsband, waarbij de feitelijke invulling van het gezinsleven niet louter formeel of marginaal van aard is. De deskundige beschrijft dat de relatie tussen eiser en zijn gezinsleden niet kan worden gereduceerd tot incidenteel contact, maar dat sprake is van betrokkenheid die, mede gelet op de omstandigheden, als wezenlijk moet worden aangemerkt. Van belang is dat de deskundige expliciet ingaat op de feitelijke gezinsdynamiek en de wijze waarop contact en zorg op afstand worden ingevuld. Dit sluit aan bij de reeds in het dossier aanwezige stukken waaruit blijkt dat eiser structureel contact onderhoudt met zijn gezin en op verschillende manieren invulling geeft aan zijn rol als ouder en partner. In dat verband is eerder ook toegelicht dat het contact frequent plaatsvindt en dat eiser betrokken is bij belangrijke beslissingen binnen het gezin, hetgeen niet los kan
worden gezien van de beperkingen die voortvloeien uit de fysieke scheiding tussen de gezinsleden. Daarnaast volgt uit het rapport dat de belangen van het gezin, en in het bijzonder die van eventuele minderjarige kinderen, zwaarwegend zijn. De voortduring van de huidige situatie brengt een voortdurende scheiding met zich mee, hetgeen negatieve gevolgen heeft voor de ontwikkeling en het welzijn van de betrokken gezinsleden. Volgens eiser ondersteunt het deskundigenbericht zijn stelling dat de weigering van verblijf in strijd is met het recht op eerbiediging van het gezinsleven.
Standpunten van de minister naar aanleiding van het deskundigenbericht
12. De minister merkt allereerst, volledigheidshalve, op dat hij ter zitting
van de rechtbank op 13 december 2024 heeft aangegeven dat hij het op initiatief van de rechtbank voorleggen van de onderhavige casus aan een externe deskundige voor het opstellen van een (BIC)rapportage, niet ondersteunt. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat zijdens eiser op geen enkele wijze was onderbouwd dat sprake zou zijn van mogelijke substantiële schade aan de ontwikkeling van de kinderen ten gevolge van de afwezigheid van eiser. De minister heeft er ter zitting van de rechtbank op gewezen dat, ingevolge de vigerende bewijslastverdeling in dit soort situaties, voor een onderzoek op instigatie van de rechtbank, naar mening van de minister, geen aanleiding bestond. De minister wenst derhalve te markeren dat het deskundigenbericht niet met steun van de minister is opgevraagd.
13. Inhoudelijk stelt de minister zich op het standpunt dat het antwoord op de eerste vraag slechts ziet op algemene theoretische inzichten en niets zegt over de specifieke individuele situatie van eiser, referent en de kinderen. Uit het antwoord van de deskundige valt geenszins op te maken dat het ontbreken van de fysieke aanwezigheid van de vader in een opvoedingssituatie in alle gevallen zal leiden tot problemen in termen van emotionele ontwikkeling van de kinderen dan wel tot gebreken in de (emotionele) hechting. Het enkele feit dat bedoelde effecten zich in zijn algemeenheid kunnen voordoen bij gebrek aan fysieke aanwezigheid van een ouder, impliceert geenszins dat deze effecten zich steeds zullen voordoen.
14. De minister wijst er in dit verband verder op dat het deskundigenbericht volgens hem niet onderbouwt dat de kinderen emotionele problemen zullen ondervinden van de fysieke afwezigheid van de vader. In tegendeel, uit het deskundigenbericht volgt juist dat de ontwikkeling van de kinderen voorspoedig verloopt.
15. De minister stelt verder dat de conclusie ten aanzien van vraag 2 op geen enkele wijze, met specifiek op de situatie van eiser en de kinderen toegespitste informatie, gegevens en stukken, wordt onderbouwd. Uit het deskundigenbericht komt juist naar voren dat de ontwikkeling van de kinderen in de huidige situatie goed en betrekkelijk probleemloos verloopt. Er zijn ook geen (medische) stukken overgelegd, opgesteld door bijvoorbeeld behandelaars of professionele hulpverleners, waaruit volgt dat er concrete aanwijzingen zijn dat de fysieke afwezigheid van vader reeds heeft geleid of naar verwachting in de toekomst zal leiden tot problemen bij de kinderen in termen van (emotionele) ontwikkeling of hechting. Ook is niet onderbouwd dat referent onder druk/stress zou komen te staan bij gebrek aan fysieke aanwezigheid van eiser, waarbij de minister erop wijst dat referent ondersteuning vanuit haar ouders krijgt.
16. De minister stelt dat de conclusie op de derde vraag uitsluitend is gebaseerd op een extrapolatie van het algemene uitgangspunt dat het in beginsel wenselijk is te achten dat een kind door beide ouders wordt verzorgd en opgevoed. Volgens de minister wordt op geen enkele wijze concreet op deze specifieke individuele situatie toegespitst aangegeven c.q. onderbouwd waarom zou moeten worden aangenomen dat juist de kinderen schade zullen ondervinden ten gevolge van het voortbestaan van de huidige situatie waarin vader niet fysiek aanwezig is. Op geen enkele wijze is gesteld laat staan onderbouwd dat ten aanzien van de kinderen sprake is van specifieke individuele omstandigheden die voeding geven aan de veronderstelling dat het voortbestaan van de huidige situatie in de toekomst zal leiden tot serieuze problemen. De minister merkt in dit verband op dat in het deskundigenbericht een redenering wordt gevolgd die erop neerkomt dat er thans goed en intensief contact met de vader is, hetgeen heeft geleid tot een goede band en dat ‘dus’ moet worden verwacht dat de wijze waarop het contact thans is ingericht, in de toekomst tot problemen zal leiden. De logica van bedoelde redenering ziet de minister niet, nu blijkens het deskundigenbericht het contact zoals dat thans is ingericht juist heeft geleid tot een stabiele situatie waarin sprake is van een goede band tussen eiser en de kinderen.
17. Ten aanzien van de conclusie op de vierde vraag stelt de minister dat uit het deskundigenbericht geenszins naar voren komt dat sprake zou zijn van een duidelijke negatieve invloed van de huidige fysieke afwezigheid van eiser op de relatie met de kinderen dan wel op de (psychosociale of emotionele) ontwikkeling van de kinderen. Referent wordt gesteund door haar ouders. Er is geen reden om aan te nemen dat
referent en eiser te maken hebben met een dusdanige mate van stress dat zulks negatieve invloed zou hebben op de kwaliteit van de opvoedingsomgeving van de kinderen, te meer nu zulks op geen enkele wijze is onderbouwd middels specifiek op deze situatie toegespitste verklaringen van behandelaars en/of professionals werkzaam op medisch, psychologisch of sociaal-maatschappelijk gebied.
Het oordeel van de rechtbank
Juridisch kader
18. In paragraaf B10/2.5 van de Vc is het volgende geregeld:
De derdelands ouder heeft rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder Pro e, Vw als hij:
zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt met een geldig paspoort of geldige identiteitskaart, of met andere bewijsmiddelen als hij geen geldig paspoort of geldige identiteitskaart kan overleggen;
een minderjarig, Nederlands kind heeft;
daadwerkelijk voor het kind zorgt; en
er een zodanige afhankelijkheid tussen hem en het kind bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de derdelands ouder een verblijfsrecht wordt geweigerd.
De IND kan niet vaststellen dat er sprake is van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder Pro e, Vw als de derdelands ouder onvoldoende gegevens verschaft waarmee wordt aangetoond dat aan bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan.
Dit verblijfsrecht is afgeleid van artikel 20 VWEU Pro.
19. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [7] volgt dat de minister in overeenstemming met artikel 20 VWEU Pro en de rechtspraak van het Hof [8] vereist dat het familielid meer dan marginale zorg- en opvoedtaken verricht voor het kind. Als dat familielid slechts zorg- en opvoedtaken met een marginaal karakter verricht, of alleen omgang heeft met dat kind, dan bestaat geen daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding en loopt dat kind door weigering van verblijf aan dat familielid niet het risico feitelijk te worden gedwongen het grondgebied van de Unie te verlaten. [9]
20. In recentere rechtspraak heeft de Afdeling haar hiervoor weergegeven lijn verduidelijkt. In diens uitspraak van 22 juli 2025 heeft de Afdeling overwogen dat de criteria uit paragraaf B10/2.5 van de Vc niet cumulatief mogen worden toegepast. Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat de afhankelijkheidsverhouding, in het beleid van de minister weergegeven onder d in paragraaf B10/2.5 van de Vc, de grondslag vormt voor het ontstaan van een afgeleid verblijfsrecht. De Afdeling overweegt daarbij evenwel dat een afhankelijkheidsverhouding doorgaans niet voorstelbaar is als een betrokkene niet meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken verricht. [10]
21. Deze laatste toevoeging van de Afdeling, waarbij groot gewicht wordt toegekend aan de zorg- en/of opvoedingstaken, is evenwel niet terug te vinden in het arrest Chavez-Vilchez. [11] Uit dat arrest kan worden afgeleid dat een derdelander die ouder is van een Unieburger, een aan artikel 20 VWEU Pro afgeleid verblijfsrecht toekomt, indien – als gevolg van de afhankelijkheidsrelatie tussen het kind en de derdelander – bij de weigering van dat verblijfsrecht het kind, dat Unieburger is, feitelijk genoopt zou zijn het grondgebied van de gehele Unie te verlaten. Het gegeven dat de ouder die Unieburger is daadwerkelijk alleen de dagelijkse daadwerkelijke zorg voor het kind kan en wil dragen, is weliswaar een gegeven dat relevant is, maar volstaat op zichzelf niet om te kunnen vaststellen dat er tussen de ouder die derdelander is en het kind geen zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat het kind genoopt zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten indien aan die derdelander een verblijfsrecht wordt geweigerd. [12]
22. Om tot een vaststelling van een dergelijke afhankelijkheidsrelatie te komen moeten, volgens de rechtspraak van het Hof, in het hogere belang van het kind,
alle betrokken omstandigheden in de beschouwing worden betrokken, meer in het bijzonder de leeftijd van het kind, zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate van zijn affectieve relatie zowel met de ouder die burger van de Unie is als met de ouder die onderdaan van een derde land is, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan indien het van deze laatste ouder zou worden gescheiden. [13] Ook de kwestie van het gezag over het kind en de vraag of de wettelijke, financiële of affectieve last van dat kind rust op de ouder die derdelander is, zijn daarbij relevante omstandigheden. [14]
23. Dit betekent dus dat het criterium van marginale zorg- en opvoedingstaken niet als rechtsvermoeden dat geen sprake is van een afhankelijkheidsrelatie, mag worden gehanteerd, hetgeen de Afdelingsuitspraak van 2025 wel lijkt te impliceren. Een dergelijke benadering zou de door de rechtspraak van het Hof vereiste integrale afweging van
alleomstandigheden immers inperken. De minister, noch de Afdeling, is tot een dergelijke inperkende interpretatie van artikel 20 VWEU Pro en de rechtspraak van het Hof bevoegd. Ingevolge artikel 19 VEU Pro [15] mag immers alleen het Hof een bindende uitspraak doen over de uitleg van het Unierecht, waaraan de nationale rechtspraak vervolgens is gebonden. [16] De Afdeling is bij twijfel over de uitleg van het Unierecht ingevolge artikel 267 VWEU Pro in beginsel verplicht prejudiciële vragen aan het Hof te stellen, [17] en mag daaraan dus geen eigen invulling (zoals het formuleren van rechtsvermoedens) geven.
24. Tegen deze achtergrond begrijpt de rechtbank het beleid van de minister en de rechtspraak van de Afdeling aldus, dat onderdeel c van paragraaf B10/2.5 van de Vc in wezen een gezichtspunt is dat bij de afweging moet worden betrokken, maar niet op zichzelf tot afwijzing van een aanvraag kan leiden. Er zal steeds een integrale afweging van alle omstandigheden van het geval moeten worden gemaakt.
25. Op grond van artikel 8:47 van Pro de Awb [18] kan de bestuursrechter een deskundige benoemen voor het instellen van onderzoek. Dit betreft een discretionaire bevoegdheid van de bestuursrechter. [19] De wetgeving kent geen beperkingen ten aanzien van deze bevoegdheid, zodat het aan de bestuursrechter is om te beoordelen of hij in de aan hem voorgelegde zaak aanleiding ziet om een deskundige te benoemen. Deze benoeming hoeft niet te worden gemotiveerd. [20] In de literatuur worden als aanleiding voor een dergelijk onderzoek onder meer genoemd het streven naar finaliteit, het aanvullen van ontbrekende (specialistische) kennis en compensatie van ongelijkheid tussen het bestuur en de belanghebbende. [21]
26. De lidstaten van de Unie zijn verder verplicht om aan de hand van de door de derdelander verstrekte gegevens het nodige onderzoek te doen om vast te stellen waar de ouder die onderdaan van die lidstaat is woont en om ten eerste na te gaan of die ouder al of niet metterdaad de dagelijkse daadwerkelijke last voor het kind alleen kan en wil dragen en ten tweede na te gaan of er al dan niet een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen het kind en de ouder die derdelander is dat het kind bij weigering van een verblijfsrecht aan deze ouder het effectieve genot van de essentie van de aan zijn status van burger van de Unie ontleende rechten zou worden ontzegd. Een eventueel nationaal vastgelegde bewijslastverdeling kan aan deze onderzoeksplicht van de lidstaat geen afbreuk doen. [22] Aldus bestaat ook voor de rechtbank de verplichting te beoordelen of, gelet op de gegevens die de derdelander aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd, in bezwaar heeft aangevoerd en eventueel in beroep heeft verduidelijkt, aanleiding bestaat nader onderzoek te verrichten.
27. Verder kan uit de rechtspraak van de Afdeling worden afgeleid dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Daarvoor is wel van belang dat het deskundigenrapport blijk geeft van een zorgvuldig onderzoek dat inzichtelijk en consistent is. [23]
28. Tot slot wijst de rechtbank erop dat een Chavez-Vilchez verblijfsrecht van rechtswege ontstaat en het verstrekken van een verblijfsdocument op grond van dit arrest heeft dan ook een declaratoir karakter. [24] De minister heeft in dit kader dan ook geen beoordelingsruimte, in die zin dat als de feitelijke omstandigheden tot de conclusie moeten leiden dat bij de weigering van een verblijfsrecht het kind, dat Unieburger is, feitelijk genoopt zou zijn het grondgebied van de gehele Unie te verlaten, de minister verplicht is een verblijfsstatus toe te kennen. De criteria om te bepalen of aan die drempel is voldaan, vloeien voort uit het Unierecht en bieden geen beoordelingsruimte aan de minister. Het Unierecht dient immers binnen de Unie uniform te worden toegepast, zodat deze criteria niet van een verdere invulling door de minister afhankelijk mogen worden gesteld. De rechtbank kan bijgevolg de aan hem voorgelegde feitelijke omstandigheden ook direct aan die criteria toetsen.
Toegepast op de zaak – kan het deskundigenbericht worden gebruikt?
29. Zoals hiervoor in het juridisch kader uiteen is gezet, behoeft de benoeming van een deskundige door de rechtbank geen motivering; het betreft een discretionaire bevoegdheid van de rechtbank waaraan geen wettelijke beperkingen zijn verbonden. De stelling van de minister dat de benoeming van de deskundige in strijd zou zijn met de vigerende bewijslastverdeling kan dan ook niet worden gevolgd.
30. Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat de benoeming in het onderhavige geval ook past binnen de in de literatuur genoemde redenen die vaak aan een deskundigenbenoeming ten grondslag liggen, te weten het streven naar finaliteit, door een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de afhankelijkheidsrelatie van de kinderen met hun vader (eiser), zodat het geschil in deze procedure zo definitief mogelijk kan worden beslecht. Daarmee wordt bovendien beantwoord aan de wettelijke verplichting van de rechtbank de aan hem voorgelegde zaken zo definitief mogelijk te beslechten. [25]
31. Bovendien gaat het hier om het opvragen van specialistische kennis waarover de rechtbank, noch de minister, beschikt, zijnde een deskundige visie vanuit psychologische invalshoek op de afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en diens kinderen, bestaande uit onder andere een beoordeling van de risico’s op psychosociale of emotionele schade bij voortdurende fysieke afwezigheid van eiser.
32. Tot slot wijst de rechtbank erop dat eiser, nadat de minister in de primaire fase geen Chavez-toets had verricht, in bezwaar en beroep een duidelijke beschrijving heeft gegeven van de aard van zijn relatie met zijn kinderen en het – ondanks de afstand – frequente contact en de betrokkenheid bij de opvoeding, waaronder de (digitale) aanwezigheid bij belangrijke (onder andere consultatie) afspraken, [26] zodat daarin ook aanleiding bestond voor de rechtbank om nader onderzoek te verrichten, in dit geval door benoeming van een deskundige.
33. De minister stelt zich in diens reactie op het deskundigenbericht verder in wezen op het standpunt dat de conclusies van de deskundige niet consistent en inzichtelijk zijn. Kern van het betoog van de minister is dat de algemene wetenschappelijke visie zoals dat in antwoord op vraag 1 naar voren is gebracht, wordt geëxtrapoleerd naar de situatie van eiser, referent en diens kinderen, zonder dat er (medische) informatie van behandelaars ten grondslag ligt aan de conclusies en voorts de inhoud van het rapport juist erop duidt dat de kinderen (op dit moment) geen noemenswaardige schade ondervinden.
34. Anders dan de minister is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een voldoende op eiser en diens kinderen toegespitste motivering op basis van specifiek op eiser en diens kinderen gerichte onderzoeksresultaten. Weliswaar is er geen sprake van informatie van behandelaars van eiser of de kinderen – die zijn er mogelijk ook niet – maar de deskundige heeft wel zelf interviews met de gezinsleden afgenomen en heeft zelf observaties ten aanzien van de gezinsdynamiek verricht. De deskundige is een psycholoog, die een postmasteropleiding SKJ heeft gevolgd, bij het NIP staat geregistreerd als kinder- en jeugdpsycholoog, en een GZ-kwalificatie heeft. Aldus is de deskundige die het onderzoek heeft uitgevoerd ook ter zake deskundige om haar visie over de afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en de kinderen vanuit haar psychologisch perspectief te geven.
34. Voorts blijkt uit de verslaglegging dat de deskundige gebruik heeft gemaakt van wetenschappelijke bronnen en het onderzoek heeft uitgevoerd aan de hand van binnen de psychologische wetenschap geldende standaarden. De onderzoeksopzet en -methode is uitgebreid beschreven op pagina’s 3 en 4 van het deskundigenbericht. De minister heeft niet middels bijvoorbeeld een contra-expertise onderbouwd waarom deze onderzoeksopzet en -methode niet aan wetenschappelijke standaarden zou voldoen, zodat de rechtbank ook geen aanleiding ziet om het onderzoek onzorgvuldig te achten.
36. Dan blijft over het argument van de minister dat het deskundigenbericht niet inzichtelijk en consistent zou zijn, omdat het antwoord op vraag 1, wordt geëxtrapoleerd naar de situatie van eiser, referent en diens kinderen, terwijl de inhoud van het rapport juist erop duidt dat de kinderen (op dit moment) geen noemenswaardige schade ondervinden.
37. De rechtbank kan de minister ook in dit standpunt niet volgen. Voor zover de minister erop wijst dat de deskundige met name de beantwoording van vraag 1 extrapoleert naar de situatie van eiser en de kinderen, begrijpt de rechtbank niet goed welk bezwaar de minister hiermee naar voren tracht te brengen. In ieder geval kan dit niet leiden tot het oordeel dat het onderzoek niet inzichtelijk of consistent zou zijn. Immers, een deskundige zal (vrijwel) altijd als startpunt moeten nemen de algemene wetenschappelijke kennis op het gebied waarvan zijn expertise wordt gevraagd. Een concrete casus zal dan ook (vrijwel) altijd tegen de achtergrond van die algemene wetenschappelijke kennis worden beschouwd en dus zal een deskundigenrapport altijd in zekere zin een extrapolatie van die wetenschappelijke kennis naar het concrete geval van de casus betreffen.
38. In dit geval heeft de deskundige beschreven dat er brede wetenschappelijke consensus is dat het voor een gezonde ontwikkeling van kinderen van groot belang is dat zij opgroeien in de fysieke en emotionele nabijheid van hun ouders of primaire verzorgers, tenzij er sprake is van omstandigheden die een ontwikkelingsrisico vormen. De kwaliteit van deze relatie, bepaald door de beschikbaarheid en responsiviteit van de verzorger, heeft een blijvende invloed op de emotionele en sociale ontwikkeling van het kind. Vervolgens wordt deze algemene wetenschappelijke consensus concreet toegepast op de casus van eiser en diens kinderen. De deskundige signaleert daarbij in wezen dat eiser en referent, binnen de mogelijkheden die zij bij gebrek aan een verblijfsrecht/visum voor eiser hebben, zo goed mogelijk invulling geven aan een liefdevol en veilig gezin, waarbij de vader ondanks de digitale afstand, zo goed mogelijk zijn rol als verzorgende ouder probeert in te vullen. Hij spreekt dagelijks zijn kinderen, is er op alle belangrijke momenten digitaal bij (verjaardagen, medische afspraken etc.) [27] en jaarlijks zorgt hij ervoor dat hij en referent, samen met de kinderen afreizen naar een plek waar zij allemaal
welsamen kunnen zijn (2023 in Kenia, 2024 in Dubai en 2025 in Kenia) [28] . Dat doen zij blijkens het deskundigenbericht steeds voor een periode van 4 weken, wat overeenkomt met de minimale wettelijke vakantieduur in Nederland, die referent dus volledig gebruikt om met de kinderen eiser fysiek te kunnen zien. [29] Eiser neemt dan veel zorgtaken op zich. [30] Zodoende vult eiser de spaarzame tijd die zij fysiek samen kunnen zijn ook volledig in om samen met zijn kinderen te zijn en zorgt hij er binnen de nu beperkende omstandigheden voor dat hij er ook fysiek voor ze is. Uit het deskundigenbericht komt ook naar voren dat de kinderen eiser ook daadwerkelijk als hun vader beschouwen.
39. Vervolgens concludeert de deskundige in wezen dus dat eiser als vader emotioneel beschikbaar is voor de kinderen. De deskundige beschrijft in wezen dus ook dat er geen omstandigheden, behoudens de noodgedwongen fysieke afwezigheid, aan de zijde van eiser zijn die een ontwikkelingsrisico voor de kinderen vormen. Tegen die achtergrond, vanuit de brede wetenschappelijke consensus die er op dit punt bestaat, beschrijft de deskundige vervolgens in de kern dus dat juist vanwege die emotionele beschikbaarheid maar onmogelijkheid om daar een verdere fysieke invulling aan te geven als gevolg van de blijvende weigering van de minister een afgeleid verblijfsrecht/visum toe te kennen, er een groot risico bestaat dat de kinderen emotionele c.q. psychische schade kunnen oplopen. Dit standpunt van de deskundige is dus gebaseerd op een concrete analyse van de relatie tussen eiser, de kinderen en referent en is gebaseerd op een wetenschappelijke consensus, zodat de conclusie in zoverre consistent is.
40. Dat er momenteel nog geen sprake is van gedragsproblemen, doet aan het voorgaande geen afbreuk. De deskundige beschrijft immers dat die gedragsproblemen zich bij voortdurende fysieke gescheidenheid van de vader zich vaak pas op latere leeftijd uiten. Zo beschrijft de deskundige in het antwoord op vraag 1, onder verwijzing naar wetenschappelijke literatuur, dat afwezigheid van de vader in 0-5 jaar geassocieerd wordt met hogere niveaus van depressieve symptomen op 14-jarige leeftijd. Bovendien blijkt uit het deskundigenbericht dat ook reeds nu al bij de kinderen het besef van de fysieke afwezigheid van hun vader zich begint te ontwikkelen, de deskundige beschrijft immers:
“De kinderen zien hun vader iedere dag via FaceTime. Soms is [dochter] verdrietig, omdat ze haar vader mist. [Dochter] moet dan huilen. Wat helpt is dan vader via FaceTime te bellen.” [31]
41. Naar het oordeel van de rechtbank geeft het deskundigenbericht aldus blijk van een zorgvuldig onderzoek dat inzichtelijk en consistent is. De rechtbank zal in de verdere beoordeling de feitelijke vaststellingen in dit deskundigenbericht dan ook tot uitgangspunt nemen.
Toegepast op de zaak – wordt de Chavez-Vilchez drempel gehaald?
42. Zoals hiervoor is overwogen komt aan een derdelander die ouder is van een Unieburger, een aan artikel 20 VWEU Pro afgeleid verblijfsrecht toe, indien bij de weigering van dat verblijfsrecht het kind, dat Unieburger is, feitelijk genoopt zou zijn het grondgebied van de gehele Unie te verlaten. De rechtbank wijst voor de toepasselijke afwegingscriteria op hetgeen zij in overweging 22 heeft opgenomen.
43. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser gezag over het kind heeft. [32] Gelet op de conclusies in het deskundigenbericht, heeft de rechtbank er verder geen twijfel over dat er tussen de kinderen en eiser een afhankelijkheidsrelatie bestaat die verder gaat dan de enkele omgang met het kind. Eiser is, blijkens de beschrijving van de deskundige, zoveel mogelijk aanwezig in het leven van de kinderen, waarbij zijn betrokkenheid wordt beperkt door fysieke gescheidenheid maar hij er binnen de mogelijkheden die er zijn zo volledig mogelijk invulling geeft aan zijn rol als vader. De kinderen zien eiser ook als hun vader en de dochter voelt reeds nu al – op zeer jonge leeftijd – het gemis van haar vader. De deskundige beschrijft ook dat de kinderen binnen de huidige omstandigheden intensief contact hebben met hun vader en dat hun band groeit. De fysieke gescheidenheid brengt blijkens de conclusies van de deskundige (grote) risico’s mee voor de emotionele ontwikkeling van de kinderen. Het risico dat de kinderen, gelet op hun jonge leeftijd en afhankelijkheidsrelatie met beide ouders, psychosociale of emotionele schade ondervinden indien het contact met vader wordt beperkt of zij langdurig gescheiden van hem blijven, is volgens de deskundige immers groot. Hoe ouder de kinderen worden, hoe meer ze zich zullen realiseren dat hun vader op afstand leeft en het besef en daarmee de pijn groeit van het gemis. Aangezien blijvende gescheidenheid van de vader (zeer waarschijnlijk) kan leiden tot problemen in de emotionele ontwikkeling van de kinderen, zijn er ook aanzienlijke risico’s ten aanzien van het evenwicht van de kinderen. Dit wordt verder onderschreven door de negatieve invloed die de fysieke gescheidenheid volgens de deskundige voor de gehechtheidsrelatie tussen eiser en de kinderen heeft.
44. Uit het deskundigenbericht vloeit aldus voort dat tussen eiser en diens kinderen een vergaande afhankelijkheidsrelatie bestaat, die tot gevolg heeft dat als eiser fysiek van zijn kinderen gescheiden blijft, er een groot risico is dat de kinderen psychosociale of emotionele schade zullen ondervinden. Het in acht nemen van het hogere belang van het kind [33] brengt mee dat dat risico moet worden uitgesloten. Om deze risico’s uit te sluiten is noodzakelijk dat referent, eiser en de kinderen in fysieke nabijheid, in gezinsverband, hun relatie kunnen voortzetten. Bij weigering van een afgeleid verblijfsrecht c.q. visum, betekent dit dat om voornoemde emotionele schade en risico’s voor het evenwicht van de kinderen te voorkomen, de kinderen samen met referent feitelijk genoopt zouden zijn het grondgebied van de gehele Unie te verlaten om zo de gezinsrelatie in een ander land, samen met eiser, voort te zetten. Daarmee is voldaan aan het criterium dat bij de weigering van een verblijfsrecht het kind, dat Unieburger is, feitelijk genoopt zou zijn het grondgebied van de gehele Unie te verlaten. De minister heeft dan ook ten onrechte het gevraagde visum geweigerd.

Conclusie en gevolgen

45. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het bestreden besluit genomen in strijd met artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen.
46. Op grond van artikel 8:41a van de Awb beslecht de rechtbank het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief. Op grond van artikel 8:72, derde lid aanhef en onder b, van de Awb kan de rechtbank bepalen dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan. Van deze bevoegdheid kan gebruik worden gemaakt als de rechtbank de overtuiging heeft dat de uitkomst van het geschil, in het geval de minister opnieuw in de zaak zou voorzien, geen andere zal zijn. [34] Verder dient op grond van artikel 47 jo Pro artikel 24 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU effectieve rechtsbescherming te worden geboden, waarbij de rechten van het kind een essentiële overweging vormen.
47. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de feitelijke omstandigheden zoals die in het bijzonder uit het deskundigenbericht naar voren komen tot de conclusie moeten leiden dat eiser voldoet aan de Chavez-Vilchez-criteria. Dat betekent dat de rechtbank vaststelt dat eiser een verblijfsrecht in Nederland heeft. De rechtbank is er dan ook van overtuigd dat als de zaak naar de minister zou worden terugverwezen, hij ook – gelet op hetgeen de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen – een faciliterend visum zal (moeten) verstrekken. De rechtbank ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb het primaire besluit van 23 november 2022 te herroepen en zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat de minister binnen vier weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak eiser in het bezit moet stellen van een faciliterend visum op grond artikel 20 VWEU Pro.
48. De minister zal in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten bedragen € 3.001,- omdat de gemachtigde van eiser een bezwaarschrift heeft ingediend (1 punt x € 666,-), een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (2 punten x € 934,-) en een reactie op het deskundigenbericht heeft ingediend (0,5 punt x € 934,-). Daarnaast dient het griffierecht door de minister aan eiser te worden betaald. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • herroept het primaire besluit;
  • draagt de minister op binnen een termijn van vier weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een faciliterend visum op grond artikel 20 VWEU Pro aan eiser te verlenen;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten ad € 3.001,- te betalen aan eiser;
  • draagt de minister op het door eiser betaalde griffierecht ad € 187,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings - Rassa, rechter, in aanwezigheid van mr. M.P. de Zwart, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
2.Nederlands Instituut voor Psychologen.
3.Stichting Kwaliteitsregister Jeugd.
4.Gezondheidszorg psycholoog.
5.Vreemdelingencirculaire 2000.
6.Vreemdelingenwet 2000.
7.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.Hof van Justitie van de Europese Unie.
9.ABRvS 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1235, onder 7 en 7.1, ABRvS 16 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:790, r.o. 4.2 en ABRvS 24 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1466, r.o. 2.1.
10.ABRvS 22 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3344, r.o. 3.3. Zie ook: ABRvS 6 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2551, overweging 3.2
11.HvJ EU 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354 (Chavez-Vilchez).
12.Ibid, r.o. 69 t/m 71.
13.Ibid en HvJ EU 25 april 2024, ECLI:EU:C:2024:344 (NW en PQ), r.o. 63.
14.Zie voor een overzicht van de rechtspraak van het Hof over de af te wegen criteria voor een van artikel 20 VWEU Pro afgeleid verblijfsrecht: HvJ EU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:442 (Safi), r.o. 43 t/m 47.
15.Verdrag betreffende de Europese Unie.
16.Vgl. HvJ EU 18 december 2025, ECLI:EU:C:2025:975 (Comissie t. Polen), r.o. 110
17.Ibid, r.o. 111en 112 en HvJ EU 6 oktober 2021, ECLI:EU:C:2021:799 (Consorzio Italian Management,
18.Algemene wet bestuursrecht.
19.Vgl. Centrale Raad van Beroep 10 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1937, r.o. 4.6.1.
20.Vgl. ABRvS 20 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4789, r.o. 4.1.
21.[naam 2], [naam 3], [naam 4] en [naam 5],
22.Vgl. HvJ EU 22 juni 2023, ECLI:EU:C:2023:499 (X t. staatssecretaris van Justitie en Veiligheid), r.o. 59.
23.Vgl. ABRvS 20 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4789, r.o. 5.2.
24.Vgl. ABRvS 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1235, r.o. 7 en Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle 3 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:8062, r.o. 8.
25.Artikel 8:41a Awb.
26.Zie bijvoorbeeld de e-mail met bijlagen van 23 april 2024 van de advocaat van eiser naar Visabezwaar@ind.nl.
27.Bijvoorbeeld pagina 4, 5 en 7 van het deskundigenbericht.
28.Pagina’s 4 en 5 van het deskundigenbericht.
29.Artikel 7:634 BW Pro.
30.Pagina’s 4 en 5 van het deskundigenbericht.
31.Pagina 5 van het deskundigenbericht.
32.Vgl. Pagina’s 5 en 6 van het bestreden besluit.
33.Zie rechtsoverwegingen 21 en 22 en de daar aangehaalde jurisprudentie.
34.Vgl. ABRvS 24 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2569, r.o. 2.1.