ECLI:NL:RBDHA:2026:19510

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
NL24.8408
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 15 RTBArt. 3.1 Vreemdelingenbesluit 2000Richtlijn 2001/55/EGRichtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging tijdelijke bescherming derdelander Oekraïne wegens ontbreken duurzame relatie

Eiser, een Marokkaanse derdelander die rechtmatig verbleef in Oekraïne en vanwege de inval van Rusland tijdelijke bescherming kreeg in Nederland, werd geconfronteerd met een besluit van de minister om zijn tijdelijke bescherming te beëindigen en terugkeer naar Marokko te gelasten.

Eiser voerde aan dat het besluit onzorgvuldig was genomen, onvoldoende gemotiveerd en dat hij niet was gehoord. Ook stelde hij dat hij een duurzame relatie had met een Oekraïense vrouw die tijdelijke bescherming geniet, waardoor hij recht zou hebben op voortzetting van zijn verblijf.

De rechtbank oordeelde dat de tijdelijke bescherming van derdelanders Oekraïne eerder mag worden beëindigd dan die van Oekraïners, mits niet vóór 4 maart 2024. Eiser had geen verblijfsvergunning of aanvraag meer en de bevriezingsmaatregel gold niet als rechtmatig verblijf. De rechtbank vond dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van een duurzame relatie vóór de peildatum 24 februari 2022.

Verder was het beroep op het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel niet gegrond, omdat eiser voldoende gelegenheid had gekregen om zijn zienswijze te geven. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde de minister in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.8408

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigden: mr. R.E. Thijssen en mr. E. Spijkerman).

Inleiding

In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming, RTB), en dat hij binnen vier weken na die datum moet terugkeren naar zijn land van herkomst.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van de beantwoording van de aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) gestelde prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4394, en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742.
Het HvJ EU heeft deze vragen beantwoord in het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak Kaduna en Abkez. Vervolgens zijn op 23 april 2025 de einduitspraken van de Afdeling verschenen (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836) en is op 10 juli 2025 de einduitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, verschenen (ECLI:NL:RBAMS:2025:4843).
Naar aanleiding van deze uitspraken heeft verweerder op 7 augustus 2025 een vervangend terugkeerbesluit genomen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit.
Eiser heeft aanvullende beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Eiser heeft, zij het net buiten de daarvoor gegeven termijn, verzocht om een zitting. De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en mr. E. Spijkerman namens verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1999 en heeft de Marokkaanse nationaliteit.
2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’.
3. In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming en Nederland binnen vier weken na die datum moet verlaten. Vervolgens is er onduidelijkheid ontstaan over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit. Daarom heeft verweerder de gevolgen van dit besluit bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt, maar blijft gelden voor personen zoals eiser die nog een lopende procedure hebben. In het vervangende besluit van 7 augustus 2025 heeft verweerder bepaald dat het eerdere besluit te vroeg is genomen en dat eiser binnen vier weken na deze uitspraak Nederland moet verlaten.
4. Eiser is het niet eens met het besluit van 7 augustus 2025. Hij voert aan dat verweerder zijn tijdelijke bescherming niet mag beëindigen. Eiser voert aan dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid, omdat hij voorafgaand aan het terugkeerbesluit niet is gehoord en onvoldoende rekening is gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn relatie met [persoon] , een Oekraïense vrouw die tijdelijke bescherming geniet. Volgens eiser is verweerder bovendien niet bevoegd om reeds verleende tijdelijke bescherming van derdelanders zelfstandig te beëindigen en is het besluit in strijd met het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel. Daarnaast stelt eiser dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd en gebaseerd is op onvolledig onderzoek, onder meer omdat verweerder zich beroept op verklaringen en een vermeend loketbezoek van zijn partner [persoon] en een derde die door haar tevens is gepresenteerd als partner. Deze informatie is volgens eiser onjuist en is niet met stukken onderbouwd. Ook voert eiser aan dat verweerder in een vergelijkbare zaak wel nader onderzoek heeft verricht en de betrokken vreemdeling zelfs tweemaal voor een hoorzitting heeft uitgenodigd, terwijl eiser daartoe nooit de gelegenheid heeft gekregen. Volgens eiser is daarmee sprake van willekeur en een onzorgvuldige besluitvorming. Verder betwist eiser dat [persoon] aanwezig is geweest bij het door verweerder genoemde loketbezoek. Ter onderbouwing verwijst hij naar overgelegde schermafbeeldingen en salarisgegevens waaruit volgens hem blijkt dat zij op dat moment aan het werk was. Eiser stelt dat verweerder hem, gelet op de tegenstrijdigheden in de verschillende dossiers en de beschikbare stukken, alsnog de gelegenheid had moeten bieden om zijn relatie en de feiten nader toe te lichten. Volgens eiser kan het besluit daarom de rechterlijke toets niet doorstaan en dient het te worden vernietigd.
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het rechtmatige verblijf van eiser op 4 maart 2024 van rechtswege geëindigd is, zodat het vervangende terugkeerbesluit rechtmatig is. Hij had op dat moment ook geen verblijfsvergunning of lopende verblijfsrechtelijke aanvraag. De bevriezingsmaatregel heeft niet te gelden als rechtmatig verblijf en staat dus niet aan het uitvaardigen van een terugkeerbesluit in de weg. Dat eiser gedurende zijn tijdelijke verblijf banden met Nederland heeft opgebouwd betekent niet dat het terugkeerbesluit in strijd is met het recht op familie- of privéleven. Eiser heeft immers vanwege het tijdelijke karakter van zijn verblijfsrecht altijd rekening moeten houden met terugkeer. Ten slotte is niet onderbouwd dat hij al vóór de inval een duurzame relatie met zijn partner had.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. In het arrest Kaduna en Abkez en de daarop gevolgde einduitspraken is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het vervangende besluit is de tijdelijke bescherming van eiser na die datum beëindigd. Niet gebleken is dat eiser op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat hij een aanvraag daartoe heeft lopen. Het vervangende besluit vermeldt dat hij binnen vier weken moet terugkeren naar het land van de nationaliteit gemeld bovenaan het bestreden besluit, namelijk Marokko. Daarmee voldoet het vervangende besluit aan de vereisten van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn).
7. De rechtbank ziet geen grond om het oordeel van de Afdeling onjuist te achten. De Afdeling is gemotiveerd tot haar oordeel gekomen en de rechtbank kan deze motivering volgen. In deze motivering is betrokken dat verweerder op grond van een facultatieve bepaling heeft besloten om het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 ook toe te passen op een groep personen die door de Raad van de Europese Unie niet is aangewezen als groep die tijdelijke bescherming moest krijgen. Bij het facultatieve karakter van deze bepaling hoort de bevoegdheid om de tijdelijke bescherming van de desbetreffende groep te beëindigen. De door eiser aangehaalde voetnoot in het voorstel van de Europese Commissie van 19 september 2023, COM(2023)546, is geen dragend onderdeel van deze motivering.
8. Omdat de bevriezingsmaatregel niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een feitelijke opschorting, en daarmee dus niet als rechtmatig verblijf, is ook geen sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. Daarbij komt dat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan waaruit de ‘derdelanders Oekraïne’ mochten afleiden dat zij altijd hetzelfde zouden worden behandeld als Oekraïners of dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 zoals hiervoor aangehaald, en van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32. Dergelijke toezeggingen zijn evenmin uit het dossier van eiser op te maken.
9. Eisers beroepsgrond dat hij niet is gehoord voordat een terugkeerbesluit is genomen slaagt ook niet. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 5 juni 2026 een voornemen tot het nemen van een vervangend terugkeerbesluit heeft uitgebracht. Vervolgens heeft eiser op dit voornemen gereageerd met een zienswijze. Eiser is daarmee voldoende in de gelegenheid gesteld om feiten en omstandigheden naar voren te brengen voordat het vervangende terugkeerbesluit werd genomen, waardoor niet is gebleken van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat verweerder in de zaak van een andere vreemdeling wel een hoorzitting heeft gehouden en nader onderzoek heeft verricht, terwijl eiser die gelegenheid niet heeft gekregen, leidt dit niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft zich namelijk terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van gelijke gevallen, omdat in de andere zaak het betrokkene zelf is geweest die zich met twee partners bij verweerder heeft gepresenteerd. De beroepsgrond slaagt niet.
10. Volgens artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de RTB en artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan eiser uitsluitend als gezinslid een verblijfsrecht aan de RTB ontlenen aan de tijdelijke bescherming van zijn partner indien reeds vóór de inval van Rusland in Oekraïne sprake was van een duurzame relatie. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat daarvan sprake was. Uit de door eiser op 7 oktober 2025, 16 december 2025 en 26 januari 2026 overgelegde stukken blijkt immers dat de relatie vóór zijn komst naar Nederland was verbroken. Eiser heeft ter zitting ook niet betwist dat de relatie op de peildatum van 24 februari 2022 was verbroken. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat op de peildatum geen sprake was van een duurzame en exclusieve relatie als bedoeld in de RTB. Dat uit de overgelegde stukken tevens kan worden afgeleid dat de relatie nadien is hersteld en dat eiser en zijn partner inmiddels mogelijk weer samenwonen, leidt niet tot een ander oordeel, omdat deze omstandigheden zich na de peildatum hebben voorgedaan en daarom niet relevant zijn voor de beoordeling van het recht op tijdelijke bescherming. Gelet hierop behoeft hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd over het (vermeende) loketbezoek geen bespreking.
11. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding om het vervangende besluit onrechtmatig te achten vanwege strijd met het beginsel van non-refoulement, en verwijst hierbij naar het arrest van het HvJ EU van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, in de zaak Ararat.
12. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het vervangende terugkeerbesluit blijft in stand.
13. Omdat het oorspronkelijke besluit gelet op het arrest Kaduna en Abkez en de daarop gevolgde einduitspraken een gebrek bevatte, is het beroep in zoverre terecht ingediend en bestaat er aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond;
 veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ter hoogte van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan op 15 juli 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.