ECLI:NL:RBDHA:2026:19647
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- J.G. Vegter
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening met Kroatië
Eiser, een Soedanese asielzoeker, diende op 6 februari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. De minister nam deze niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Eiser had eerder asiel aangevraagd in Griekenland en Kroatië, maar vertrok met onbekende bestemming naar Nederland. De rechtbank oordeelt dat eiser nog steeds procesbelang heeft ondanks zijn vertrek.
De rechtbank toetst het beroep aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel en artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Eiser stelde dat Kroatië zijn internationale verplichtingen niet nakomt, onder meer vanwege politiegeweld en slechte opvang. De rechtbank volgt de Afdelingsjurisprudentie en concludeert dat het vermoeden dat Kroatië adequaat handelt niet is weerlegd. Eiser heeft onvoldoende concrete en onderbouwde aanwijzingen geleverd voor een reëel risico op schending van fundamentele rechten.
Ook de hardheidstoets van artikel 17 is Pro door eiser niet geslaagd. De minister heeft de motivering adequaat gegeven en de persoonlijke omstandigheden van eiser zijn niet voldoende onderbouwd om overdracht aan Kroatië te weigeren. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.