ECLI:NL:RBDHA:2026:19649
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Rechtbank verklaart zich onbevoegd in beroep tegen beëindiging COA-opvang
Eiser, een Congolese burger, ontving op 30 juni 2026 een brief van het COA waarin werd medegedeeld dat zijn opvang per 14 juli 2026 wordt beëindigd en hij de opvanglocatie moet verlaten. Eiser stelde hiertegen beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening. De rechtbank oordeelde dat de brief geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en ook geen met een beschikking gelijk te stellen handeling. De feitelijke beëindiging van de opvang vloeit voort uit het afwijzende asielbesluit van 15 juli 2025, dat formele rechtskracht heeft gekregen.
Eiser voerde aan dat hij ernstige psychische problemen heeft en dat beëindiging van de opvang ernstige gevolgen voor zijn gezondheid zou hebben. Verweerder stelde dat de opvang van rechtswege is geëindigd en dat de rechtbank daarom onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep. De rechtbank volgde dit standpunt en verwees naar eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De rechtbank verklaarde zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak is gedaan door rechter N. Boonstra op 14 juli 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen de beëindiging van de COA-opvang en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.