ECLI:NL:RBDHA:2026:19649

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
AWB 26/11315 + 26/11316
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 5, tweede lid, Wet COAArt. 45, eerste lid, onder c, Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54, eerste lid, aanhef en onder a, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in beroep tegen beëindiging COA-opvang

Eiser, een Congolese burger, ontving op 30 juni 2026 een brief van het COA waarin werd medegedeeld dat zijn opvang per 14 juli 2026 wordt beëindigd en hij de opvanglocatie moet verlaten. Eiser stelde hiertegen beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening. De rechtbank oordeelde dat de brief geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en ook geen met een beschikking gelijk te stellen handeling. De feitelijke beëindiging van de opvang vloeit voort uit het afwijzende asielbesluit van 15 juli 2025, dat formele rechtskracht heeft gekregen.

Eiser voerde aan dat hij ernstige psychische problemen heeft en dat beëindiging van de opvang ernstige gevolgen voor zijn gezondheid zou hebben. Verweerder stelde dat de opvang van rechtswege is geëindigd en dat de rechtbank daarom onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep. De rechtbank volgde dit standpunt en verwees naar eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De rechtbank verklaarde zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak is gedaan door rechter N. Boonstra op 14 juli 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen de beëindiging van de COA-opvang en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 26/11315 (beroep)
AWB 26/11316 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de voorzieningenrechter en de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1991, Burger van Congo, eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder

(gemachtigde: mr. A. van Beurden).

Procesverloop

Bij brief van 30 juni 2026 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat op 14 juli 2026 de verstrekkingen die hij ontvangt op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva) beëindigd worden en dat hij de COA-locatie waar hij verblijft op die datum moet verlaten.
Eiser heeft op 9 juli 2026 tegen die brief beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft op 10 juli 2026 een verweerschrift ingediend.
Op 13 juli 2026 heeft de gemachtigde schriftelijk op het verweerschrift gereageerd. Verweerder heeft op 14 juli 2026 een nadere reactie op het standpunt van eiser ingediend.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het onderzoek gesloten en heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege kan blijven [1] .

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank concludeert dat verweerders brief van 30 juni 2026 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en ook geen met een beschikking gelijk te stellen handeling. Eiser kon daarom tegen deze brief geen beroep instellen bij de bestuursrechter en de rechtbank is niet bevoegd om over het ingestelde beroep te beslissen. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
2. Eiser heeft asiel aangevraagd op 3 mei 2023. In het besluit van 15 juli 2025 is deze aanvraag door de IND afgewezen. Eiser heeft hiertegen geprocedeerd, maar met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 3 juli 2026 heeft het afwijzende asielbesluit formele rechtskracht gekregen. In het afwijzende asielbesluit heeft verweerder eiser aangezegd om Nederland te verlaten en heeft daarbij een vertrektermijn van vier weken opgelegd.
3. Eiser voert aan dat hij opvang moet krijgen. Hij heeft te kampen met ernstige psychische problemen en slaapstoornissen en staat onder actieve behandeling van een arts. Als eiser op straat komt te staan, heeft dat ingrijpende gevolgen voor de gezondheid en continuïteit van de behandeling en is de kans groot dat er onomkeerbare gevolgen intreden. Verweerder heeft geen kenbaar onderzoek gedaan naar de actuele medische situatie terwijl die informatie wel bij een kenbare individuele belangenafweging had moeten worden betrokken.
4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de opvang van rechtswege is geëindigd, waardoor de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep. Verweerder verwijst daarbij naar een aantal uitspraken van deze rechtbank [2] . Subsidiair voert verweerder aan dat een ambtshalve toets op zeer bijzondere omstandigheden niet hoefde plaats te vinden.
5. De rechtbank is van oordeel dat de brief van 30 juni 2026, waarin aan eiser is medegedeeld dat de opvang zal worden beëindigd, geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. De feitelijke beëindiging van de opvang volgt uit de meeromvattende beslissing van 15 juli 2025, gelezen in samenhang met artikel 45, eerste lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000. De opvang wordt dus beëindigd, omdat eiser niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. De brief van verweerder van 30 juni 2026 is er dus niet op gericht enig rechtsgevolg tot stand te brengen. Van een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb is dan ook geen sprake. Het is ook geen handeling van verweerder in de zin van artikel 5, tweede lid, van de Wet COA. De feitelijke beëindiging van de opvang strekt alleen tot uitvoering van het rechtsgevolg van het afwijzende asielbesluit van 15 juli 2025. Dit brengt met zich dat de rechtbank niet bevoegd is om van het beroep kennis te nemen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 18 mei 2005 en 22 maart 2018 [3] .

Conclusie en gevolgen

6. Omdat geen sprake is van een besluit in de zin van de Awb verklaart de rechtbank zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep.
7. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak AWB 26/11315:
- is onbevoegd om kennis te nemen van het beroep.
De voorzieningenrechter, in de zaak AWB 26/11316:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.
Verhinderd te tekenen
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb maakt dit mogelijk.
2.Uitspraken van de rechtbank Den Haag, 12 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:3287; rechtbank Den Haag, 21 november 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:12969; rechtbank Den Haag, 24 december 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:15410; rechtbank Noord-Holland, 6 januari 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:57; rechtbank Den Haag, 20 oktober 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:22093; rechtbank Den Haag, 22 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:8067; rechtbank Den Haag 19 juni 2025, Awb 25/12859.