ECLI:NL:RBDHA:2026:20021

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL2563074
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 KwalificatierichtlijnArt. 14 Vw 2000Art. 1:3 AwbArt. 3.34a Voorschrift Vreemdelingen 2000Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verzoek heroverweging opvolgende asielaanvraag Libië

Eiser, een Libische nationaliteit dragende vreemdeling, heeft meerdere asielaanvragen ingediend, waarvan de laatste opvolgende aanvraag door de minister is afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van deze aanvraag en het verzoek om heroverweging van eerdere besluiten.

De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte heeft geoordeeld dat nieuwe jurisprudentie geen novum kan zijn voor heroverweging. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het verzoek om heroverweging is afgewezen en had de nieuwe uitleg van het Hof van Justitie moeten betrekken.

Verder beoordeelt de rechtbank dat de minister de overgelegde kopieën van documenten terecht heeft betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling, dat eiser niet nader had hoeven worden gehoord over zijn politieke overtuiging, dat geen sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld in het woongebied van eiser, dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld, dat het verzoek om verblijf op grond van schrijnendheid onvoldoende is onderbouwd, en dat het inreisverbod terecht is opgelegd.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit voor zover het verzoek om heroverweging betreft, en draagt de minister op binnen acht weken een nieuwe beslissing te nemen. Tevens veroordeelt zij de minister in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van het verzoek om heroverweging wordt vernietigd met opdracht tot nieuwe beslissing binnen acht weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63074

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. A. Sloots).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft ten onrechte overwogen dat de door eiser aangedragen nieuwe rechtspraak geen novum kan zijn in het kader van de heroverweging. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De rechtbank zet hierna eerst het procesverloop, informatie over eerdere procedures en het bestreden besluit uiteen (2-5). De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of bewijskracht toekomt aan de kopieën van de documenten die door eiser zijn overgelegd (onder 6), of de minister eiser (nader) over zijn politieke overtuiging had moeten horen (onder 7), of er in het woongebied van eiser in Libië sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (onder 8), of aan eiser een vergunning op grond van schrijnendheid moest worden toegekend (onder 9), of aan eiser een inreisverbod mocht worden opgelegd (onder 10) en of het verzoek om heroverweging van eiser mocht worden afgewezen (onder 11). Tot slot volgt de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 december 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Eerdere asielprocedures
3. Eiser heeft de Libische nationaliteit. Eiser heeft zes eerdere asielaanvragen ingediend. De afwijzingen van deze eerdere asielaanvragen staan in rechte vast.
Huidige asielprocedure
4. Eiser heeft op 20 december 2022 een opvolgende aanvraag ingediend. Hieraan legt hij kopieën van documenten en foto’s ten grondslag. De minister heeft deze aanvraag op 11 juli 2024 niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen is eiser in beroep gegaan. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep van eiser op 18 september 2024 gegrond verklaard en de minister opgedragen om een nieuw besluit te nemen. Op 17 december 2025 heeft de minister de aanvraag van eiser in het bestreden besluit afgewezen als kennelijk ongegrond. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.
4.1.
Ter onderbouwing van zijn opvolgende aanvraag heeft eiser de volgende (kopieën van) documenten overgelegd:
- officieel uittreksel uit het geboorteregister voorgezinshoofden
- civiele identiteitskaart
- militaire identiteitskaart
- militaire identiteitskaart sportvereniging.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. risico op vervolging vanwege stamafkomst en de vader van eiser die werkzaam was bij de Revolutionaire Groene Garde van Qadhafi (ook: Khadaffi).
5.1.
De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser zijn in de eerdere procedures geloofwaardig geacht en dit staat in rechte vast. De documenten die eiser heeft overgelegd om aan te tonen dat zijn vader werkzaam was in de Revolutionaire Groene Garde in Libië zijn wel nieuw, maar kunnen niet dienen als onderbouwing voor eisers asielrelaas. Daarnaast is niet gebleken dat sprake is van een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het verzoek om heroverweging van eiser uit de zienswijze wordt niet gevolgd. Eiser komt ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘humanitair niet-tijdelijk’ wegens gestelde schrijnende omstandigheden.
Komt er bewijskracht toe aan de kopieën van de documenten die door eiser zijn overgelegd?
6. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat aan de door hem overgelegde kopieën van de documenten geen bewijskracht toekomt omdat de authenticiteit hiervan niet kan worden vastgesteld. Dit standpunt is niet verenigbaar met het arrest L.H. van het Hof van Justitie. [1] Uit dit arrest volgt dat elk document dat door een vreemdeling wordt overgelegd als onderbouwing van zijn verzoek om internationale bescherming moet worden beschouwd als een element van dat verzoek, waar rekening mee moet worden gehouden. Enkel en alleen het feit dat een document niet kan worden geauthentiseerd of dat geen objectief verifieerbare bron beschikbaar is maakt dan ook niet dat dit document buiten beschouwing mag worden gelaten. De minister handelt in strijd met de jurisprudentie van het Hof door de overgelegde documenten en foto’s af te doen als niet relevant. De minister had deze stukken moeten betrekken in de beoordeling van de geloofwaardigheid en van het risico op ernstige schade, of in ieder geval moeten motiveren waarom deze stukken niet bijdragen aan de onderbouwing van de gestelde feiten. Ook stukken waarvan de authenticiteit niet vaststaat kunnen bijdragen aan de aannemelijkheid van het asielmotief.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit Werkinstructie (WI) 2024/6 blijkt dat ook kopieën worden betrokken bij de geloofwaardigheidstoets. Dat is ook in lijn met het door eiser aangehaalde arrest L.H. [2] Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister toegelicht dat wel degelijk ook een oordeel over de inhoud is gegeven. De rechtbank kan de minister daarin volgen. Zo stelt de minister in het voornemen van 24 oktober 2025 weliswaar dat de documenten niet op authenticiteit kunnen worden onderzocht omdat het kopieën zijn en dat ze daarom niet relevant zijn, de minister stelt ook dat er tegenstrijdigheden rond het bezit en de beschikbaarheid van de originele documenten zijn, en dat er (bovendien) inhoudelijke inconsistenties zijn. Wat betreft de inhoudelijke inconsistenties heeft de minister toegelicht dat eiser in 2007 en 2009 heeft verklaard dat zijn ouders om het leven zijn gekomen, terwijl uit het door eiser overgelegde document blijkt dat zijn vader tot 2011 werkzaam was in de Revolutionaire Groene Garde in Libië, en dat dit niet overeenkomt met de verklaringen van eiser. De minister heeft de documenten zo betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling.
Had de minister eiser (nader) over zijn politieke overtuiging moeten horen?
7. Eiser betoogt dat de minister hem had moeten horen voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit. In dit kader verwijst eiser naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) waaruit blijkt dat de minister moet meewegen op welke manier eiser bij terugkeer uitvoering wil geven aan zijn politieke overtuiging en wat de gevolgen daarvan zijn. [3]
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft een opvolgende aanvraag gedaan, omdat hij beschikt over documenten (zo betoogt hij) die zijn relaas kunnen onderbouwen. In de aanvraag staat niet dat eiser ook vanwege zijn politieke overtuiging opnieuw asiel heeft aangevraagd. In het gehoor opvolgende aanvraag heeft eiser daarover ook niet verklaard. Pas in de zienswijze heeft eiser betoogd dat moet worden meegewogen dat hij sinds juni 2003 in Nederland verblijft en dat hij bij terugkeer naar Libië te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn (toegedichte) politieke en religieuze overtuiging en dat uit het voornemen niet blijkt dat dat is gebeurd. In deze enkele stelling dat eiser bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging vanwege de toegedichte politieke en religieuze overtuiging heeft de minister terecht geen aanleiding gezien om eiser daarover nader te horen.
Is er in Misrata, Libië, sprake van een situatie in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn?
8. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat in Misrata, in Libië, waar hij vandaan komt, geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Alleen al om die reden loopt eiser bij terugkeer naar Libië een reëel risico op ernstige schade. Uit de wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) van 18 oktober 2025 (WBV 2025/21) [4] blijkt dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in het noordwesten van Libië, waar eiser vandaan komt. In de zienswijze heeft eiser gemotiveerd dat in het noordwesten van Libië sprake is van een hoger niveau van willekeurig geweld. Dit heeft de minister niet betwist in het bestreden besluit. Eiser betoogt verder dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zijn individuele omstandigheden niet maken dat hij bij persoonlijk bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De vader van eiser was werkzaam voor het regime van Qadhafi en wordt sinds het verdwijnen van dit regime vermist. Eiser verblijft sinds 2003 in Nederland, wat maakt dat hij bij terugkeer naar Libië gezien wordt als (vermeende) tegenstander of als buitenstaander. Ook heeft eiser bij terugkeer naar Libië een gegronde vrees voor vervolging en/of ernstige schade vanwege zijn (toegedichte) politieke en religieuze overtuiging. Hierbij speelt mee dat eiser familie is van iemand die werkzaam was voor het voormalig regime.
8.1.
Als gevolg van het arrest X en Y [5] van het Hof van Justitie en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 juli 2024 [6] over dit arrest, neemt de minister voor artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3 van de Vw 2000 verschillende gradaties aan van willekeurig geweld aan. [7] De drie gradaties zijn:
uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld;
relatief hoger niveau van willekeurig geweld;
relatief lager niveau van willekeurig geweld.
Het uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld betreft de situatie waarin de mate van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict zodanig is dat wordt aangenomen dat een vreemdeling enkel en alleen al door zijn aanwezigheid op dat grondgebied een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon. In de hoogste gradatie van willekeurig geweld beperkt het individualiseringsvereiste zich tot het afkomstig zijn uit het land of bepaald gebied, waar sprake is van deze uitzonderlijke mate van willekeurig geweld. Bij de laagste twee gradaties moet de betrokkene aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat de omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en dat juist hij specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer daarvan te worden. Daarbij geldt een glijdende schaal. Naarmate het niveau van willekeurig geweld lager is zullen er relatief gewichtigere individuele omstandigheden vereist zijn om een reëel risico aan te nemen.
8.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Voor zover eiser heeft willen betogen dat sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld gaat de rechtbank daar niet in mee. De rechtbank ziet geen aanleiding om op grond van het Algemeen Ambtsbericht Libië 2025 aan te nemen dat sprake is van een uitzonderlijke situatie waarbij de mate van willekeurig geweld in Misrata zodanig hoog is dat een vreemdeling enkel door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op ernstige schade.
8.3.
De rechtbank komt niet toe aan het betoog van eiser dat de minister niet een relatief lager maar een hoger niveau van willekeurig geweld had moeten aannemen, omdat de minister terecht stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en dat juist hij specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer daarvan te worden. Dat legt de rechtbank hierna verder uit.
8.4.
De minister stelt terecht dat eiser niet heeft toegelicht door wie aan hem een politieke overtuiging wordt toegedicht, waarop dat is gebaseerd, hoe autoriteiten of andere actoren daarvan op de hoogte kunnen zijn en waarom dit in zijn geval leidt tot negatieve belangstelling of problemen. Bovendien noemt eiser geen concrete gebeurtenissen, signalen of aanwijzingen waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk als zodanig wordt gezien. De enkele stelling dat eiser bij terugkeer vreest voor vervolging vanwege zijn toegedichte politieke en religieuze overtuiging is niet voldoende en gaat overigens ook over gesteld gericht geweld. Eiser heeft met de door hem gestelde omstandigheden niet aannemelijk gemaakt dat hij door die omstandigheden een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Het enkele feit dat een familielid van eiser werkzaam zou zijn geweest voor het voormalig regime maakt het voorgaande niet anders. Eiser heeft dit betoog bovendien ook niet verder onderbouwd.
Had de minister aan eiser verblijf op grond van schrijnendheid moeten toekennen?9. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte geen verblijf op grond van schrijnendheid heeft toegekend en dat dit besluit onvoldoende is gemotiveerd. In dit kader heeft eiser verschillende concrete omstandigheden naar voren gebracht. Eiser verblijft al sinds juni 2003 in Nederland en is hier feitelijk geworteld. Bij terugkeer naar Libië is er geen sociaal vangnet. Dit komt mede door de vermissing van zijn vader en de instabiele situatie in Libië. Eiser verkeert al lange tijd in onzekerheid en kwetsbaarheid, die samenhangt met zijn verblijfspositie en de noodzaak om opnieuw bescherming aan te vragen. De minister heeft nagelaten om deze omstandigheden inhoudelijk te wegen. Het betreft hierbij een cumulatieve weging van factoren. Hierdoor kan de minister niet volstaan met het afzonderlijk en summier afwijzen van elementen zonder deze in onderlinge samenhang te beoordelen.
9.1.
Op grond van artikel 14, eerste lid, van de Vw 2000, is de minister bevoegd om op aanvraag en ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen dan wel te verlenen. Bij aanvragen van vreemdelingen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘humanitair niet-tijdelijk’ wegens gestelde schrijnende omstandigheden moet de minister tot inhoudelijke beoordeling overgaan. Indien volgens de minister een vreemdeling niet in aanmerking komt voor een dergelijke verblijfsvergunning moet hij dat deugdelijk motiveren. [8] In onderhavig geval heeft eiser in de zienswijze van 6 december 2025 verzocht om verblijf op grond van schrijnendheid omdat hij een schrijnend geval betreft. Dit verzoek in de zienswijze dient te worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, zo heeft eiser in de zienswijze toegelicht.
9.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor verblijf op grond van schrijnendheid. Eiser heeft, zo stelt de minister terecht, in de zienswijze een beroep op schrijnendheid gedaan zonder concreet en (waar mogelijk) met stukken, te onderbouwen welke bijzondere individuele omstandigheden maken dat in zijn situatie sprake is van schrijnendheid en waarom dit aanleiding zou moeten geven tot toepassing van een discretionaire bevoegdheid en/of het afgeven van een verklaring als bedoeld in artikel 3.34a, onder k, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000. Eiser heeft in de zienswijze niet toegelicht welke feiten en omstandigheden eiser schrijnend maken en waarom op grond daarvan een vergunning zou moeten worden verleend. De minister heeft in het verzoek daarom terecht geen aanleiding gezien om aan eiser op grond van schrijnendheid een vergunning te verlenen. De beroepsgrond slaagt niet.
Moet de minister het inreisverbod inkorten?
10. Eiser betoogt dat de minister aan hem ten onrechte een inreisverbod heeft opgelegd. Eiser voert daartoe aan dat hij niet heeft verzocht om een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM, maar enkel om opheffing of inkorting van het aan hem opgelegde inreisverbod. Het privéleven van eiser is hierbij relevant voor de belangenafweging in het kader van het inreisverbod. Uit het beleid van de minister volgt dat de standaardperiode voor een inreisverbod twee jaar is. Om die reden verzoekt eiser de minister dan ook om het inreisverbod te verkorten naar twee jaar.
10.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd waarom het inreisverbod moet worden ingekort naar twee jaar. Aan eiser is een inreisverbod voor de duur van vijf jaar opgelegd. Op het voornemen tot oplegging van dit inreisverbod heeft eisers destijds niet gereageerd in de zienswijze. De minister heeft in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen reden hoeven zien om het inreisverbod in te korten. Dat de minister ook heeft beoordeeld of op grond van artikel 8 van Pro het EVRM verblijf moet worden toegestaan betekent niet dat hij het privéleven niet heeft meegewogen in het kader van het inreisverbod. Uit het bestreden besluit volgt naar het oordeel van de rechtbank data dat is gebeurd. De minister vat in het bestreden besluit eerst eisers betoog als volgt samen:
“U verzoekt om een opheffing, dan wel om een verkorting van het inreisverbod tot een duur van twee jaar. U voert hierbij aan dat er geen enkele omstandigheid heeft voorgedaan die een langere duur dan de gebruikelijke twee jaar kan rechtvaardigen. Ook doet u een beroep op artikel 8 EVRM Pro, privéleven, omdat u inmiddels al 22 jaar in Nederland verblijft.”
De minister stelt daaropvolgend dat eisers verzoek niet wordt gevolgd omdat eiser niet concreet heeft onderbouwd waarom het inreisverbod zou moeten worden opgeheven of waarom de duur daarvan zou moeten worden verkort tot twee jaar. De rechtbank kan de minister daarin ook volgen, nu eiser niet meer toelichting heeft gegeven dat de toelichting dat hij inmiddels 22 jaar in Nederland verblijft, terwijl gedurende deze lange periode geen concrete of voortvarende inspanningen zijn verricht om hem te verwijderen naar het land van herkomst. En dat ook niet met voldoende voortvarendheid is beslist op zijn asielaanvraag. Dat de minister vervolgens heeft beoordeeld of aan eiser op grond van artikel 8 van Pro het EVRM verblijf moet worden toegestaan maakt het voorgaande niet anders.
Mocht de minister het verzoek om heroverweging afwijzen?
11. Eiser betoogt dat de minister het verzoek om heroverweging van alle eerdere besluiten ten onrechte heeft afgewezen. Hierbij verwijst eiser naar het recente en hiervoor ook aangehaalde arrest X en Y van het Hof van Justitie. [9] waarin het Hof een (bindende) uitleg heeft gegeven aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtijn. Besluiten waarin een andere toetsingswijze is gehanteerd dan die het Hof in dat arrest uiteenzet [10] kunnen evident onredelijk zijn. Het arrest X en Y houdt namelijk een verduidelijking van Europees recht (de Kwalificatierichtlijn) in die het fundament van de eerdere beoordeling raakt. Om die reden kan de minister niet enkel volstaan met de stelling dat jurisprudentie geen nieuw element kan zijn voor een heroverweging. Dit blijkt ook uit eerdere jurisprudentie van het Hof van Justitie, waaruit blijkt dat een bestuursorgaan moet terugkomen op een besluit wanneer aan een aantal cumulatieve voorwaarden is voldaan. Op die manier wordt rekening gehouden met een latere uitleg die het Hof van Justitie aan Europees recht heeft gegeven. De minister heeft dan ook ten onrechte niet beoordeeld of het eerdere besluit, gezien de nieuwe uitleg van het Hof van Justitie van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, moest worden heroverwogen.
11.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat er geen aanleiding bestaat om de eerdere besluiten te heroverwegen. Hierbij is van belang dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. Jurisprudentie kan alleen worden gezien als nieuw feit of omstandigheid bij een opvolgende aanvraag. Dit volgt ook uit vaste rechtspraak van de Afdeling. Eisers eerdere aanvraag, zo stelt de minister, is afgewezen op de toen bekende informatie en is in rechte vast komen te staan. Er is geen zwaarwegende reden om terug te komen op die beslissing. De opvolgende aanvraag van eiser is ook afgewezen, omdat eiser geen redenen heeft aangevoerd waarom aan hem een verblijfsvergunning moet worden verleend.
11.2.
Deze beroepsgrond slaagt. Een verzoek om heroverweging is iets anders dan een opvolgende aanvraag. Met een verzoek om heroverweging stelt de vreemdeling namelijk dat een eerder afgewezen asielaanvraag alsnog met terugwerkende kracht moet worden ingewilligd, [11] terwijl de vreemdeling met een opvolgende asielaanvraag stelt dat hij vanwege nieuwe feiten en bevindingen nu (wel) in aanmerking komt voor een asielstatus. Doet de vreemdeling tegelijkertijd een opvolgende asielaanvraag en een verzoek om heroverweging, dan moet de minister daar gelijktijdig op beslissen. [12]
11.3.
Eiser heeft er in deze zaak terecht op gewezen dat hij het arrest X en Y van het Hof van Justitie als zodanig als nieuw feit (‘novum’) aan zijn verzoek om heroverweging ten grondslag heeft gelegd. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting het standpunt van de minister dat hij het verzoek om heroverweging kon afwijzen omdat dit arrest geen novum kan zijn, bevestigd. Eiser wijst er echter terecht op dat een arrest van het Hof van Justitie onder omstandigheden wel een novum kan zijn. [13] De minister heeft dat niet onderkend. De minister heeft daarmee onvoldoende gemotiveerd waarom hij het verzoek om heroverweging heeft afgewezen.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser, gelet op wat onder 11.3 is overwogen, gelijk krijgt en de rechtbank het bestreden besluit vernietigt voor zover de minister daarin het verzoek om heroverweging van eiser heeft afgewezen. De rechtbank zal de minister opdragen om binnen acht weken met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het verzoek om heroverweging te nemen.
12.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister de proceskosten van eiser vergoeden. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (twee punten met elk een waarde van € 934,-). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover de minister daarin niet heeft beslist op het verzoek van eiser om heroverweging van de afwijzing van zijn derde asielaanvraag;
- draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het verzoek om heroverweging te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.HvJEU 10 juni 2021, C-921/19, ECLI:EU:C:2021:478.
2.ECLI:EU:C:2021:478.
4.Staatscourant, 35107, 29 oktober 2025.
5.Arrest van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843.
6.ABRvS 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927.
7.Brief minister van 19 november 2024, TK 2024-2025, 19 637, nr. 3315. Zie ook WBV 2025/2 (5 februari, Stcrt. 2025, nr. 3204) en de verwerking daarvan in paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vc 2000.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4130.
9.HvJEU 9 november 2023, C-125/22, ECLI:EU:C:2023:843.
10.Zie onder 7.1.
11.Vergelijk ABRvS 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1430, r.o. 4.3.
12.ABRvS 9 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:37, r.o. 2.2. Zie ook het Informatiebericht 2025/25.
13.Zie HvJEG 13 januari 2004, C-453/00, ECLI:EU:C:2004:17 (