ECLI:NL:RBDHA:2026:20225

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.22025
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 DublinverordeningArt. 4 EU HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft het beroep inhoudelijk behandeld en beoordeeld of het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk nog geldt, mede aan de hand van het AIDA Country Report on France update 2025. De rechtbank concludeert dat er geen sprake is van structurele tekortkomingen in de Franse opvangvoorzieningen of asielprocedure die een onmenselijke of vernederende behandeling van eiser zouden veroorzaken.

Eiser stelde dat hij in Frankrijk geen opvang, zorg of rechtsbijstand zou krijgen en dat de Franse autoriteiten zijn aanvraag niet in behandeling namen. De rechtbank oordeelt echter dat Frankrijk het verzoek tot terugname heeft aanvaard en dat eiser toegang heeft tot opvang en zorg. Ook is niet gebleken dat eiser geen klachten kan indienen bij Franse autoriteiten.

Verder heeft de minister terecht geen toepassing gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening, omdat er geen bijzondere, individuele omstandigheden zijn die een overdracht aan Frankrijk van onevenredige hardheid maken.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het besluit van de minister. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22025

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S.N. Ali),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 16 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 6 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser is niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening zoals dat luidde tot 12 juni 2026.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser voert aan dat de minister niet langer uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk. In Frankrijk waren de leefomstandigheden zeer slecht. Eiser beschikte niet over opvang, rechtsbijstand en was afhankelijk van liefdadigheidsinstellingen. Zelfs de kwetsbare vreemdelingen in Frankrijk worden niet opgevangen. Uit het AIDA Country Report on France update on 2025 (AIDA rapport update 2025), volgt bovendien dat slechts 20.2% van de vreemdelingen die onder de Dublinprocedure vielen in 2025 opvang genoten. [2] Eiser wijst er verder op dat hij in Frankrijk geen toegang zal krijgen tot zorg, omdat daarvoor een identiteitsdocument nodig is en eiser die niet bezit. [3] Verder weigerden de Franse autoriteiten om eisers asielaanvraag in behandeling te nemen. De minister heeft onvoldoende onderbouwd op welke wijze de Franse autoriteiten instemmen met de overdracht dan wel garanderen dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen.
5.1.
Uit artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat lidstaten een verzoeker niet mogen overdragen aan de verantwoordelijke lidstaat als ernstig moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor verzoekers in die lidstaat systeemfouten bevatten die resulteren in een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest. Dit betekent dat beoordeeld moet worden of sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen waarvan de minister niet onkundig kon zijn en waardoor de verzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van Pro het EU Handvest. Van een dergelijk risico is sprake als in Frankrijk sprake is van structurele tekortkomingen die maken dat de vreemdeling, die volledig afhankelijkheid is van overheidssteun door de onverschilligheid van de autoriteiten, buiten zijn wil en persoonlijke keuzes om terecht zou komen in een situatie van “zeer verregaande materiële deprivatie”. [4] De minister moet bij zijn beoordeling alle informatie betrekken die door de verzoeker is ingebracht, en ook uit eigen beweging rekening houden met relevante en objectieve informatie waarvan hij kennis heeft. [5]
5.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister in zijn algemeenheid mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk. De minister wijst in dit kader terecht op rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) waaruit dit blijkt. [6] Hierbij is het AIDA Country Report on France update on 2024 (AIDA rapport, update 2024), betrokken. De Afdeling heeft over de opvangvoorzieningen in Frankrijk geoordeeld dat uit het AIDA rapport, update 2024 niet blijkt dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure. De rechtbank overweegt dat uit het recente AIDA rapport update 2025 geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken. In het AIDA rapport update 2025 volgt zelfs een verbeterd beeld van de opvangvoorzieningen ten opzichte van het vorige jaar. In 2025 waren er 59.1% asielzoekers zonder opvang en in 2024 was dat 61,3%. [7] Daarnaast acht de rechtbank van belang dat uit het AIDA rapport update 2025 volgt dat de Franse autoriteiten pogingen hebben gedaan om meer opvangplekken te creëren, zodat van onverschilligheid van de autoriteiten geen sprake is. [8]
Het genoemde percentage van 20,2% waarnaar eiser verwijst, heeft betrekking op asielzoekers die in Frankrijk in de Dublin-procedure worden behandeld en vanuit Frankrijk worden overgedragen aan een andere lidstaat. Uit het rapport volgt dat personen die via de Dublinprocedure worden overgedragen aan Frankrijk, zoals eiser, niet als een aparte groep worden gezien binnen het Franse opvangsysteem. In plaats daarvan worden zij gelijkgesteld aan asielzoekers die via de reguliere procedure hun aanvraag doen. Dit betekent dat Dublin-terugkeerders dezelfde toegang hebben tot opvangvoorzieningen als andere asielzoekers. [9]
5.3.
Verder stelt de minister terecht dat niet is gebleken dat eiser zich, als zich problemen zouden voordoen bij het vinden van opvang, niet voor hulp en bescherming of voor het indienen van klacht zou kunnen wenden tot de (hogere) Franse autoriteiten. Niet is gebleken dat eiser eerder heeft geprobeerd om bij de autoriteiten te klagen. Dat eiser niet kan klagen vanwege een taalbarrière maakt niet dat klagen bij voorbaat zinloos is. Bovendien kan er eventueel gebruik worden gemaakt van een tolk. Eiser is niet eerder als Dublinclaimant aan Frankrijk overgedragen. Dat de Franse autoriteiten weigerden eisers asielaanvraag in behandeling te nemen, wordt niet gevolgd. De Franse autoriteiten zijn op 14 april 2026 akkoord gegaan met het claimverzoek op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening, zoals dat luidde tot 12 juni 2026. Dit houdt in dat eisers asielverzoek in behandeling is bij de Franse autoriteiten. Middels het claimakkoord is ook duidelijk dat Frankrijk instemt met overdracht. Wat betreft de zorgbehoefte stelt de minister terecht dat er geen indicaties zijn dat eiser kwetsbaar is of momenteel zorg nodig heeft. Het artikel waar eiser naar verwijst gaat over personen die illegaal in Frankrijk verblijven. Eiser is niet illegaal in Frankrijk, aangezien zijn asielaanvraag nog loopt. Eiser heeft daarom toegang tot de zorg in Frankrijk. [10]
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
6. Eiser voert aan dat de minister toepassing had moeten geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De minister heeft nagelaten te motiveren dat er geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden. Verder heeft de minister geen rekening gehouden met het gegeven dat er sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen. Ook is eisers asielaanvraag in Frankrijk niet in behandeling genomen en zal hij op zichzelf gewezen zijn. Uit het claimakkoord volgen geen garanties dat eisers asielaanvraag in behandeling wordt genomen. Eiser heeft in de praktijk geen mogelijkheid om te klagen bij hogere instanties.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft niet ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening zoals dat luidde tot 12 juni 2026. De minister trekt een asielaanvraag onverplicht aan zich onder andere als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht aan de andere lidstaat van onevenredige hardheid getuigt. [11] De aangevoerde omstandigheden hebben betrekking op de vraag of er concrete aanwijzingen zijn dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Deze persoonlijke ervaringen in Frankrijk zijn daarnaast al door de minister in de besluitvorming betrokken bij de beoordeling of nog mag worden uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister hoeft dezelfde persoonlijke ervaringen in dat geval niet nogmaals te toetsen in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, zoals dat luidde tot 12 juni 2026. [12] Dit oordeel heeft de Afdeling recent herhaald. [13] Eiser heeft geen andere omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden, waardoor de minister de asielaanvraag van eiser aan zich moet trekken.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zoals dat luidde tot 12 juni 2026.
2.AIDA rapport France, update 2025 van mei 2026, pagina 130.
3.InfoMigrants, France: Criticism of two new reforms of State Medical Aid (AME) van 13 februari 2026.
4.Vergelijk HvJEU 19 maart 2019, C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218 (
5.Dit toetsingskader volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 29 februari 2024 (arrest X), ECLI:EU:C:2024:195, en de uitspraak van de ABRvS van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455.
6.ABRvS 30 augustus 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3552) en ABRvS 31 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3623).
7.Zie p. 128 van het AIDA rapport France Update 2025 van mei 2026.
8.Zie p. 134 en 135 van het AIDA rapport France Update 2025 van mei 2026.
9.Zie p. 130 van het AIDA rapport France Update 2025 van mei 2026.
10.Zie ook AIDA rapport France Update 2025 van mei 2026, pagina 140.
11.Dat stond voor 12 juni 2026 in artikel 17 van Pro de Dublinverordening, nader ingevuld in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
12.ABRvS 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164.
13.ABRvS 26 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1667.