In deze bestuursrechtelijke procedure heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 26 november 2023. De rechtbank had in een eerdere uitspraak de minister een beslistermijn van zestien weken opgelegd, met een dwangsom van €100 per dag tot een maximum van €7.500. De minister heeft echter niet binnen deze termijn een besluit genomen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’. Gezien de overschrijding van de bovengrens van 21 maanden acht de rechtbank een kortere termijn passend en legt zij een beslistermijn van acht weken op, ingaande de dag na de bekendmaking van deze uitspraak.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000, bedoeld als prikkel voor de minister om binnen de gestelde termijn een besluit te nemen. De rechtbank ziet geen aanleiding tot verhoging van de dwangsom ondanks het eerdere uitblijven van een besluit. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €467.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Eiser krijgt hiermee gelijk en de minister wordt verplicht binnen acht weken alsnog een besluit te nemen, onder dreiging van een dwangsom.