ECLI:NL:RBDHA:2026:20582
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L.J. van der Veen
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiseres, een Syrische nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van haar aanvraag. De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 behandeld, waarbij eiseres en haar gemachtigde niet verschenen.
De rechtbank overweegt dat Nederland op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan van de naleving van internationale verplichtingen door Duitsland. Eiseres heeft onvoldoende concrete aanwijzingen geleverd dat zij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Ook haar verwijzingen naar AIDA-rapporten en medische klachten zijn niet onderbouwd met voldoende bewijs.
Daarnaast leidt het ontbreken van kosteloze rechtsbijstand niet tot een ander oordeel, aangezien niet iedere vreemdeling hier recht op heeft en het beroep volgens de rechter geen reële kans van slagen heeft. De rechtbank wijst ook het argument van indirect refoulement af, omdat hiervoor geen systeemfouten in Duitsland zijn aangetoond.
De rechtbank concludeert dat de minister zich redelijk heeft opgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter L.J. van der Veen en griffier K.E. Mulder op 23 juli 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.