ECLI:NL:RBDHA:2026:20582

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.19530
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 12 DublinverordeningArt. 19 Procedurerichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiseres, een Syrische nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van haar aanvraag. De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 behandeld, waarbij eiseres en haar gemachtigde niet verschenen.

De rechtbank overweegt dat Nederland op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan van de naleving van internationale verplichtingen door Duitsland. Eiseres heeft onvoldoende concrete aanwijzingen geleverd dat zij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Ook haar verwijzingen naar AIDA-rapporten en medische klachten zijn niet onderbouwd met voldoende bewijs.

Daarnaast leidt het ontbreken van kosteloze rechtsbijstand niet tot een ander oordeel, aangezien niet iedere vreemdeling hier recht op heeft en het beroep volgens de rechter geen reële kans van slagen heeft. De rechtbank wijst ook het argument van indirect refoulement af, omdat hiervoor geen systeemfouten in Duitsland zijn aangetoond.

De rechtbank concludeert dat de minister zich redelijk heeft opgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter L.J. van der Veen en griffier K.E. Mulder op 23 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19530

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres,

geboren op [geboortedatum],
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het verzoek om een voorlopige voorziening [1] , op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiseres en haar gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
1.2.
Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026 gelden de regels die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2024/1351 betreffende asiel- en migratiebeheer (AMB-verordening). Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) vastgelegde criteria. [2]
4.1.
Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 16 februari 2026 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 18 februari 2026 op grond van artikel 12, eerste lid, van de Dublinverordening aanvaard.
Zienswijze
5. De rechtbank overweegt dat de algemene stelling van eiseres in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen aanmerken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het besluit ingegaan op de zienswijze van eiseres. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiseres in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens haar niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.
Is overdracht in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest [3] ?
6. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van Duitsland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [4] Dit betekent dat de minister ervan mag uitgaan dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiseres zal nakomen en dat de behandeling van eiseres in Duitsland niet in strijd zal zijn met artikel 3 van Pro het EVRM [5] en artikel 4 van Pro het Handvest. Eiseres kan dit vermoeden weerleggen door met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Hiervoor kan zij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Duitsland overleggen. Van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest zal, als eiseres aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Van belang is dat Duitsland zich met het claimakkoord heeft verplicht om te handelen conform de daarbij gestelde Europese richtlijnen en internationale verplichtingen. Eiseres heeft met haar verwijzingen naar de AIDA rapporten van de jaren 2021, 2022, 2023 en 2024 niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. De rechtbank heeft al eerder geoordeeld [6] dat het meest recente AIDA rapport geen wezenlijk ander beeld laat zien dan de eerdere AIDA rapporten, die zijn beoordeeld in de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2025. [7] Indien eiseres in Duitsland problemen ondervindt, kan zij hierover klagen bij de Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat eiseres dit heeft gedaan dan wel dat de (hogere) Duitse autoriteiten eiseres niet willen of kunnen helpen. De beroepsgrond slaagt niet.
Recht op kosteloze rechtsbijstand
7. De omstandigheid dat geen kosteloze rechtsbijstand wordt verleend, leidt niet tot een ander oordeel. Niet iedere vreemdeling heeft onvoorwaardelijk recht op kosteloze rechtsbijstand. Hiervoor verwijst de rechtbank naar artikel 19 en Pro verder van de Procedurerichtlijn. Daarnaast biedt artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn lidstaten expliciet de mogelijkheid om geen kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te bieden wanneer het beroep volgens de rechterlijke instantie of een andere bevoegde autoriteit geen reële kans van slagen heeft. Dit is in lijn met de Europese richtlijnen en internationale verplichtingen. Als eiseres in Duitsland problemen ondervindt, kan zij hierover klagen bij de Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen bij problemen bij voorbaat kansloos of zinloos is. Ook de omstandigheid dat onzeker is of het beroep kans van slagen heeft leidt niet tot een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
Schending artikelen 21 en 22 van de Opvangrichtlijn
8. De rechtbank stelt vast dat eiseres haar stelling dat zij medische klachten heeft niet met stukken heeft onderbouwd. De rechtbank is dan ook niet gebleken dat eiseres valt onder de in artikel 21 van Pro de Opvangrichtlijn genoemde categorie kwetsbare personen. Daarbij mag de minister zoals hiervoor overwogen ten aanzien van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.
Indirect refoulement
9. Voor zover eiseres vreest voor indirect refoulement, verwijst de rechtbank naar het arrest van het Hof van 30 november 2023 [8] en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024. [9] Daaruit volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Alleen als aannemelijk is gemaakt dat ten aanzien van de verantwoordelijke lidstaat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan wegens systeemfouten in de asielprocedure of opvangvoorzieningen, bestaat aanleiding voor een verdere beoordeling van een gestelde schending van het verbod van refoulement. Zoals hiervoor is overwogen, heeft eiseres dergelijke systeemfouten niet aannemelijk gemaakt en kan ten aanzien van Duitsland nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan.
Artikel 17 Dublinverordening Pro
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden geen aanleiding vormen om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen. Zoals overwogen onder 8. heeft eiseres haar medische gesteldheid niet met stukken onderbouwd. De minister heeft hierin dan ook geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag aan zich te trekken. De minister heeft verder op de zitting gereageerd op de door eiseres in beroep naar voren gebrachte stelling dat haar schoonfamilie roddels over haar heeft verspreid, waardoor haar reputatie in de Syrische gemeenschap ernstig is beschadigd. De minister heeft er in dat kader terecht op gewezen dat eiseres zich met eventuele problemen kan wenden tot de Duitse autoriteiten. De minister is op hetgeen door eiseres naar voren is gebracht gemotiveerd ingegaan en heeft daarbij mogen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [10]

Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.E. Mulder, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer NL26.19531.
2.Artikel 84 lid 2 van Pro de AMB-verordening (overgangsmaatregelen).
3.Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:588) en 8 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4770) waarbij de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond (ECLI:NL:RBLIM:2025:8989) is bevestigd.
5.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
6.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 19 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:16626, r.o. 5.2.
8.Hof van Justitie van Europese Unie, ECLI:EU:C:2023:934.
10.Zie ook: de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1595.