Eiser, een Turkse nationaliteit dragende vreemdeling, diende op 15 juli 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser voerde aan dat hij onrechtmatig werd behandeld in Kroatië en dat er sprake is van structurele tekortkomingen in het Kroatische asiel- en opvangsysteem, onderbouwd met persoonlijke verklaringen en landeninformatie.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde dat hij meer dan drie maanden buiten de EU verbleef, waardoor Kroatië terecht als verantwoordelijke lidstaat werd aangewezen. Het standaardvoornemen van de minister werd als zorgvuldig en rechtsgeldig beoordeeld. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel werd bevestigd, waarbij verweerder mocht uitgaan van de naleving van internationale verplichtingen door Kroatië. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met het Handvest en EVRM strijdige behandeling.
Ook het beroep op bijzondere individuele omstandigheden die een overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid zouden maken, werd verworpen. De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit zorgvuldig en gemotiveerd is genomen en verklaarde het beroep ongegrond.