ECLI:NL:RBDHA:2026:2073

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
NL25.53872
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 lid 1 onder b Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 20 lid 5 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 30 lid 1 Vreemdelingenwet 2000Art. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Kroatië

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende vreemdeling, diende op 15 juli 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser voerde aan dat hij onrechtmatig werd behandeld in Kroatië en dat er sprake is van structurele tekortkomingen in het Kroatische asiel- en opvangsysteem, onderbouwd met persoonlijke verklaringen en landeninformatie.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde dat hij meer dan drie maanden buiten de EU verbleef, waardoor Kroatië terecht als verantwoordelijke lidstaat werd aangewezen. Het standaardvoornemen van de minister werd als zorgvuldig en rechtsgeldig beoordeeld. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel werd bevestigd, waarbij verweerder mocht uitgaan van de naleving van internationale verplichtingen door Kroatië. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met het Handvest en EVRM strijdige behandeling.

Ook het beroep op bijzondere individuele omstandigheden die een overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid zouden maken, werd verworpen. De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit zorgvuldig en gemotiveerd is genomen en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.53872
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. M. van Werven),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. D. Gigengack)

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 november 2025 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.53873), op 23 december 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1995. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 15 juli 2025 ingediend.
1.1.
Op 9 september 2025 heeft Nederland aan Kroatië verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening)
.Kroatië heeft dit verzoek op 22 september 2025 aanvaard op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.
Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een
met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beroepsgronden
3. Eiser verzoekt om de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. Primair stelt eiser zich op het standpunt dat er ten onrechte een claimverzoek is gericht tot de Kroatische autoriteiten. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij op 12 november 2024 Kroatië is uitgezet en vervolgens ongeveer 8 maanden in Bosnië heeft verbleven. Ter onderbouwing verwijst eiser naar een hotelkwitantie, hierna heeft eiser bij andere illegaal verblijvende mensen in Bosnië verbleven en is hij zijn telefoon kwijtgeraakt. Hierdoor is het lastig om aan te tonen dat hij meer dan 3 maanden buiten de Europese Unie heeft verbleven. Aanvullend verwijst eiser naar een medische verklaring uit Bosnië. Subsidiair voert eiser aan dat verweerder een standaardvoornemen heeft uitgebracht en dat het bestreden besluit onzorgvuldig en ondeugdelijk is gemotiveerd. Verweerder stelt namelijk dat eiser zijn verblijf van meer dan 3 maanden buiten de Europese Unie niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook gaat verweerder in het voornemen niet in op de verklaringen van eiser ten aanzien van de aanhouding in Kroatië en ten aanzien van het feit dat eiser Kroatië uit is gezet. Verder motiveert verweerder niet waarom hij de zaak niet aan zich trekt op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening terwijl eiser in Kroatië slecht is behandeld, door de politie is geslagen toen hij naar Bosnië uit is gezet en slachtoffer is geweest van pushbacks. Eiser heeft persoonlijke verklaringen aangedragen over wat hem in Kroatië is overkomen. De verklaringen van eiser komen overeen met de landeninformatie over Kroatië, dit betekent dat niet zomaar aan de verklaringen voorbij kan worden gegaan. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de uitspraken van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam van 2 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:76 en van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond van 10 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:20680. Verweerder miskent dat de tekortkomingen structureel zijn, alhoewel het aantal klachten daalt is er namelijk nog steeds sprake van pushbacks en de Kroatische autoriteiten zijn onverschillig. Pushbacks vinden steeds vaker dieper in Kroatië plaats en in de zomer werd een sterke toename van pushbacks en het niveau van politiegeweld gesignaleerd. Ter onderbouwing verwijst eiser naar het AIDA-rapport, Update 2023 van 10 juli 2024 en het AIDA-rapport Update 2024 van 18 augustus 2025. Daarbij heeft verweerder volgens eiser niet aan zijn onderzoeksplicht voldaan. Ter onderbouwing verwijst eiser naar een uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 27 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4267. Uit deze uitspraak volgt dat verweerder uit eigen beweging, ongeacht de beroepsgronden, ambtshalve moet nagaan of er een risico bestaat dat de vreemdeling na overdracht geconfronteerd zal worden met tekortkomingen in de asiel- en opvangprocedure. Verder lopen Dublinterugkeerders in Kroatië het risico om beschouwd te worden als indieners van een opvolgende aanvraag, ze krijgen onmiddellijk het verzoek om de luchthaven te verlaten. Dit volgt uit het AIDA-rapport, Update 2024, van 18 augustus 2025 en uit meldingen van Center for Peace Studies (CPS). Verder heeft de organisatie Dokters van de Wereld vastgesteld dat de psychische problemen van veel Dublinterugkeerders verergerden of ontstonden na de Dublinoverdracht. Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat uit de acceptatie van de claim op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening volgt dat eiser zal worden beschouwd als iemand die een herhaalde aanvraag indient.
Beoordeling van het beroep
Verwijzing naar de zienswijze
4. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd op de zienswijze ingegaan. Voor zover eiser enkel verwijst naar zijn zienswijze zonder toe te lichten op welke punten het bestreden besluit volgens hem onjuist of onvolledig is en waarom, kan dit niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank zal zich dan ook beperken tot de bespreking van de gronden die in beroep zijn aangevoerd.
Verantwoordelijke lidstaat
5. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de overgelegde hotelkwitantie, waaruit volgt dat eiser van 14 november 2024 tot en met 20 november 2024 in Gini House Hostel (kennelijk in Sarajevo) heeft verbleven, en de medische verklaring waaruit blijkt dat eiser op 13 en 14 januari 2025 in Bosnië was, onvoldoende om aan te tonen dat eiser ook daadwerkelijk drie maanden buiten de Europese Unie heeft verbleven. De rechtbank overweegt dat het aan eiser is om zijn verklaringen te onderbouwen. Niet valt in te zien waarom eiser geen (andere) bonnen, vervoersbewijzen, of andere bewijsstukken zou kunnen overleggen om zijn verblijf in Bosnië te onderbouwen. De enkele stelling van eiser dat hij bij mensen heeft verbleven die illegaal in Bosnië verblijven en dat zijn telefoon kapot was, is onvoldoende voor een ander oordeel. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het voorgaande, terecht een claim gelegd bij de Kroatische autoriteiten en terecht geoordeeld dat eiser zijn verblijf van meer dan drie maanden buiten de Europese Unie niet aannemelijk heeft gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
Standaardvoornemen
6. Eiser wordt niet gevolgd in zijn betoog dat een standaardvoornemen onvoldoende is. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1642), waarin verweerder op een vergelijkbare manier had gehandeld. De Afdeling oordeelde dat het feit dat het besluit voor het eerst meer specifiek ingaat op de individuele omstandigheden van een vreemdeling op zichzelf geen grond voor het oordeel dat dit onzorgvuldig is. Dat in het voornemen slechts algemene overwegingen zijn opgenomen en de verklaringen van eiser hierin niet expliciet zijn meegenomen, maakt dan ook niet dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Het voornemen is namelijk geen op rechtsgevolg gericht besluit, maar een voorbereidingshandeling. In het voornemen moeten wel alle dragende overwegingen zijn opgenomen, daaronder begrepen een standpunt over de vraag of de aangevoerde individuele omstandigheden aan overdracht in de weg staan. In het voornemen van verweerder is voldoende duidelijk uiteengezet op welke gronden Kroatië verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. Eiser heeft door middel van het indienen van een zienswijze de gelegenheid gekregen om te reageren op het voornemen en heeft hier ook gebruik van gemaakt. Verweerder is in het bestreden besluit op de zienswijze ingegaan en heeft hierbij ook de verklaringen van eiser in het gehoor betrokken. Er is door verweerder niet zomaar aan de verklaringen van eiser voorbijgegaan. Eiser is hierdoor in staat gesteld om alle relevante informatie naar voren te brengen. De beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
7.1
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft op 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4037), 6 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:919) en op
20 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3901) bevestigd dat verweerder ten aanzien van Dublinclaimanten in Kroatië nog altijd kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Er zijn geen concrete aanknopingspunten voor de conclusie dat Dublinterugkeerders in Kroatië te maken krijgen met pushbacks.
7.2.
Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Kroatië zijn internationale verplichtingen tegenover eisers zal nakomen en dat de behandeling van eisers in Kroatië niet in strijd zal zijn met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel-en opvangsysteem in Kroatië overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen met het asiel- en opvangsysteem in Kroatië. Van een schending van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM zal, als eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218).
7.3.
Eiser is daarin niet geslaagd. De Afdeling heeft bij de hiervoor aangehaalde uitspraak van 9 oktober 2024 onder meer het AIDA-rapport van 10 julni 2024 (2023 update) betrokken. De Afdeling heeft overwogen dat op een aantal momenten sprake was van overbezetting van de opvang maar dat de Kroatische autoriteiten zich vervolgens actief hebben ingezet om te voorzien in de essentiële levensbehoeften en binnen enkele dagen alsnog in slaapplekken te voorzien. Hieruit blijkt niet dat de Kroatische autoriteiten onverschillig staan tegenover incidentele tekorten in de opvang. Daarnaast geeft het AIDA-rapport, update 2024, van augustus 2025, geen wezenlijk ander beeld over pushbacks dan het eerdere AIDA rapport, update 2023, waarover de Afdeling al heeft geoordeeld. Uit dit rapport blijkt wel dat er pushbacks zijn, maar blijkt eveneens niet dat er gedocumenteerde gevallen zijn van Dublinterugkeerders die te maken krijgen met pushbacks. De enkele verwijzing naar meldingen van CPS dat Dublinterugkeerders van de politie geen informatie of het adres van een opvangcentrum kregen en zij onmiddellijk het verzoek kregen om de luchthaven te verlaten, en naar vaststellingen van Dokters van de Wereld dat veel Dublinterugkeerders kampen met lichamelijke en/of geestelijke gezondheidsproblemen en dat in veel gevallen na de overdracht psychische problemen verergerden of er nieuwe psychische problemen ontstonden, leidt niet tot een ander oordeel over het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat Dublinterugkeerders zouden worden weggestuurd van het vliegveld betekent nog niet dat zij geen opvang krijgen wanneer zij zich bij daarvoor bestaande organisaties melden. Wat betreft de Dublinterugkeerders met gezondheidsproblemen vermeldt eiser zelf dat uit de informatie van Dokters van de Wereld blijkt dat dit leidde tot frequente crisisinterventies en ziekenhuisopnames. Hieruit volgt dat de betreffende Dublinterugkeerders wel de benodigde medische zorg kregen. Zonder verdere toelichting en onderbouwing kan dan ook niet worden geconcludeerd dat uit de informatie van CPS en Dokters van de Wereld volgt dat sprake is van zwaarwegende structurele tekortkomingen in de zin van het arrest Jawo.
7.4.
De rechtbank is verder van oordeel dat eiser met zijn verklaringen over wat hij zelf in Kroatië heeft meegemaakt niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht
aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling of dat er structurele tekortkomingen zijn in de asielprocedure on Kroatië. Eiser heeft weliswaar in zijn beroepsgronden verklaard dat hij door de Kroatische autoriteiten is geslagen, te maken heeft gehad met pushbacks en slecht is behandeld, maar eiser heeft niet verklaard dat hij heeft geprobeerd om over zijn situatie te klagen bij de Kroatische autoriteiten om zo zijn situatie te verbeteren. Dit laatste magt wel van hem verwacht worden. Niet is gebleken dat klagen voor eiser niet mogelijk was. De verklaringen van eiser over de door hem ervaren slechte behandeling door de Kroatische autoriteiten gaan bovendien over de wijze waarop hij bij eerste aankomst in Kroatië is behandeld en niet over de situatie dat eiser als Dublinclaimant aan Kroatië zal worden overgedragen (vergelijk de Afdelingsuitspraak van 29 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1645, en het arrest van het Hof van 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, punt 64). Over dit laatste kan eiser ook niet verklaren, nu hij niet eerder als Dublinclaimant is overgedragen aan Kroatië.
7.5.
Over het claimakkoord van 22 september 2025 overweegt de rechtbank als volgt. Door het claimverzoek op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening te accepteren hebben de Kroatische autoriteiten duidelijk gemaakt dat zij voor zichzelf een verplichting zien om eiser terug te nemen met alle verantwoordelijkheden die daarbij horen. Het betreft een terugname met het oog op afronding van de procedure tot bepaling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. Eiser heeft Kroatië verlaten voordat de Kroatische autoriteiten hebben bepaald welk land verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. De rechtbank ziet in het claimakkoord geen aanwijzing dat de Kroatische autoriteiten hun verplichtingen jegens eiser niet (zullen) nakomen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn aanvraag in Kroatië zal worden behandeld in een procedure waar minder rechten aan verbonden zijn dan hem volgens EU-richtlijnen en verdragen toekomen. Verder
heeft Kroatië met het claimakkoord gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Als eiser vindt
dat Kroatië zijn verplichtingen niet nakomt, ligt het op zijn weg om daarover in Kroatië te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet aannemelijk gemaakt. Ook is niet gebleken dat de autoriteiten van Kroatië hem niet zouden kunnen of willen helpen. De beroepsgrond slaagt niet.
Onevenredige hardheid
8.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de door eiser gestelde omstandigheden niet heeft hoeven aanmerken als bijzondere individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser aan Kroatië van een onevenredige hardheid getuigt. Verweerder heeft die omstandigheden in het bestreden besluit voldoende zorgvuldig en gemotiveerd in zijn
beoordeling betrokken. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164, en 25 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:717) volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel niet opnieuw hoeven te worden beoordeeld in het kader van de vraag of er zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’) van de Vc. Eisers persoonlijke ervaringen in Kroatië zijn al beoordeeld in het kader van de vraag of van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De verwijzing naar de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond van 10 december 2024 slaagt niet, nu deze uitspraak in hoger beroep door de Afdeling is vernietigd (ECLI:NL:RVS:2025:717). Ook de verwijzing naar de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam van 2 januari 2025 slaagt niet. De Afdeling heeft het hoger beroep in deze zaak niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang omdat verweerder de zaak vanwege het tijdsverloop in behandeling moest nemen (ECLI:NL:RVS:2025:1776), maar de Afdeling heeft in een uitspraak van 10 juni 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2595) geoordeeld dat eenzelfde oordeel van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, niet in lijn is met vaste rechtspraak van de Afdeling. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.