ECLI:NL:RBDHA:2026:21085

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
NL24.1518
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T.J. Thurlings - Rassa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 lid 3 richtlijn 2013/32/EUArt. 47 Handvest grondrechten EUArt. 31 lid 5 VreemdelingenwetArt. 4 lid 4 Verordening (EU) 1347/2024Art. 13 Verordening (EU) 2024/1347
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning internationale bescherming op grond van vluchtelingenstatus wegens geloofsovertuiging en ernstige schade

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie tot afwijzing van zijn asielverzoek. De rechtbank heeft in eerdere tussenuitspraken vastgesteld dat eiser ernstige schade heeft geleden, onder meer door mishandeling en marteling vanwege toegedichte afvalligheid van de islam, wat een geloofsovertuiging betreft. De minister had echter twijfels over de geloofwaardigheid van bepaalde onderdelen van het asielrelaas.

Naar aanleiding van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU (arrest Quotal) heeft de rechtbank vastgesteld dat zij bevoegd is een eigen, bindend en uitputtend oordeel te geven over de geloofwaardigheid van het asielrelaas en de behoefte aan internationale bescherming. De rechtbank heeft het asielrelaas integraal geloofwaardig geacht en geoordeeld dat eiser een reëel risico op ernstige schade loopt, mede vanwege zijn toegedichte afvalligheid.

De rechtbank kwalificeert eiser als vluchteling en wijst het beroep toe. Zij bepaalt dat zij zelf in de zaak voorziet en draagt de minister op binnen 90 dagen een verblijfsvergunning en verblijfstitel te verlenen. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten van € 10.507,50. De uitspraak is gebaseerd op een volledig en geactualiseerd onderzoek, waarbij ook nieuwe elementen in beroep zijn betrokken.

Uitkomst: Eiser krijgt internationale bescherming toegekend en de minister wordt opgedragen binnen 90 dagen een verblijfsvergunning te verlenen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.1518
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. G.P.G. Willemse-Schoenmakers),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).

1.Inleiding

1.1.
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van 20 december 2023 en het aanvullende besluit van 8 oktober 2024 en is een vervolg op de tussenuitspraken van 13 augustus 2024 en 11 maart 2025. Voor de aanleiding tot en de inhoud van het besluit en voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraken. [1] Hieronder volgt een korte samenvatting.
1.2.
In het besluit van 20 december 2023 werden 4 relevante elementen van het asielrelaas, tegenwoordig worden dit asielmotieven genoemd, onderscheiden:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen met de autoriteiten, familieleden van slachtoffers en autoriteiten na verlies van identiteitskaart;
Problemen vanwege politieke overtuiging en etniciteit;
Problemen vanwege religieuze overtuiging.
1.3.
De rechtbank stelde in de tussenuitspraak van 11 maart 2025 vast dat de minister in de kern alles wat eiser heeft verklaard over wat hem is overkomen geloofwaardig heeft geacht, maar dat hij niet geloofwaardig acht dat de problemen met de buurtbewoners en de geestelijke [titel] zijn voortgekomen uit een aan eiser toegedichte afvalligheid van de islam. De minister acht dus geloofwaardig dat eiser naar aanleiding van het verlies van zijn identiteitskaart eind 2003 of begin 2004 tien tot twaalf dagen onder supervisie van de politie is gemarteld. Daarbij werd eiser twee tot vier keer per dag bezocht en ondervraagd, waarbij hij werd gemarteld, waardoor onder meer zijn arm is gebroken. Eiser is door hulp van omstanders na tien a twaalf dagen bevrijd, en dus niet door de autoriteiten zelf. Ook acht de minister geloofwaardig dat eiser, toen hij 18 of 19 jaar oud was (1997 of 1998), door buurtbewoners is mishandeld omdat hij alcohol dronk samen met zijn vrienden. Verder acht de minister geloofwaardig dat eiser een jaar voor vertrek uit Pakistan (in 2004) door studenten van de geestelijke [titel] is mishandeld. Bij die mishandeling is eiser naar een moskee gebracht. Op weg naar de moskee is eiser geslagen en werd hij voor ongelovige uitgescholden. Bij de moskee werd eiser uitgekleed, moest hij staan en zijn oren vasthouden, werd hij geslagen tot hij bewusteloos was en is daarbij voor dood achtergelaten. De geestelijke [titel] had opdracht gegeven om eiser te doden. Ook voordien ondervond eiser problemen van de geestelijke [titel], waaronder stokslagen tijdens zijn tienerjaren.
1.4.
Daarbij overwoog de rechtbank dat met de mishandeling van eiser, met name de mishandeling door de (studenten van de) geestelijke [titel] en de marteling onder supervisie van de politie, eiser is blootgesteld aan ernstige schade. Daarbij overwoog de rechtbank dat in artikel 31, vijfde lid, van de Vw - thans artikel 4 lid 4 van Pro Verordening (EU) 1347/2024 - staat dat het feit dat de vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade, of dat hij hiermee rechtstreeks is bedreigd, een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor die vervolging gegrond is en het risico op die ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Uit het aanvullend besluit leidde de rechtbank af dat de minister zich op het standpunt stelt dat die goede redenen er zijn. De rechtbank stelde daarbij evenwel vast dat de minister daarvoor in de kern enkel heeft verwezen naar de periodes die eiser probleemloos in Pakistan zou hebben kunnen verblijven.
1.5.
De rechtbank overwoog dat die redenen niet voldoen. [2] De rechtbank overwoog verder een eigen oordeel te willen geven over de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser en de behoefte aan internationale bescherming, maar zag zich hierin belemmerd door de rechtspraak van de Afdeling. De rechtbank is vervolgens overgegaan tot heropening van het vooronderzoek en heeft daarbij de volgende prejudiciële vragen aan het Hof [3] gesteld:
Kan de rechtbank aan artikel 46, derde lid, van richtlijn 2013/32/EU, al dan niet in samenhang bezien met artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU, dan wel aan enige andere bepaling of beginsel van EU-recht, de bevoegdheid ontlenen om een eigen oordeel over de geloofwaardigheid van een asielrelaas te geven, die in de plaats treedt van het oordeel dat de minister heeft gegeven?
Kan de rechtbank aan een van voornoemde bepalingen de bevoegdheid ontlenen om aan de hand van de door de minister geloofwaardig geachte onderdelen van het asielrelaas en, zo het antwoord op vraag 1 bevestigend is, de onderdelen van het asielrelaas die de rechtbank daarenboven geloofwaardig acht, een inhoudelijk en definitief oordeel te geven over het verzoek om internationale bescherming? Mag de rechtbank daarbij haar eigen oordeel over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade in de plaats stellen van dat van de minister, met name als de rechtbank zich tegen de achtergrond van beschikbare voor het publiek toegankelijke landeninformatie voldoende geïnformeerd acht om een dergelijk oordeel te geven?
Kan de nationale rechtspraak, bijvoorbeeld op grond van de procedurele autonomie, de bevoegdheden als bedoeld onder vragen 1 en 2 inperken, in die zin dat die bevoegdheden alsnog exclusief aan de minister worden toebedeeld?
Mag de rechtbank informatie die in beroep naar voren is gebracht, maar in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar was, betrekken bij het oordeel over de vraag of hij over genoeg informatie beschikt om een inhoudelijk oordeel te geven? Is daarbij relevant of partijen schriftelijk, dan wel ter zitting zich volledig over de feiten hebben kunnen uitlaten?
1.6.
Daarbij overwoog de rechtbank ten aanzien van de relevantie van de vragen het volgende:
19. De relevantie van de vragen is in het navolgende gelegen. Als de vragen onder 1 en 2 bevestigend moeten worden beantwoord en vraag 3 ontkennend en uit het antwoord op vraag 4 blijkt dat gegevens die in beroep bekend zijn geworden bij de afweging of een inhoudelijk oordeel kan worden gegeven mogen worden betrokken, dan zal de rechtbank een inhoudelijk oordeel geven over de asielstatus van eiser en daarbij beslissen dat aan eiser internationale bescherming zal moeten worden toegekend. Eiser heeft blijkens zijn, ook door de minister geloofwaardig bevonden, verklaringen reeds in het verleden ernstige schade ervaren, hetgeen ingevolge artikel 31, vijfde lid, van de Vw, de implementatie van artikel 4, vierde lid, van richtlijn 2011/95/EU, een duidelijke aanwijzing is dat het risico op die ernstige schade bij terugkeer reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn dergelijke goede redenen door de minister niet aangevoerd. Voor zover de minister in dit verband verwijst naar het verblijf in [plaats 1] , en de vijfmaanden periode in Pakistan na het vertrek uit [plaats 2] is dit, zoals hiervoor onder 11.2 en 11.3 is overwogen, niet toereikend. De rechtbank acht bovendien de verklaringen van eiser over zijn verblijf in [plaats 1] en [plaats 4] geloofwaardig, zoals ook uit overwegingen 11.2 en 11.3 kan worden afgeleid. De rechtbank betrekt daarbij ook informatie die in beroep is aangevoerd.
In de tussenuitspraak van 13 augustus 2024 heeft de rechtbank bovendien geoordeeld dat het enkele tijdsverloop sinds een eerdere blootstelling aan ernstige schade evenmin voldoende is om als goede redenen in voornoemde zin te kwalificeren. Daarnaast heeft de rechtbank, gelet op de door de minister geloofwaardig geachte asielmotieven, in samenhang met hetgeen hiervoor onder 13 is overwogen, geen reden om te twijfelen aan de door eiser gestelde (toegedichte) afvalligheid. Gelet op de beschikbare landeninformatie lopen personen die als afvallig worden beschouwd een reëel risico op ernstige schade, waaronder lynchpartijen en aanvallen door menigten, hetgeen eiser blijkens zijn verklaringen over de geestelijke [titel] ook daadwerkelijk heeft meegemaakt, zodat ook om die reden voldoende aannemelijk is dat eiser een reëel risico op ernstige schade loopt.
20. Indien vraag 1 en/of 2 ontkennend wordt beantwoord, dan zal de rechtbank moeten volstaan met een vernietiging en terugverwijzing naar de minister, opdat de minister op de betreffende onderdelen (geloofwaardigheid of zwaarwegendheid) nog een nadere beoordeling kan verrichten. Indien vraag 3 bevestigend moet worden beantwoord, dan zal de rechtbank eveneens de zaak moeten terugverwijzen naar de minister voor een nadere beoordeling, omdat een andersluidend oordeel in dat geval naar alle waarschijnlijkheid in hoger beroep door de Afdeling niet in stand zal worden gelaten, aangezien de Afdeling in dat geval haar rechtspraak onverkort kan blijven toepassen. Indien de vierde vraag volledig ontkennend moet worden beantwoord, dan zal de rechtbank de zaak eveneens naar de minister moeten terugverwijzen voor een nadere beoordeling over die aspecten die in beroep wel, maar in de bestuurlijke fase niet naar voren zijn gebracht. Dit laat alsdan evenwel onverlet dat de rechtbank op de overige onderdelen, mits de vragen 1 en 2 bevestigend en vraag 3 ontkennend zijn beantwoord, dan wel een definitief oordeel kan geven, zodat de besluitvorming in een verder gevorderd stadium komt te liggen dan als de vragen 1 en 2 ontkennend en vraag 3 bevestigend moeten worden beantwoord.
1.7.
Het Hof heeft op 4 juni 2026 in antwoord op deze vragen het arrest Quotal gewezen. [4] Het Hof heeft daarbij de prejudiciële vragen van de rechtbank als volgt beantwoord:
Artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, gelezen in het licht van artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moet aldus worden uitgelegd dat
ten eerste die bepaling een rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid verleent om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van dat verzoek overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging van de verzoeker of het reële risico voor hem op ernstige schade bij terugkeer naar zijn land van herkomst, alsmede over de gegrondheid van dat verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht, en ten tweede de lidstaten deze bevoegdheid niet mogen beperken.
1.8.
De rechtbank heeft vervolgens de behandeling van het beroep voortgezet. Op 17 juli 2026 heeft bij de rechtbank een zitting naar aanleiding van dit arrest plaatsgevonden, waar partijen hun visie op het arrest en de gevolgen ervan voor de onderhavige procedure uiteen hebben gezet. Hierbij waren aanwezig: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook mr. S. Rafi en mr. S. Pamir van de Commissie Strategisch Procederen waren namens eiser aanwezig. De rechtbank heeft vervolgens aan het eind van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Verdere beoordeling door de rechtbank

Standpunten eiser
2.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat uit het arrest Quotal van het Hof volgt dat de rechtbank bevoegd, en zelfs verplicht, is een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten. Eiser meent dat hieruit ook volgt dat de rechter zich niet kan beperken tot het ‘toetsen’ van het bestreden besluit van de minister, maar dat hij een eigen, op zichzelf staande, beoordeling dient te verrichten op basis van de feiten. Daarbij wijst eiser onder andere op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam [5] , waarin werd overwogen dat de rechtbank het bestreden besluit als het standpunt van de minister ziet. De rechtbank zal daarnaast eigen onderzoek moeten verrichten, waarbij zij zo nodig eiser kan horen. Indien de rechtbank na een eigen beoordeling tot de conclusie komt dat een verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming, dan kan zij de beslissingsautoriteit opdragen die internationale
bescherming te verlenen, nu er een verplichting bestaat om eenieder die de voorwaarden van
internationale bescherming in de zin van de Verordening (EU) 2024/1347 vervult, die bescherming ook te verlenen. Volgens eiser betekent dit, gelet op overweging 67 van het arrest A.A. [6] en artikel 8:72, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat de rechtbank ook bevoegd is in dat geval zelf in de zaak te voorzien.
Standpunten minister
2.2.
De minister stelt zich op het standpunt dat uit het arrest Ebilum kan worden afgeleid dat de rechtbank bevoegd is een eigen bindend oordeel te geven over de behoefte aan internationale bescherming, indien de rechtbank meent over alle noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens te beschikken, na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek. Daarbij dient de rechtbank rekening te houden met nieuwe elementen die na het bestreden besluit aan de orde zijn gekomen. Voor zover een uitputtend en geactualiseerd onderzoek nog niet is uitgevoerd of zonder nader onderzoek niet mogelijk is, dient de zaak te worden terugverwezen. Te denken valt aan gevallen waarin nader gehoord dient te worden of nader onderzoek dient plaats te vinden naar bijvoorbeeld documenten, de medische toestand van de vreemdeling of de situatie in het land van herkomst. Partijen dienen zich op grond van hoor en wederhoor bovendien over nieuwe elementen te kunnen uitlaten. Dat moet schriftelijk kunnen, indien en voor zover het niet toereikend is mondeling (ter zitting) op deze elementen te reageren.
2.3.
Wanneer de rechtbank een bindende uitspraak over de internationale bescherming doet, dan zal hij de zaak ook naar de minister moeten terugverwijzen. De minister dient dan het oordeel van de rechtbank te volgen, tenzij zich nieuwe elementen voordoen die een andersluidend besluit rechtvaardigen. Indien de minister opnieuw afwijzend besluit zonder dit te baseren op nieuwe elementen, dan kan de rechtbank in een daaropvolgende procedure pas zelf in de zaak voorzien. Volgens de minister volgt dit uit het arrest Quotal, in het bijzonder punt 50 daarvan.
2.4.
De minister stelt zich op het standpunt dat de tussenuitspraak van deze rechtbank niet geldt als een bindend oordeel in de zin van het arrest Quotal en dat die eerst bij einduitspraak in deze procedure kan worden gegeven, hetgeen volgens de minister met zich brengt dat de rechtbank niet zelf in de zaak kan voorzien maar de zaak zal dienen terug te verwijzen naar de minister. De minister is dan aan die uitspraak gebonden, behoudens het zich voordoen van nieuwe elementen en onverminderd de bevoegdheid van de minister om hoger beroep tegen de uitspraak in te stellen.
Het oordeel van de rechtbank
Mag de rechtbank zelf inhoudelijk oordelen en onderzoek verrichten?
2.5.
De rechtbank stelt voorop dat het besluit van de minister nog steeds het startpunt is voor de beoordeling in beroep. Het is immers ook op grond van artikel 46 van Pro richtlijn 2013/32/EU nog steeds het afwijzende besluit waartegen beroep wordt ingesteld, daarin brengen de arresten Quotal en Ebilum geen verandering.
2.6.
Dit neemt evenwel niet weg dat de rechtbank verplicht is om in voorkomend geval ambtshalve zowel de feitelijke als de juridische gronden van die beslissing volledig en ex nunc te onderzoeken op basis van de hem ter kennis gebrachte elementen van de zaak, zoals aangevuld of verduidelijkt na een procedure op tegenspraak, ongeacht of al deze elementen waren opgenomen in de middelen van het beroep waarmee het verzoek om rechterlijke toetsing werd ingeleid. Een dergelijk ambtshalve onderzoek moet een beoordeling omvatten van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig het toepasselijke Unierecht en van de eerbiediging van het beginsel van non refoulement. De rechtbank is in diens onderzoek dus ook niet beperkt tot de door de verzoeker aangevoerde beroepsgronden. [7]
2.7.
Uit de arresten Quotal en Ebilum volgt verder dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten. Dit houdt in dat de rechtbank ook rekening mag houden met elementen die in beroep naar voren zijn gebracht, maar die in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar waren. In dat geval moet de rechtbank de beslissingsautoriteit in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over deze nieuwe elementen.
2.8.
Indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens, dan heeft de rechtbank de bevoegdheid om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de verzoeker voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt. Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht. [8]
2.9.
Anders dan de minister lijkt te stellen, volgt uit het gegeven dat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek moet verrichten ook dat de rechtbank zelfstandig hangende de procedure en zonder dat de zaak daartoe wordt terugverwezen naar de minister, eigen onderzoek mag verrichten naar feiten die in de besluitvormingsprocedure onderbelicht zijn gebleven. [9] De rechtbank kan dit bijvoorbeeld doen door ter zitting verduidelijkingsvragen aan de verzoekers van internationale bescherming te stellen of, in geval van een gebrekkig gehoor, zo nodig de verzoeker zelf met inachtneming van de waarborgen uit richtlijn 2013/32/EU te horen.
2.10.
De rechtbank mag er echter ook voor kiezen om daar waar het besluit blijk geeft van onvolledig onderzoek, op dat onderdeel terug te verwijzen, mits de rechtbank dan wel duidelijk aangeeft in welk opzicht het onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest en welke onderzoekshandelingen de minister dan nog dient te verrichten. [10]
2.11.
De rechtbank is derhalve wel bevoegd, maar niet verplicht om ten behoeve van nader onderzoek de zaak naar de minister terug te verwijzen, en kan er dus ook voor kiezen dat onderzoek zelf te (laten) verrichten.
2.12.
De rechtbank zal in haar beoordeling van de feiten verder landeninformatie moeten betrekken waarvan zij niet onkundig mag zijn. [11] Aangezien ook de minister geacht mag worden van die landeninformatie op de hoogte te zijn, dient het gegeven dat de minister zich over dergelijke landeninformatie in een concreet besluit of elders in de procedure niet volledig heeft uitgelaten voor diens rekening en risico te blijven, indien en voor zover het gaat om landeninformatie die ten tijde van het bestreden besluit al bekend was. Het gaat in die gevallen immers niet om nieuwe elementen die pas in beroep naar voren zijn gekomen, als bedoeld in onder meer punten 47, 48 en 52 van het arrest Ebilum, maar om elementen waarmee de beslissingsautoriteit rekening had kunnen houden, als bedoeld in punt 44 van dat arrest.
2.13.
Indien de rechtbank de motivering van de minister in het aangevochten besluit niet volgt en een eigen oordeel over de geloofwaardigheid en/of behoefte aan internationale bescherming geeft, dan zal – gelet op de rechterlijke motiveringsplicht zoals deze voortvloeit uit artikel 47 van Pro het Handvest [12] – uit de uitspraak duidelijk naar voren moeten komen dat en waarom de motivering van de minister in het aangevochten besluit door de rechtbank wordt verworpen.
Gevolgen van het arrest Quotal voor de onderhavige zaak
2.14.
De rechtbank constateert dat de minister weliswaar verzoekt om terug te komen van de eindbeslissingen in de tussenuitspraak van 11 maart 2025, maar eveneens stelt verder niet meer op de besluitvorming en de oordelen in die tussenuitspraak in te gaan. Dit betekent dat er naar het oordeel van de rechtbank in beginsel ook geen redenen zijn om terug te komen van de eerdere eindbeslissingen.
2.15.
Nu er geen redenen zijn aangevoerd door de minister ter onderbouwing van het standpunt dat teruggekomen zou moeten worden op eindbeslissingen in de tussenuitspraak en de rechtbank hier ook ambtshalve geen aanleiding toe ziet, stelt de rechtbank vast dat zij het asielrelaas van eiser integraal – dat wil zeggen ook voor wat betreft de onderdelen die de minister in het aanvullende besluit nog ongeloofwaardig achtte – geloofwaardig acht. Voor de motivering hiervan verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak van 11 maart 2025. De rechtbank benadrukt daarbij dat zij die beoordeling in de tussenuitspraak heeft gedaan op basis van de dossierstukken, waaronder de asielgehoren, die ook bij de minister bekend waren. De minister heeft aldus uitgebreid de gelegenheid gehad om te reageren op de door eiser ingenomen stellingen en zijn visie op de dossierstukken nog nader te onderbouwen.
2.16.
De rechtbank stelt verder vast dat zij in de tussenuitspraak van 11 maart 2025 in rechtsoverweging 19 in de kern heeft overwogen van oordeel te zijn dat eiser, gelet op het geloofwaardig geachte asielrelaas, een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat als het Hof de vragen onder 1 en 2 bevestigend zou beantwoorden, de vraag onder 3 ontkennend en uit het antwoord op vraag 4 zou blijken dat gegevens die in beroep bekend zijn geworden bij de afweging of een inhoudelijk oordeel kan worden gegeven mogen worden betrokken, de rechtbank dan een inhoudelijk oordeel zal geven over de asielstatus van eiser en daarbij zal beslissen dat aan eiser internationale bescherming zal moeten worden toegekend.
2.17.
Uit de beantwoording van het Hof van de prejudiciële vragen volgt, zoals ook uit de bespreking hiervan in het voorgaande blijkt, in de kern dat de prejudiciële vragen van de rechtbank onder 1 en 2 bevestigend zijn beantwoord, de vraag onder 3 ontkennend is beantwoord en dat verder uit het arrest blijkt dat gegevens die in beroep bekend zijn geworden bij de afweging of een inhoudelijk oordeel kan worden gegeven mogen worden betrokken. Dit betekent dat de rechtbank thans zelf vaststelt, op basis van de gegevens zoals die aan de aanvraag en de besluitvorming ten grondslag liggen, mede gezien de elementen die in beroep naar voren zijn gekomen en overeenkomstig hetgeen de rechtbank in de tussenuitspraak van 11 maart 2025 heeft overwogen, dat eiser internationale bescherming moet worden toegekend.
2.18.
Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit verder voort dat afvalligheid moet worden gekwalificeerd als een geloofsovertuiging. Een vreemdeling die vreest voor vervolging wegens afvalligheid, wordt dus beschermd door artikel 1a, aanhef en onder (2), van het Vluchtelingenverdrag en artikel 10 van Pro Verordening (EU) 2024/1347. [13] De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 11 maart 2025 reeds geoordeeld dat eiser (ook) wegens diens toegedichte afvalligheid een reëel risico loopt op ernstige schade. Aangezien dit betekent, gelet op de Afdelingsrechtspraak, dat eiser een reëel risico op ernstige schade loopt wegens een geloofsovertuiging (toegedichte afvalligheid), betekent dit dus in de kern dat eiser (ook) een gegronde vrees voor vervolging heeft om redenen van godsdienst als bedoeld artikel 3, aanhef en onder 5 van Verordening (EU) 2024/1347, zodat eiser tevens als “vluchteling” moet worden gekwalificeerd. Daarbij betrekt de rechtbank dat de drempel voor een “gegronde vrees” en “reëel risico op ernstige schade” hetzelfde is [14] . Dit betekent dat eiser in aanmerking komt voor internationale bescherming op grond van de vluchtelingenstatus.
Zelf in de zaak voorzien?
2.19.
Hoewel uit het arrest van het Hof blijkt dat lidstaten niet verplicht zijn aan de rechter in eerste aanleg de bevoegdheid te verlenen om zelf in de zaak te voorzien, en dus kunnen volstaan met een systematiek waarbij de rechtbank, na te hebben geoordeeld dat een verzoeker voor internationale bescherming in aanmerking komt, de zaak terugverwijst naar de beslissingsautoriteit om een besluit overeenkomstig die uitspraak te nemen, mogen de lidstaten die bevoegdheid wel verlenen. [15]
2.20.
In artikel 8:72, lid 3 van de Awb is aan de bestuursrechter de bevoegdheid verleend om, in voorkomend geval, zelf in de zaak te voorzien door zijn uitspraak in de plaats te laten treden van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan. Uit de rechtspraak van de Afdeling kan worden afgeleid dat de bestuursrechter de overtuiging moeten hebben dat de uitkomst van het geschil, in het geval het bestuursorgaan opnieuw in de zaak zou voorzien, geen andere zou zijn dan die waarin hij zelf voorziet en de toets aan het recht kan doorstaan. [16]
2.21.
Naar het oordeel van de rechtbank is aan dit criterium voldaan. Vaststaat dat de rechtbank bevoegd is een eigen oordeel te geven over de geloofwaardigheid van het asielrelaas en de gegrondheid van het verzoek en dat de minister aan deze oordelen van de rechtbank is gebonden. De minister kan dan ook niet van het oordeel van de rechtbank zoals dat in deze einduitspraak is gegeven afwijken. Dat de minister er nog op wijst dat hij, als de rechtbank niet zelf zou voorzien maar de zaak in plaats daarvan terugverwijst, op basis van nieuwe elementen nog een andersluidend besluit zou kunnen nemen, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Zou er namelijk sprake zijn geweest van elementen die een wezenlijk ander licht op de zaak werpen ten aanzien van de feitelijke vaststellingen in de tussenuitspraak van 11 maart 2025, dan ligt het in de rede dat de minister deze uiterlijk op de zitting van 17 juli 2026 zou hebben aangevoerd. Het enkele hypothetische geval dat de minister mogelijk na de einduitspraak nog nieuwe elementen ‘ontdekt’ die een nieuw licht op de zaak zouden kunnen werpen is onvoldoende om afbreuk te doen aan de overtuiging van de rechtbank dat in het geval de minister opnieuw in de zaak zou voorzien, de uitkomst geen andere zou zijn dan die waarin de rechtbank thans zelf voorziet en die de toets aan het recht kan doorstaan.
2.22.
De rechtbank zal aldus zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat eiser internationale bescherming op grond van de vluchtelingenstatus als bedoeld in artikel 13 jo Pro hoofdstukken II en III van Verordening (EU) 2024/1347 geniet per datum van de aanvraag.
2.23.
De minister zal daarbij, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 [17] , nog wel moeten overwegen of 13 februari 2019 [18] of 15 oktober 2020 [19] als aanvraagdatum heeft te gelden.
2.24.
De minister wordt verder opgedragen om overeenkomstig artikel 13 jo Pro hoofdstukken II en III jo artikel 24 van Pro Verordening (EU) 2024/1347 in samenhang bezien met de toepasselijke Nederlandse uitvoeringswetgeving [20] binnen een periode van 90 dagen na heden aan eiser een verblijfsvergunning en verblijfstitel overeenkomstig zijn vluchtelingenstatus te verstrekken.
Proceskosten
2.25.
De rechtbank zal een proceskostenveroordeling uitspreken omdat het beroep gegrond is en de minister veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de bijlage bij dit Besluit. De rechtbank stelt de proceskosten als volgt vast:
  • Beroepschrift
  • Aanvullend beroepschrift n.a.v. de aanvullende beschikking na de tussenuitspraak
  • Zittingen rechtbank op 25 juni 2024 en 17 juli 2026
  • Schriftelijke opmerkingen bij het Hof
  • Mondelinge behandeling bij het Hof op 27 oktober 2025
Totaal:
7,5 punten
De rechtbank kent aan elk punt een wegingsfactor van 1,5 toe zoals bedoeld in de bijlage onder C1 bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, omdat de rechtbank een prejudiciële procedure aanmerkt als “zwaar”.
De waarde per punt is bij een wegingsfactor 1 gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht, bijlage B1 € 934,-. Dit betekent dat de totale proceskostenvergoeding moet worden bepaald op 7,5 x 1,5 x 934 = € 10.507,50.

3.Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het aanvullende besluit en het bestreden besluit;
- bepaalt dat eiser internationale bescherming op grond van de vluchtelingenstatus als bedoeld in artikel 13 jo Pro hoofdstukken II en III van Verordening (EU) 2024/1347 geniet per datum van zijn aanvraag;
- bepaalt dat de onderhavige uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten en:
- draagt de minister op om overeenkomstig artikel 13 jo Pro hoofdstukken II en III jo artikel 24 van Pro Verordening (EU) 2024/1347 in samenhang bezien met de toepasselijke Nederlandse uitvoeringswetgeving binnen een periode van 90 dagen na heden aan eiser een verblijfsvergunning en verblijfstitel overeenkomstig de vluchtelingenstatus te verstrekken;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 10.507,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings - Rassa, rechter, in aanwezigheid van
mr. E. Diele, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraken, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle 13 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:23112 en Rechtbank Den Haag, zittigsplaats Zwolle 11 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3726.
2.Vgl. Overwegingen 11 t/m 11.5 van de tussenuitspraak van 11 maart 2025.
3.Hof van Justitie van de Europese Unie.
4.HvJ EU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:447 (Quotal).
5.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam 6 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:18531, r.o. 8.2.
6.HvJ 8 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:122.
7.Vgl. Conclusie van Advocaat-Generaal T. Ćapeta van 19 maart 2026 bij HvJ EU, ECLI:EU:C:2026:228.
8.HvJ EU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:447 en HvJ EU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448. De rechtbank onderschrijft de samenvatting van deze arresten zoals deze door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem zijn gegeven in diens uitspraak van 9 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:19418, onder rechtsoverweging 5.1.
9.De rechtbank wijst in dit verband op HvJ EU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448 (Ebilum) punt 40 t/m 54. In het arrest HvJ EU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:447 (Quotal) zijn dezelfde overwegingen te vinden, zij het onder een andere nummering.
10.De rechtbank wijst in dit verband op HvJ 8 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:122 (A.A), punt 66 in samenhang bezien met HvJ EU 16 juli 2020, EU:C:2020:579 (Addis), punten 71 en 73. In dit verband kan ook worden gewezen op het arrest van het Bundesverwaltungsgericht van 30 maart 2021, ECLI:DE:BVerwG:2021:300321U1C41.20.0, raadpleegbaar via:
11.HvJ EU 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, r.o. 77 en 78
12.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
13.Vgl. ABRvS 12 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1326, r.o. 3.
14.Vgl. In dit verband de Praktische gids voor bewijs- en risicobeoordeling van het EUAA, paragraaf 3.3.1.
15.HvJ 8 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:122 (A.A), punt 67.
16.ABRvS 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1623, r.o. 4.1.
17.ABRvS 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1412.
18.Datum van de aanvraag die bij beschikking van 12 augustus 2019 niet in behandeling was genomen, omdat Italië destijds de verantwoordelijke lidstaat was.
19.Aanvraagdatum op basis waarvan het asielverzoek door de minister in behandeling is genomen en waarop de in onderhavige procedure aangevochten besluitvorming op is gevolgd.
20.Uit ARTIKEL IX OVERGANGSRECHT, zoals gepubliceerd in Staatsblad 2026, 127 kan worden afgeleid dat nog een verblijfsvergunning asiel op grond van het oude artikel 28 jo Pro 29 Vw moet worden verleend.