ECLI:NL:RBDHA:2026:21267
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van grensdetentie asielzoeker op grond van artikel 6 Vreemdelingenwet 2000
De zaak betreft een beroep van een asielzoeker tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De eiser stelde dat hij ten onrechte niet met een registertolk Arabisch was gehoord en dat grensdetentie niet als automatisme mag worden toegepast zonder individuele beoordeling.
De rechtbank oordeelt dat eiser wel degelijk met een registertolk is gehoord en dat de maatregel is gebaseerd op het grensbewakingsbelang, waarvoor geen risico op onderduiken vereist is. De rechtbank verwijst naar de geldende Procedureverordening en Opvangrichtlijn die de bevoegdheid tot grensdetentie in het kader van de grensprocedure bevestigen.
Verder stelt de rechtbank dat verweerder een belangenafweging heeft gemaakt en dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die de detentie onevenredig bezwarend maken. De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig is opgelegd en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de grensdetentie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.