ECLI:NL:RBDHA:2026:2127

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
NL25.52926 en NL25.52930
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 EU HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 24, tweede lid, EU Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluiten niet in behandeling nemen asielaanvragen Dublin Frankrijk

Eisers, een Nigeriaans gezin met minderjarige kinderen, maakten bezwaar tegen het niet in behandeling nemen van hun asielaanvragen omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is. De minister had deze aanvragen afgewezen op basis van een verzoek tot terugname dat Frankrijk had aanvaard.

De rechtbank oordeelt dat de besluiten niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen, met name omdat de minderjarige kinderen niet tijdig de gelegenheid kregen hun mening te uiten. De rechtbank vernietigt daarom de besluiten. De rechtbank volgt de minister echter in het standpunt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Frankrijk nog steeds geldt en dat er geen sprake is van een reëel risico op schending van mensenrechten bij overdracht.

De rechtbank overweegt dat de minister de bijzondere omstandigheden, waaronder medische problemen van een kind, voldoende heeft betrokken en dat geen reden bestaat om artikel 17 van Pro de Dublinverordening toe te passen. Ondanks de vernietiging van de besluiten laat de rechtbank de rechtsgevolgen in stand, zodat de minister geen nieuwe besluiten hoeft te nemen. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van €1.868,-.

Uitkomst: De beroepen worden gegrond verklaard, de besluiten vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.52926 en NL25.52930

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam], eiseres,

geboren op [geboortedatum],
V-nummers: [v-nummer:],

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum]
V-nummer: [v-nummer:],
mede namens hun minderjarige kinderen,

[naam],

geboren op [geboortedatum]
V-nummer: [v-nummer:],

[naam],

geboren op [geboortedatum],
V-nummer: [v-nummer:],
allen van Nigeriaanse nationaliteit en hierna gezamenlijk te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvragen bij de bestreden besluiten van 29 oktober 2025 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen, tegelijk met de verzoeken om voorlopige voorzieningen, [1] op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
1.2.
Op de verzoeken tot het treffen van voorlopige voorzieningen wordt apart beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart de beroepen van eisers gegrond, maar de rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Hierna licht de rechtbank toe op welke gronden zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek op 18 september 2025, op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening, aanvaard.
Onzorgvuldige voorbereiding
5. Eisers betogen dat de besluiten niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Eiser voert daartoe aan dat hij tijdens het gehoor niet in de gelegenheid is gesteld om stukken ter onderbouwing van zijn relaas en zijn bezwaren tegen een overdracht aan Frankrijk over te leggen. Als gevolg daarvan heeft de minister bij het uitbrengen van het voornemen ten aanzien van eiser geen rekening kunnen houden met deze stukken. Daarnaast voeren eisers aan dat het voornemen een standaardvoornemen betreft, waarbij onvoldoende is ingegaan op de door eisers tijdens het Dublingehoor naar voren gebrachte bezwaren tegen een overdracht aan Frankrijk. Eisers verwijzen hierbij naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 juni 2024. [3]
5.1.
De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. In het kader van de stelling dat eiser geen stukken heeft kunnen overleggen tijdens het gehoor, overweegt de rechtbank dat eiser de stukken in zijn zienswijze heeft kunnen overleggen en dat deze stukken door de minister bij het bestreden besluit kenbaar zijn betrokken. Niet is gebleken dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad. Daarnaast voldoet het voornemen aan de daaraan gestelde vereisten, omdat het de dragende overwegingen bevat. Zo heeft de minister in het voornemen gemotiveerd waarom Frankrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag en waarom geen toepassing is gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. In het voornemen is bovendien aangegeven dat er geen reden is om aan te nemen dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Overigens kan het enkele feit dat niet alle afzonderlijke bezwaren van eisers tegen een overdracht aan Frankrijk in het voornemen zijn betrokken, op zichzelf niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraken van de Afdeling [4] van 23 november 2023 [5] en 11 april 2025 [6] en ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen aanleiding om hiervan af te wijken.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Eisers betogen dat ten aanzien van Frankrijk niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Volgens eisers is er sprake van systeem gerelateerde tekortkomingen, met name op het gebied van opvang voor asielzoekers, toegang tot de asielprocedure en het verschaffen van ondersteuning en faciliteiten aan asielzoekers. Eisers wijzen op een structureel tekort aan opvangcapaciteit in Frankrijk en verwijzen hierbij naar het meest recente AIDA-landenrapport over Frankrijk. [7] Daarnaast verwijzen eisers naar de bronnen die in de zienswijze zijn vermeld; deze informatie komt volgens hen overeen met hun eigen ervaringen.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voor Frankrijk nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling nog bevestigd in de uitspraken van 30 augustus 2024 en 31 juli 2025. [8] Uit deze uitspraken volgt dat er problemen zijn (geweest) in de Franse asielopvang, maar dat niet is gebleken dat deze problemen dermate structureel en ernstig van aard zijn dat er bij een overdracht aan Frankrijk sprake is van schending van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het EU Handvest. De Afdeling heeft in de uitspraak van 31 juli 2025 ook het door eisers aangehaalde AIDArapport betrokken. De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd, geen reden om hier anders over te oordelen.
6.2.
Ook het persoonlijke relaas van eisers, waarin zij stellen dat zij in Frankrijk onder erbarmelijke omstandigheden hebben verbleven, leidt niet tot de conclusie dat zij bij overdracht naar Frankrijk een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM dan wel artikel 4 van Pro het Handvest. De minister heeft terecht opgemerkt dat uit de door eisers overgelegde foto’s niet kan worden afgeleid of deze in Frankrijk zijn gemaakt. Daarnaast merkt de minister terecht op dat de stelling van eiseres dat zij geen opvang heeft genoten in Frankrijk feitelijk niet gevolgd kan worden, aangezien uit de stukken niet is gebleken dat zij zich na het indienen van haar verzoek om internationale bescherming op 7 juli 2021 voor opvang heeft gemeld. Bovendien hebben de Franse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat de verzoeken van eisers om internationale bescherming in behandeling zullen worden genomen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Mochten eisers hiermee desondanks problemen ondervinden, dan is het aan hen om hierover te klagen bij de (hogere) Franse autoriteiten. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze mogelijkheid voor hen niet bestaat of dat dit bij voorbaat zinloos is.
Artikel 17 Dublinverordening Pro
7. Eisers voeren aan dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die een overdracht aan Frankrijk in de weg staan. Eisers stellen dat zij in Frankrijk traumatische ervaringen hebben opgedaan. Zij hebben daar zonder onderdak geleefd en zijn uiteindelijk terechtgekomen in een verlaten woning, waar zij hebben moeten verblijven onder schrijnende omstandigheden. Ter onderbouwing van deze omstandigheden hebben eisers foto’s overgelegd. Eisers merken daarbij op dat van belang is dat een van de kinderen astma heeft, waardoor verblijf in dergelijke woonomstandigheden voor dit kind extra slecht is. Eisers verwijzen hiervoor naar de overgelegde medische stukken die zijn gevoegd bij de zienswijze. Eisers stellen dat de minister onvoldoende is ingegaan op deze aangevoerde omstandigheden en slechts standaardpassages heeft opgenomen.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in redelijkheid geen toepassing heeft hoeven geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De door eisers gestelde eerdere ervaringen in Frankrijk zijn door de minister voldoende betrokken bij de beoordeling in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In de besluiten heeft de minister deugdelijk gemotiveerd waarom de omstandigheden die eisers aanvoeren geen reden zijn om van de overdracht aan Frankrijk af te zien. De minister heeft daarbij ook de medische omstandigheid dat de oudste zoon astma heeft betrokken en terecht gesteld dat uit de door eisers overgelegde medische stukken niet blijkt dat een overdracht aan Frankrijk een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand met zich brengt. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat eisers in Frankrijk geen toegang zouden hebben tot medische zorg of dat deze zorg ontoereikend zou zijn. Uit de overgelegde medische stukken blijkt bovendien dat de oudste zoon een jaar voor zijn komst naar Nederland in Frankrijk is geanalyseerd naar aanleiding van buikklachten. De minister heeft de door eisers aangevoerde omstandigheden dan ook in redelijkheid onvoldoende kunnen beoordelen om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
Belangen van de kinderen
8. Eisers voeren aan dat ten onrechte niet uit het bestreden besluit blijkt dat de minister de belangen van de kinderen heeft meegewogen. Daarnaast zijn de kinderen volgens eisers ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om hun belangen naar voren te brengen. Eisers verwijzen in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025 [9] .
8.1.
De minister heeft bij brief van 27 januari 2026, voorafgaand aan de zitting, aangegeven dat de minderjarige alsnog de mogelijkheid wordt geboden om zijn mening schriftelijk en vrijelijk te uiten, binnen één week na dagtekening van die brief.
8.2.
De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025 volgt dat artikel 24 tweede Pro lid, van het EU Handvest, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid en artikel 12 van Pro het Kinderrechtenverdrag een verplichting voor de minister met zich brengt om begeleide minderjarige vreemdelingen die in staat zijn hun mening te vormen binnen de Dublinprocedure in de gelegenheid te stellen hun mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die hen betreffen. Hierbij is eveneens overwogen dat er geen absolute verplichting bestaat om een begeleide minderjarige vreemdeling altijd rechtstreeks te horen.
8.3.
De minister heeft de minderjarige eerst op 27 januari 2026, en dus na het instellen van het beroep, in de gelegenheid gesteld zijn mening vrijelijk te uiten. De rechtbank is van oordeel dat de bestreden besluiten hierdoor niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De rechtbank verklaart de beroepen van eisers daarom gegrond en vernietigt de bestreden besluiten. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand te laten en overweegt daartoe als volgt.
8.4.
Op de zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat door eisers en de minderjarige niet is gereageerd op de brief van 27 januari 2026. Desgevraagd is aangegeven dat eisers een afspraak hebben gemaakt met VluchtelingenWerk Nederland (VWN) voor ondersteuning hierbij. In verband met een overplaatsing van eisers is de afspraak met Vluchtelingenwerk Nederland echter niet doorgegaan. Op de zitting is verzocht om een aanvullende termijn van twee weken, om alsnog van deze gelegenheid gebruik te maken.
8.5.
De rechtbank is van oordeel dat de minister, door het alsnog bieden van de gelegenheid aan de minderjarige om te worden gehoord, heeft voldaan aan zijn verplichting op grond van artikel 24, tweede lid, van het EU Handvest en artikel 3, eerste lid en artikel 12 van Pro het Kinderrechtenverdrag. De rechtbank acht de termijn van een week in beginsel redelijk. De rechtbank betrekt daarbij dat de Dublinprocedure wordt gekenmerkt door korte termijnen en dat in het geval van eisers de overdrachtstermijn naderde. Niet is gebleken dat het voor eisers geheel niet mogelijk is geweest om binnen deze termijn te reageren op het verzoek van de minister. De enkele stelling op zitting dat de afspraak met VWN niet is doorgegaan is voor de rechtbank hiervoor onvoldoende. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eisers graag ondersteuning wilden, is niet gesteld noch gebleken dat die enkel geboden kon worden door VWN. Eisers hadden immers ook contact met hun gemachtigde. Verder is niet gebleken dat eisers na hun overplaatsing hebben geprobeerd om een nieuwe afspraak te maken met VWN en evenmin is gebleken dat een nieuwe afspraak met VWN na overplaatsing en binnen de termijn van een week niet mogelijk is geweest. De rechtbank acht verder van belang dat eisers binnen de termijn geen contact hebben opgenomen met de minister en niet hebben verzocht om een aanvullende termijn. Indien de minderjarige zijn mening had willen uiten, had het op de weg van eisers gelegen om naar aanleiding van het verzoek hiertoe contact op te nemen met de minister. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat de termijn van een week binnen de Dublinprocedure in beginsel redelijk is om een minderjarige de gelegenheid te bieden zijn mening te uiten, kan in voorkomende gevallen een langere termijn geboden zijn. Van omstandigheden die maken dat een langere termijn geboden is, is de rechtbank, gelet op het voorgaande, niet gebleken. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het bieden van een nadere termijn.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepen van eisers zijn gegrond, omdat de besluiten niet zorgvuldig zijn genomen. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten, maar ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Dat betekent dat de minister geen nieuwe besluiten hoeft te nemen.
10. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van samenhangende zaken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen van eisers gegrond;
  • vernietigt de bestreden besluiten;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Deze verzoeken staan geregistreerd onder zaaknummers: NL25.52927 en NL25.52931.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.Afdelingsbestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.AIDArapport
8.30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552 en 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623.