ECLI:NL:RBDHA:2026:2133

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
NL25.31936
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 7:12 AwbArt. 11 lid 2 GezinsherenigingsrichtlijnArt. 3 IVRKArt. 3:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf bij broer wegens onvoldoende belangenafweging

Eiseres, van Eritrese nationaliteit, vroeg een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan om bij haar broer in Nederland te verblijven. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat de identiteit van eiseres en de familierechtelijke relatie met haar broer niet aannemelijk waren gemaakt. Tevens oordeelde de minister dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro in het nadeel van eiseres uitviel.

Eiseres voerde aan dat zij bewijsstukken zoals een doopakte en verklaringen had overgelegd en dat het ontbreken van officiële identiteitsdocumenten niet haar verwijt was. Ook stelde zij dat de minister onvoldoende onderzoek had gedaan, zoals het nalaten van DNA-onderzoek. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitviel, met name ten aanzien van de aard en intensiteit van het gezinsleven en de kwetsbare positie van eiseres.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek en droeg de minister op een nieuw besluit te nemen waarbij een zorgvuldige belangenafweging moet worden gemaakt, inclusief een motivatie over het al dan niet uitvoeren van DNA-onderzoek. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de mvv-aanvraag wordt vernietigd wegens onvoldoende gemotiveerde belangenafweging en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.31936

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. B. Manawi),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de afwijzing van eiseres voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) onder de beperking ‘verblijf bij familie- of gezinslid’.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 4 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 juni 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiseres, M. Tekalezghi als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres stelt de Eritrese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2007. Eiseres heeft op 22 maart 2022 een aanvraag ingediend voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ bij haar broer, [referent] (referent). Referent is geboren op
[geboortedatum 2] 2004 en heeft een verblijfsvergunning asiel.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat de identiteit van eiseres en de familierechtelijke relatie met referent niet aannemelijk is gemaakt. Verweerder heeft eiseres het voordeel van de twijfel gegeven en nader onderzoek aangeboden in de vorm van een hoorzitting met referent. Tot slot heeft verweerder een belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM [1] gemaakt, maar deze is in het nadeel van eiseres uitgevallen.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Ten aanzien van de identiteit voert eiseres aan dat zij een doopakte heeft overgelegd en dat referent consistent en gedetailleerd heeft verklaard. Ook blijkt uit het ambtsbericht van Eritrea dat het moeilijk is om als minderjarige een officieel identiteitsdocument te verkrijgen. Verweerder heeft ten onrechte geen aanvullend onderzoek verricht in de vorm van document- of DNA-onderzoek. Ten aanzien van de familierechtelijke relatie heeft verweerder ten onrechte de doopakte niet als geldig bewijsstuk aangemerkt. Verweerder had op grond van artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn ook de verklaringen, foto’s, het identiteitspasje van de moeder in onderlinge samenhang met de doopakte moeten beoordelen. Eiseres wijst hierbij naar twee uitspraken [2] . Ten aanzien van de integrale beoordeling voert eiseres aan dat verweerder enerzijds erkent dat het ontbreken van identiteitsdocumenten niet aan eiseres kan worden tegengeworpen, maar anderzijds dat het ontbreken van de identiteitsdocumenten toch in hun nadeel weegt. Dat is tegenstrijdig en wijst op een gebrekkige motivering. Ook is het enkel houden van de hoorzitting onvoldoende nader onderzoek, want verweerder had DNA-onderzoek moeten aanbieden. Tot slot heeft verweerder een belangenafweging gemaakt, maar heeft hierin diverse omstandigheden onvoldoende meegewogen, namelijk dat eiseres en referent beide minderjarig waren ten tijde van de aanvraag, zij altijd samen hebben gewoond en zij hierover consistent hebben verklaard, hun ouders zijn overleden, het lastig is om documentatie te verkrijgen, eiseres bij haar buren in een kwetsbare positie verkeert en referent werkt en tegelijkertijd een opleiding volgt in Nederland. Gelet op het voorgaande is het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen en ondeugdelijk gemotiveerd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Identiteit en familierechtelijke relatie
6. Los van de vraag of verweerder heeft kunnen concluderen dat de identiteit van eiseres en de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent niet is aangetoond, heeft verweerder ook beoordeeld of eiseres in aanmerking zou komen voor een mvv wanneer de identiteit en familierechtelijke relatie wel zou zijn aangetoond en heeft hij een beoordeling in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM gemaakt. De beoordeling op grond van artikel 8 van Pro het EVRM zou niet anders zijn als na onderzoek van verweerder de familierechtelijke relatie vast zou komen te staan. Het standpunt van verweerder dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM kan de afwijzing van de aanvraag zelfstandig dragen. [3] De rechtbank zal daarom beoordelen of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat tussen eiseres en referent geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.
De belangenafweging
7. In geschil is of verweerder alle feiten en omstandigheden van de belangen van eiseres in het kader van haar gezins- of familieleven op grond van artikel 8 van Pro het EVRM kenbaar heeft betrokken bij de gemaakte belangenafweging en of verweerder de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiseres mocht doen uitvallen.
7.1.
Uit vaste jurisprudentie van het EHRM en van de hoogste bestuursrechter volgt dat bij aanvragen op grond van artikel 8 van Pro het EVRM er een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds, en het Nederlandse algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. [4] De rechtbank moet beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken. Deze maatstaf impliceert verder dat de rechter de door verweerder gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend moet toetsen. [5]
7.2.
De rechtbank is, enigszins terughoudend toetsend, van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt.
7.3.
Verweerder heeft in het bestreden besluit de aard en intensiteit van het gezinsleven, de binding met het land van herkomst en Nederland, het restrictieve toelatingsbeleid en de economische belangen in het nadeel van eiseres meegewogen en geconcludeerd dat de belangenafweging in haar nadeel uitvalt.
7.4.
Ten aanzien van het economisch belang heeft eiseres aangevoerd dat referent werkt en een opleiding volgt tot loodgieter en stage loopt. Naar het oordeel van de rechtbank draagt referent met deze inspanningen bij wat in redelijkheid van hem verwacht mag worden om financiële zelfstandigheid te verkrijgen voor hemzelf en eventueel zijn gezinsleden. [6] Verweerder heeft voornoemde inspanningen echter in het bestreden besluit betrokken en toegelicht wat die inspanningen betekenen voor het standpunt van verweerder voor het economisch belang; namelijk dat de inspanningen van referent onverlet laten dat de economische belangen in het nadeel wegen, maar dat hieraan wel een minder zwaar gewicht toekomt. Voor zover eiseres heeft betoogd dat de economische belangen niet in haar nadeel kunnen wegen, slaagt dat betoog niet.
7.5.
Ten aanzien van de aard en intensiteit van het gezinsleven heeft de gemachtigde van eiseres gewezen op het feit dat referent en eiseres hun hele leven hebben samengewoond als broer en zus. Verweerder heeft dit niet bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de aard en intensiteit van het gezinsleven toch in het nadeel van eiseres is meegewogen. Hoewel referent ten tijde van de samenleving niet de rol van feitelijk verzorger op zich heeft genomen, staat daartegen over dat de moeder van eiseres en referent gedurende de hele periode van samenleving nog in leven was en zij de kinderen verzorgde en opvoedde. Verweerder heeft tegen deze achtergrond onvoldoende gemotiveerd waarom hij van referent verwacht dat hij de rol van feitelijk verzorger op zich zou nemen en – bij gebreke daarvan – de intensiteit van het gezinsleven in het nadeel van eiseres heeft meegewogen.
7.6.
Verder heeft verweerder niet in het voordeel maar ook niet in het nadeel meegewogen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het in haar belang is om bij referent te verblijven. In de besluitvorming lijkt verweerder aan te nemen dat eiseres slecht wordt behandeld door de buren, maar stelt verweerder dat dat niets afdoet aan het feit dat de buren in de primaire levensbehoeften van eiseres voorzien. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de omstandigheid dat eiseres slecht wordt behandeld, niet maakt dat het in haar belang is om het referent herenigd te worden. De rechtbank acht hiervoor van belang dat eiseres zeventien jaar is en de belangen van het kind het eerste uitgangspunt moeten vormen in de besluitvorming [7] . Verweerder heeft de belangen van eiseres als minderjarig kind onvoldoende in het besluit betrokken.
7.7.
Gelet op het voorgaande, heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd waarom de aard en intensiteit van het familieleven in het nadeel van eiseres is gewogen. Verder heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de omstandigheid dat eiseres slecht wordt behandeld, niet betekent dat zij niet in haar belang wordt geschaad. Verweerder heeft op zitting het standpunt ingenomen dat het belang van Nederland nog steeds zwaarder weegt, maar de rechtbank is van oordeel dat dit – mede tegen de achtergrond dat het economisch belang van Nederland in mindere mate in het nadeel weegt – onvoldoende is toegelicht. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging in het kader van het familie- en gezinsleven van eiseres in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM in haar nadeel is uitgevallen. Er is daarom sprake van een motiveringsgebrek [8] in het bestreden besluit.
7.8.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12 van Pro de Awb. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Gelet op de aard van het motiveringsgebrek, ziet de rechtbank geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen, waarbij hij opnieuw een belangenafweging in het kader van het familie- en gezinsleven moet maken. Hierbij kan eventueel ook van belang zijn dat verweerder in het nieuw te nemen besluit motiveert waarom het DNA-onderzoek alsnog achterwege blijft, omdat hiermee de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent aannemelijk gemaakt kan worden.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.
9. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank in dit geval aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868. [9]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser;
  • bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 187,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. P.P. Schaap, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:192 en een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:245.
3.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3634.
4.Onder meer uiteengezet in de uitspraken van de Afdeling van 11 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:73 en 28 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:974.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:964.
6.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3195.
7.Op grond van artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).
8.Op grond van artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
9.1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met waarde € 934,- per punt, wegingsfactor 1.