ECLI:NL:RBDHA:2026:2164

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
NL25.58849
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vreemdelingenwet 2000Art. 3.106a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 6 lid 2 Richtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens internationale bescherming in Duitsland

Eiser, afkomstig uit Syrië, diende op 29 september 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a van de Vreemdelingenwet 2000, omdat uit Eurodac bleek dat eiser sinds 10 december 2024 internationale bescherming geniet in Duitsland. Eiser wenste een inhoudelijke behandeling in Nederland en voerde onder meer aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet automatisch geldt en dat hij vreest voor indirect refoulement.

De rechtbank overwoog dat verweerder terecht uitgaat van de informatie uit Eurodac en het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waarbij Duitsland wordt geacht zijn internationale verplichtingen na te komen. De lopende intrekkingsprocedure in Duitsland doet niet af aan de huidige beschermingsstatus. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij geen bescherming geniet in Duitsland of dat hij daar zijn rechten niet kan effectueren.

De rechtbank verwierp ook de vrees voor indirect refoulement, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en relevante jurisprudentie. Verweerder handelde correct door eiser op te dragen zich onmiddellijk naar Duitsland te begeven, conform de Terugkeerrichtlijn. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat eiser internationale bescherming geniet in Duitsland.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58849

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R. Akkaya),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. de Graaf)

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 1 december 2025 (het bestreden besluit), waarbij verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser dient zich onmiddellijk te begeven naar het grondgebied van Duitsland.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (NL25.58850) te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening (NL25.58850), op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met kennisgeving vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting 8 januari 2026 gesloten maar zag daarna aanleiding het onderzoek te heropenen, om verweerder de gelegenheid te geven een nader document in te dienen en eiser de gelegenheid te geven om daarop te reageren. Verweerder heeft het document ‘Resultaat Dacty onderzoek Duitsland’ op 8 januari 2026 overlegd. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser gelegenheid gegeven om hierop te reageren wat de gemachtigde heeft gedaan. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 13 januari 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
1. Eiser is afkomstig uit Syrië, heeft een onbekende nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1984. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 29 september 2025 ingediend.
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat uit Eurodac is gebleken dat eiser al sinds 10 december 2024 internationale bescherming geniet in Duitsland en het volgens verweerder redelijk is voor eiser om naar Duitsland te gaan.
Beroepsgronden
2. Eiser voert aan dat hij een inhoudelijke behandeling van zijn asielaanvraag in Nederland wenst en niet terug wil keren naar Duitsland. Ten aanzien van Duitsland kan niet automatisch van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit worden gegaan. Daarnaast heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door geen specifieke informatie over eiser bij de Duitse autoriteiten op te vragen en door onzorgvuldig te reageren op gedetailleerde informatie. Het is nu niet bekend of er (op de achtergrond) iets aan de hand is met de asielstatus van eiser en ook is onbekend of er een lopende procedure is omtrent de internationale bescherming van eiser. Daarbij is relevant dat eiser drie maanden in zijn land van herkomst (Syrië) heeft verbleven en het is onduidelijk hoe Duitsland hiermee om zal gaan. Eiser vreest voor (indirect) refoulement. Ook is eiser van mening dat hij in Duitsland in zijn rechten (op een woning, werk, educatie etc.) niet gelijkgesteld wordt met Duitse burgers. Ondanks het feit dat hij analfabeet is en de Duitse taal nauwelijks spreekt heeft eiser de Duitse autoriteiten benaderd om zijn situatie te verbeteren, maar hij kreeg geen hulp. Deze situatie dient te worden onderzocht. Ten slotte is eiser van mening dat de onmiddellijke vertrektermijn niet aan hem opgelegd had mogen worden nu nog niet vaststaat of Duitsland hem zal accepteren. Verweerder had een reguliere vertrektermijn moeten hanteren.
Beoordeling van de beroepsgronden
3.1.
Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een asielvergunning voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Een asielaanvraag is niet-ontvankelijk als aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 3.106a, eerste lid, onder a tot en met e, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is voldaan. Artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb bepaalt dat de aanvraag slechts niet-ontvankelijk wordt verklaard als de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.
3.2.
Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij geen internationale bescherming geniet in Duitsland. Daarin is hij niet geslaagd. Gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) mag verweerder in beginsel afgaan op informatie van een andere lidstaat, zoals een Eurodac-resultaat. Daarbij is van belang dat het tijdsverloop sinds het onderzoek in het Eurodac-systeem beperkt is. Verder moet uit de informatie duidelijk worden wat de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling bij terugkeer is. Uit Eurodac blijkt dat eiser sinds 10 december 2024 internationale bescherming geniet in Duitsland. Eiser bevestigt dit ook in het gehoor. Uit het aanvullend door verweerder ingediende ‘Restultaat Dacty onderzoek Duitsland’, volgt dat verweerder op 19 december 2025 contact heeft opgenomen met de Duitse autoriteiten. De Duitse autoriteiten hebben Nederland geïnformeerd dat eiser in Duitsland op dezelfde wijze geregistreerd is als in Nederland. Daarnaast is medegedeeld dat er momenteel een intrekkingsprocedure in Duitsland loopt omdat eiser naar zijn land van herkomst (Syrië) is uitgereisd. Deze procedure staat op dit moment nog open. Momenteel beschikt eiser dus nog over een internationale beschermingsstatus in Duitsland. Verweerder gaat er dan ook terecht van uit dat eiser internationale bescherming geniet in Duitsland. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraken van 12 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:442 en van 31 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1270) volgt dat alleen al om die reden voldaan is aan de voorwaarde in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb dat sprake is van een zodanige band met Duitsland dat het voor eiser redelijk zou zijn om terug naar Duitsland te gaan. Dat er een intrekkingsprocedure tegen eiser loopt in Duitsland doet er niet aan af dat eiser momenteel bescherming geniet in Duitsland en dat aan de voorwaarden voor niet-ontvankelijkheid verklaring is voldaan.
3.3.
Ten aanzien van Duitsland mag verweerder ook uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling bevestigd in haar uitspraak van 8 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4770). In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen over het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder moet er dan ook vanuit gaan dat Duitsland zich aan zijn internationale verplichtingen zal houden en zorgvuldig heeft gehandeld. Dat eiser naar Syrië stelt te zijn teruggekeerd, betekent niet dat zijn internationale beschermingsstatus in Duitsland op dit moment is ingetrokken of beëindigd. Die procedure staat, zoals onder 3.2 is overwogen, nog open. Verder heeft eiser ook geen concrete aanknopingspunten aangedragen waarom verweerder in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel zou mogen uitgaan. Eiser heeft een asielstatus in Duitsland, zodat aan hem formeel gezien gelijke rechten toekomen als aan Duitse staatsburgers op het gebied van werk, gezondheidszorg, sociale huisvesting, onderwijs en sociale voorzieningen. Eiser heeft niet met stukken onderbouwd dat hij als statushouder in Duitsland moeilijkheden heeft of zal ervaren. Van statushouders mag verwacht worden dat zij de rechten die voortvloeien uit de verblijfstatus zelf effectueren en dat zij zich bij voorkomende problemen tot de (hogere) Duitse autoriteiten dan wel geëigende instanties wenden. Eiser heeft niet geklaagd over de door hem ondervonden problemen ten aanzien van zijn rechten. Dat eiser wel heeft proberen te klagen maar dat dit niet is gelukt volgt de rechtbank niet. In zijn gehoor heeft eiser namelijk meermaals verklaard dat hij niet bij de Duitse autoriteiten heeft geklaagd, alleen bij het Job center. De beroepsgronden slagen niet.
3.4.
Voor zover eiser stelt dat hij vreest voor indirect refoulement overweegt de rechtbank, in navolging van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, dat zij niet toekomt aan een oordeel over die vrees als, zoals in dit geval, uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.
3.5.
Omdat aan eiser internationale bescherming is verleend draagt verweerder eiser op om zich onmiddellijk naar de statusverlenende lidstaat te begeven. Dat verweerder een dergelijk bevel moet geven volgt uit artikel 6, tweede lid, van richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn). Dat verweerder eiser een reguliere vertrektermijn op had moeten leggen volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft middels het bestreden besluit op de juiste wijze toepassing gegeven aan de Terugkeerrichtlijn door eiser op te dragen onmiddellijk terug te keren naar Duitsland, aangezien vast is komen te staan dat hij daar internationale bescherming geniet. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

4. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.