ECLI:NL:RBDHA:2026:2623

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
SGR 24/5472
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3.9 WaboArt. 2.12 WaboArt. 4 Besluit omgevingsrechtArt. 8:55c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing omgevingsvergunning transformatie bedrijfspand naar appartementen

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een omgevingsvergunning voor het transformeren van een bedrijfspand naar vier appartementen in Bodegraven-Reeuwijk. Eiseressen, ondernemers in de nabijheid, vreesden beperkingen in hun bedrijfsactiviteiten en stelden beroep in tegen de vergunningverlening.

De rechtbank oordeelt dat het college bevoegd was de vergunning te verlenen, ondanks afwijking van de beheersverordening en bezwaren over parkeren, geluid, geur en veiligheid. De parkeerbehoefte is onderbouwd met een memo en een parkeeronderzoek, waaruit blijkt dat voldoende openbare parkeergelegenheid beschikbaar is. Geluidsonderzoek toont aan dat het woon- en leefklimaat aanvaardbaar is, ook met overschrijding van piekgeluiden die met maatregelen kunnen worden beperkt. Geur vormt geen beletsel voor bedrijfsuitbreiding en veiligheid op het binnenterrein valt buiten het bestreden besluit.

Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar is niet-ontvankelijk omdat het college alsnog een besluit heeft genomen. Wel is de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar overschreden, waarvoor het college een schadevergoeding van € 500,- moet betalen. Daarnaast wordt het college veroordeeld in de proceskosten van eiseressen.

De rechtbank bevestigt dat de belangenafweging door het college binnen beleidsruimte valt en dat het besluit in overeenstemming is met het recht. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de procedurekosten en schadevergoeding worden toegewezen aan eiseressen.

Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard en het college wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/5472

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen

Heating Service Installatietechniek B.V. e.a., uit Nieuwerbrug aan den Rijn, eiseressen,
(gemachtigde: mr. M.C. van Meppelen Scheppink),
en

het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk,

(gemachtigde: mr. A. Scholtes).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[vergunninghouder], uit [woonplaats] (vergunninghouder).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning voor het transformeren van een bedrijfspand aan het [adres 1] en [adres 2] in [plaats] naar vier appartementen. Eiseressen hebben een onderneming in de directe nabijheid van deze appartementen. Zij vrezen dat zij door de komst van de appartementen in hun (toekomstige) bedrijfsactiviteiten zullen worden beperkt. Eiseressen hebben daarom beroep ingesteld.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Dat betekent dat eiseressen geen gelijk krijgen. In verband met de lange duur van de procedure wordt aan eiseressen wel een schadevergoeding toegekend en krijgen zij een vergoeding van gemaakte proceskosten.

Procesverloop

2. Vergunninghouder heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het transformeren van een bedrijfspand naar vier appartementen ter plaatse van [adres 1] en [adres 2] in [plaats].
2.1.
Met het primaire besluit heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Met het besluit op bezwaar van 25 juni 2020 heeft het college het door eiseressen gemaakte bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
2.2.
In haar uitspraak van 10 januari 2024 heeft de rechtbank het beroep van eiseressen tegen het besluit op bezwaar van 25 juni 2020 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak.
2.3.
Eiseressen hebben het college in gebreke gesteld en vervolgens op 20 juni 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar.
2.4.
Hangende het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar heeft het college met het bestreden besluit van 10 oktober 2024 het bezwaar van eiseressen andermaal ongegrond verklaard.
2.5.
Eiseressen hebben vervolgens inhoudelijke beroepsgronden aangevoerd tegen het bestreden besluit.
2.6.
Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseressen, vergezeld door [naam 1], de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 2], en vergunninghouder.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Omdat de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 18 juni 2019 blijft de Wabo van toepassing.
Leeswijzer
3. De rechtbank zal eerst ingaan op het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. Daarna zal de rechtbank ingaan op het beroep tegen het bestreden besluit. Tot slot zal de rechtbank ingaan op het verzoek om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar
4. Omdat het college met het bestreden besluit alsnog op het bezwaar van eiseressen heeft beslist, hebben eiseressen geen procesbelang meer bij hun beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank zal het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit op bezwaar daarom niet-ontvankelijk verklaren.
4.1.
Uit het bestreden besluit blijkt niet dat het college een beslissing heeft genomen over de verschuldigdheid van een dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een besluit. Ingevolge artikel 8:55c van de Awb stelt de bestuursrechter, indien het beroep gegrond is, desgevraagd de hoogte van de verbeurde dwangsom wegens het niet tijdig beslissen vast. Nu echter geen sprake is van een gegrond beroep, is het aan het college om met inachtneming van artikel 4:17 van Pro de Awb de verbeurde dwangsom vast te stellen. [1]
Het beroep tegen het bestreden besluit
5. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep van eiseressen tegen het niet tijdig nemen van een besluit van rechtswege mede betrekking op het alsnog genomen besluit, nu dit niet geheel aan het beroep tegemoetkomt. De rechtbank zal de inhoudelijke beroepsgronden hieronder beoordelen.
Toetsingskader
6. Om de vier appartementen te vergunnen, is het college afgeweken van de ter plaatse geldende beheersverordening “[verordening 1]”. Het perceel waarop de appartementen zijn gerealiseerd heeft in die beheersverordening de bestemming “Bedrijf” en binnen die bestemming zijn geen woningen toegestaan. De omgevingsvergunning is verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.
6.1.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. [2]
Parkeren
7. Eiseressen betogen dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en ontoereikend is gemotiveerd ten aanzien van het aspect parkeren. Daartoe voeren zij aan dat onduidelijk is waarop de parkeerbehoefte van zes parkeerplaatsen voor de vier appartementen is gebaseerd, te meer nu het college eerder nog uitging van een parkeerbehoefte van acht parkeerplaatsen. Volgens eiseressen is ook niet duidelijk van hoeveel parkeerplaatsen op eigen terrein wordt uitgegaan. In dit verband voeren eiseressen aan dat verschil van inzicht bestaat over de interpretatie van de erfdienstbaarheid voor het gebruik van het middenterrein tussen hun bedrijf en de appartementen, zodat niet vaststaat of de daar aanwezige parkeerplaatsen ten behoeve van de appartementen gebruikt mogen worden. Uit het bestreden besluit blijkt volgens eiseressen ook niet of binnen een acceptabele loopafstand voldoende openbare parkeergelegenheid beschikbaar is om te voorzien in de parkeerbehoefte voor de vier appartementen.
7.1.
Over de parkeerbehoefte overweegt de rechtbank het volgende.
7.1.1.
Het college heeft de parkeerbehoefte van zes parkeerplaatsen onderbouwd met verwijzing naar het memo “[naam memo]” van 18 juli 2024 (het memo parkeren). Hierin is uiteengezet dat de parkeerbehoefte voor de vier appartementen is gebaseerd op CROW-publicatie 381. De appartementen vallen hierin in de categorie “huur, appartement, midden/goedkoop” binnen de gebiedstypologie “weinig stedelijk” en zijn ingedeeld in de categorie “rest bebouwde kom”. In het memo wordt toegelicht dat daarom aan de appartementen een parkeerkencijfer van 1,4 moet worden toegekend, wat afgerond resulteert in een parkeerbehoefte van (4 × 1,4 = 5,6) zes parkeerplaatsen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met deze berekening voldoende inzichtelijk gemaakt waarop de parkeerbehoefte van zes parkeerplaatsen is gebaseerd. In wat eiseressen hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het college van een hogere parkeerbehoefte had moeten uitgaan.
7.1.2.
Ter plaatse geldt de beheersverordening “[verordening 2]”. In artikel 3.1, aanhef en onder a, van deze beheersverordening is bepaald
– voor zover hier van belang – dat het bevoegd gezag pas een omgevingsvergunning kan verlenen voor de activiteiten bouwen en/of het gebruiken van gronden in strijd met de beheersverordening als er sprake is van voldoende parkeergelegenheid. Er is volgens deze bepaling sprake van voldoende parkeergelegenheid indien voldaan wordt aan de door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren en laden en lossen, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag omgevingsvergunning.
7.1.3.
De hier bedoelde beleidsregels zijn vastgelegd in de gemeentelijke Nota Parkeernomen (de Parkeernota). Hierin is het uitgangspunt neergelegd dat een parkeereis op eigen terrein wordt gerealiseerd. Onder 3.3 van de Parkeernota wordt het realiseren van de parkeereis in openbaar gebied echter eveneens toelaatbaar geacht als de haalbaarheid van een bouwplan daarmee wordt vergroot.
7.1.4.
Partijen verschillen van mening over de vraag of in de parkeerbehoefte van de vier appartementen kan worden voorzien op het middenterrein tussen de appartementen en de onderneming van eiseressen. Beantwoording van die vraag hangt af van de reikwijdte van een erfdienstbaarheid met betrekking tot het gebruik van dit terrein. In het memo parkeren heeft het college daarom aangenomen dat niet voldaan kan worden aan het uitgangspunt dat voor de appartementen voorzien kan worden in de benodigde zes parkeerplaatsen op eigen terrein. Om te beoordelen of voldoende parkeergelegenheid in het openbaar gebied beschikbaar is, heeft vergunninghouder onderzoek laten doen naar de parkeerdruk in de omgeving van de vier appartementen. Daarbij is een onderzoeksgebied aangehouden in een cirkel van 150 meter rond de vier appartementen, omdat dit volgens de Parkeernota een acceptabele loopafstand is. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de “Rapportage parkeeronderzoek [plaats]” (het parkeeronderzoek). Hieruit komt naar voren dat, met uitzondering van één uur op de zondagochtend, op alle meetmomenten sprake is van een parkeerdruk van minder dan 80% en dat op die momenten binnen het zoekgebied ruimschoots voldoende openbare parkeerplaatsen beschikbaar zijn om te voorzien in de parkeerbehoefte van de vier appartementen. Eiseressen hebben deze resultaten van het parkeeronderzoek niet gemotiveerd betwist, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college zich hierop niet heeft mogen baseren.
7.2.
Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de parkeerbehoefte van de vergunde appartementen – als komt vast te staan dat het middenterrein hiervoor niet kan worden gebruikt – kan worden opgevangen in het openbaar gebied. Daarmee wordt voldaan aan de Parkeernota. Dat betekent dat het vergunde bouwplan niet in strijd is met de beheersverordening “[verordening 2]”. Het betoog van eiseressen slaagt niet.
Milieu- en omgevingsaspecten
8. Eiseressen betogen voorts dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en ontoereikend is gemotiveerd ten aanzien van milieu- en omgevingsaspecten. Het gaat daarbij om de aspecten ‘geluid’, ‘geur’ en ‘veiligheid’ die hierna zullen worden besproken.
Geluid
9. Het college erkent dat niet wordt voldaan aan de richtafstand van tien meter tussen de grens van de bestemming “Bedrijf” en de gevels van de vier appartementen zoals bedoeld in de VNG-handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”, maar stelt zich op het standpunt dat ter plaatse van de appartementen niettemin sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor dit standpunt vindt het college steun in het rapport van [adviesbureau] getiteld “Geluid ten gevolge van bedrijfsactiviteiten Heating Service Installatietechniek” van 25 april 2024. Uit dit rapport blijkt dat het hoogst berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau voor de dagperiode 43 dB(A) bedraagt ter hoogte van de appartementen, waarmee ruimschoots wordt voldaan aan de geldende richtwaarde van 50 dB(A). Weliswaar wordt door laad- en losactiviteiten de richtwaarde voor het maximale geluidniveau overschreden, maar uit het rapport volgt dat dit kan worden opgelost door het aanbrengen van voldoende geluidwering op de gevel van de appartementen.
9.1.
De rechtbank ziet in wat eiseressen hebben aangevoerd geen aanleiding om het standpunt van het college over de aanvaardbaarheid van de geluidssituatie ter plaatse onjuist te achten. Dat eiseressen niet door [adviesbureau] zijn benaderd met een verzoek om informatie over hun bedrijfsactiviteiten, brengt niet mee dat het beeld van die activiteiten onvolledig is. In hoofdstuk 3 van het rapport van [adviesbureau] is toegelicht dat de representatieve bedrijfssituatie van Heating Service is ingeschat op basis van een locatiebezoek en op basis van door de Omgevingsdienst aangeleverde gegevens. De juistheid en volledigheid van deze gegevens is door eiseressen onvoldoende gemotiveerd betwist. Ter zitting hebben eiseressen weliswaar gesteld dat ook buiten de dagperiode activiteiten worden verricht en dat meer geluidveroorzakende activiteiten plaatsvinden dan in het rapport van [adviesbureau] zijn opgenomen, maar een concrete en verifieerbare onderbouwing van die stelling ontbreekt. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om de bevindingen van [adviesbureau] in twijfel te trekken.
9.2.
Het betoog van eiseressen dat ter plaatse van de vier appartementen sprake is van onaanvaardbare geluidoverlast omdat de berekende piekgeluiden de grenswaarden uit artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (het Activiteitenbesluit) overschrijden, volgt de rechtbank niet. Niet in geschil is dat deze piekgeluiden worden veroorzaakt door laad- en losactiviteiten op het binnenterrein tussen de onderneming van eiseressen en de vier appartementen. Onder verwijzing naar het geluidsonderzoek van [adviesbureau] heeft het college terecht het standpunt ingenomen dat het geluid van deze laad- en losactiviteiten in de dagperiode is uitgesloten van de waarden die zijn opgenomen in de tabel bij artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit. De rechtbank volgt eiseressen niet voor zover zij betogen dat de laad- en losactiviteiten in dit geval wel worden genormeerd door het Activiteitenbesluit omdat het gaat om activiteiten die nauw verbonden zijn met de werkzaamheden van het bedrijf zelf. De tekst van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit biedt voor het maken van dit onderscheid tussen verschillende soorten laad- en losactiviteiten geen steun. Het college heeft gemotiveerd toegelicht waarom, ondanks de overschrijding van de richtwaarden voor piekgeluiden, ter plaatse van de vier appartementen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Met verwijzing naar het rapport van [adviesbureau] heeft het college hierbij van belang mogen achten dat met aanvullende maatregelen aan de gevels van de appartementen een aanvaardbare geluidsituatie in de appartementen kan worden bereikt. Wat eisers hebben aangevoerd biedt geen grond om het standpunt van het college ter zake onjuist te achten.
10. Eiseressen betogen voorts dat het college ten onrechte niet heeft gekeken naar de planologisch maximale mogelijkheden op het perceel. Volgens eiseressen kan de aanwezigheid van de appartementen een beletsel vormen bij een eventuele uitbreiding van hun bedrijfsactiviteiten of bij verkoop van het bedrijfspand.
10.1.
De rechtbank volgt eiseressen niet in dit betoog. Bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat moet niet alleen rekening worden gehouden met de bestaande situatie, maar ook met de maximale planologische mogelijkheden ter plaatse. Daarbij is het uitgangspunt dat die beoordeling dient te worden gemaakt aan de hand van een representatieve invulling van wat ter plaatse planologisch maximaal is toegestaan. In dat kader dient de redelijkerwijs te voorziene ontwikkeling van het bedrijf van eiseressen te worden betrokken. [3]
10.2.
Het college heeft bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat mogen meewegen dat het vergunde bouwplan is gerealiseerd in een gemengd gebied, waar naast de onderneming van eiseressen op grond van de beheersverordening ook woningen en horeca zijn toegestaan. Het perceel met de bedrijfsbestemming waarop de onderneming van eiseressen zich bevindt, grenst direct aan een perceel met een woonbestemming waarop zich woningen bevinden. Deze woningen bevinden zich direct naast de vergunde appartementen en aan hetzelfde binnenterrein waar ook de ondernemingen van eiseressen is gevestigd. Het college heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de aanwezigheid van deze woningen maatgevend is voor (de uitbreidingsmogelijkheden van) de onderneming van eiseressen en dat de realisatie van de vier vergunde appartementen hierin geen verandering brengt. Nu ter plaatse van de appartementen ruimschoots wordt voldaan aan het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 43 dB(A), heeft het college mogen aannemen dat voor de onderneming van eiseressen voldoende geluidruimte resteert voor intensivering of uitbreiding van haar bedrijfsactiviteiten zonder dat dit zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de vergunde appartementen. De uitbreidingsmogelijkheden van de onderneming van eiseressen of de mogelijkheden tot verkoop van het bedrijfsgebouw worden als gevolg van de vergunde appartementen dan ook niet wezenlijk aangetast.
Geur
11. Het betoog van eiseressen dat het aspect ‘geur’ in de toekomst een beletsel kan vormen bij een eventuele uitbreiding van hun bedrijfsactiviteiten of verkoop van het bedrijfspand volgt de rechtbank evenmin.
11.1.
De rechtbank stelt voorop dat eiseressen in hun beroepschrift uitdrukkelijk hebben erkend dat in de huidige situatie geen geurrelevante bedrijfsactiviteiten worden verricht. Voor zover eiseressen hierop ter zitting zijn teruggekomen gaat de rechtbank hieraan voorbij, reeds omdat eiseressen dit nieuwe standpunt niet hebben onderbouwd.
11.2.
Voor zover eiseressen betogen dat ook met betrekking tot het aspect geur in de toekomst moeilijkheden kunnen ontstaan bij een eventuele uitbreiding van hun bedrijfsactiviteiten of verkoop van het bedrijfspand, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen over het aspect geluid. In aanvulling daarop geldt dat uit een door [adviesbureau] uitgevoerd geuronderzoek van 8 mei 2024 volgt dat wordt voldaan aan de voor geur geldende richtafstand van 10 meter tussen de bedrijfsbebouwing van eiseressen en de vergunde appartementen. In dit rapport wordt toegelicht dat een eventuele vestiging van een geurrelevant bedrijf in de bestaande bedrijfsbebouwing daarom niet wordt beperkt door de realisatie van de vier appartementen, maar veeleer door de reeds bestaande woningen naast de appartementen. Eiseres heeft deze conclusies in het rapport van [adviesbureau] niet gemotiveerd betwist, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat het college zich hierbij niet heeft mogen aansluiten.
Veiligheid
12. Eiseressen betogen tot slot dat onveilige situaties kunnen ontstaan bij gebruik van het binnenterrein door (de kinderen van) de gebruikers van de appartementen als hier ook bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Volgens eiseresessen heeft het college hieraan onvoldoende aandacht besteed.
12.1.
De rechtbank overweegt dat het bestreden besluit beperkt is tot de realisatie van de vier appartementen en geen betrekking heeft op het gebruik van het binnenterrein. Reeds daarom slaagt het betoog van eiseressen niet.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
13. Eiseressen hebben ter zitting verzocht om vergoeding van immateriële schade vanwege het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
13.1.
De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. In een zaak als deze is een bestuursrechtelijke procedure niet binnen een redelijke termijn afgerond als er meer dan twee jaren zijn verstreken tussen het maken van bezwaar en het doen van uitspraak in de beroepsprocedure. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het college een half jaar de tijd heeft om op het bezwaar te beslissen en de rechtbank anderhalf jaar heeft om op een beroep te beslissen. Voor de overschrijding van de redelijke termijn geldt per half jaar, of een gedeelte daarvan, een vergoeding van € 500,-. Ten aanzien van het bepalen van het volledige tijdsverloop kan in bijzondere omstandigheden een bepaalde periode buiten beschouwing worden gelaten.
13.2.
Bij de toerekening van een termijnoverschrijding en de daarvoor toe te kennen schadevergoeding heeft te gelden dat wanneer een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en een herhaalde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. [4] Dat is anders wanneer de redelijke termijn bij de herhaalde behandeling ook door de rechter is overschreden. In dat geval geschiedt de toerekening van de termijnoverschrijding naar evenredigheid.
13.3.
In de uitspraak van de rechtbank van 10 januari 2024 is aan eiseressen reeds een vergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn toegekend die betrekking heeft op de periode tussen het indienen van het bezwaarschrift en de uitspraak van de rechtbank. In die uitspraak is het college opgedragen om binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De uitspraak is verzonden op 11 januari 2024. Dat betekent dat de periode van 11 januari 2024 tot de datum van deze uitspraak bepalend is voor de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden. Omdat deze periode afgerond 25 maanden bedraagt, is de redelijke termijn overschreden met één maand. Dat leidt tot toekenning van een schadevergoeding van € 500,-.
13.4.
Als in een procedure over een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog een reëel besluit wordt genomen, vangt de redelijke termijn voor de behandeling van het beroep over het reële besluit aan op de dag waarop het beroep van rechtswege is ontstaan. [5] Dat betekent dat de redelijke termijn voor de behandeling van het beroep in dit geval is aangevangen op 10 oktober 2024. Nu de uitspraak in deze procedure op 13 februari 2026 is gedaan, heeft de beroepsprocedure afgerond zestien maanden geduurd. De redelijke termijn in beroep van achttien maanden is daarmee dus niet overschreden. De behandeling van het bezwaar heeft van 11 januari 2024 tot de datum van het bestreden besluit afgerond negen maanden geduurd. Daarmee is de redelijke termijn in bezwaar met drie maanden overschreden. Dat betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn geheel voor rekening van het college komt.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond.
14.1.
De rechtbank ziet aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van eiseressen in verband met het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit [6] en voor het ter zitting gedane mondelinge verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit is van eenvoudige aard, zodat hierop een wegingsfactor van 0,5 wordt toegepast. De hiervoor toe te kennen vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand bedraagt daarom (2 punten x € 934,- × 0,5=) € 934,-.
De proceskosten voor het mondelinge verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn stelt de rechtbank vast op € 233,50 (1 punt × € 934,- x 0,25).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
  • veroordeelt het college tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseressen tot een bedrag van € 500,- wegens het overschrijden van de redelijke termijn;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiseressen in verband met het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit tot een bedrag van € 934,-;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiseressen in verband met het verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2026.
De rechter is buiten staat om deze
uitspraak mede te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1310, r.o. 7.2.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:119.
3.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1263.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:83, r.o. 11.8.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5462.
6.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1828.