ECLI:NL:RBDHA:2026:2642

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
NL25.42597
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 28 Vw 2000Art. 30b Vw 2000Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag jezidi uit Sinjar wegens onvoldoende motivering

Eiser, een jezidi afkomstig uit de Sinjar-regio in Irak, diende op 27 mei 2023 een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie op 29 augustus 2025 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister baseerde dit op het feit dat eiser niet onmiddellijk asiel had aangevraagd en dat de ontheemdenkampen in de Koerdische Autonome Regio (KAR) sinds medio 2024 als normale woon- of verblijfplaats worden beschouwd, waardoor geen reëel risico op vervolging zou bestaan.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de ontheemdenkampen sinds medio 2024 als normale woon- of verblijfplaats worden aangemerkt en waarom eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro. Het thematisch ambtsbericht van november 2025 toont juist verslechterde leefomstandigheden door het terugtrekken van hulp en het wegvallen van basisvoorzieningen.

Verder is vastgesteld dat eiser internationale bescherming geniet in Griekenland, waardoor het terugkeerbesluit door Nederland niet genomen had mogen worden. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Eiser wordt in de proceskosten van €1.868,- tegemoetgekomen.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende motivering en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.42597

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. P.J.T. de Kan)
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. D.A.M. Vriezer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven, omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sinds medio 2024 de ontheemdenkampen in de KAR [2] als normale woon- of verblijfplaats worden aangemerkt voor jezidi’s die afkomstig zijn uit de Sinjar-regio. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer naar het ontheemdenkamp geen reëel risico loopt in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM. [3] Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 27 mei 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij is van Iraakse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . De minister heeft met het bestreden besluit van 29 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook is eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Het asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij jezidi is en afkomstig is uit de streek Sinjar in Irak. Tot zijn vertrek in 2022 woonde hij in het ontheemdenkamp Chamishku vlakbij Zakho in de regio Duhok. Hij heeft Irak verlaten omdat hij onrechtmatig behandeld en gediscrimineerd werd vanwege zijn religie en zijn etniciteit. Daar komt bij dat in Sinjar geen sprake is van overheidsgezag maar de dienst wordt uitgemaakt door verschillende groepen waaronder de PKK.
Het bestreden besluit
4. Uit het Eurodac-systeem is gebleken dat eiser op 4 januari 2023 internationale bescherming heeft gekregen in Griekenland. De minister heeft er niet voor gekozen om eisers asielaanvraag om die reden niet-ontvankelijk te verklaren. In het bestreden besluit heeft de minister eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw 2000, omdat hij niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was.
4.1.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
  • Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • Eisers problemen door het zijn van jezidi in Irak.
De minister acht deze relevante elementen geloofwaardig maar dit maakt volgens de minister niet dat eiser te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De minister geeft aan bekend te zijn met de positie van de jezidi’s in Irak maar zij worden in het huidige landgebondenbeleid voor Irak niet aangemerkt als groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging. Ook behoort eiser niet tot één van de andere risicoprofielen zoals benoemd in paragraaf C7/16.3.2 van de Vc 2000. [4] Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij op basis van persoonlijke omstandigheden bij terugkeer te vrezen heeft vanwege het feit dat hij jezidi is. Voorts stelt de minister zich op het standpunt dat eiser evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Tot slot wordt eiser tegengeworpen dat hij zich na zijn inreis in Nederland niet onmiddellijk heeft gemeld. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.
4.2.
Op 29 september 2025 heeft de minister een aanvullend besluit genomen waarin is aangegeven dat en op welke wijze de minister bij de beoordeling rekening heeft gehouden met de vergunningverlening in Griekenland. Het is de minister gebleken dat de door Griekenland verleende bescherming eiser is toegekend op grond van een prima facie vluchtelingschap omdat hij jezidi is. Opgemerkt is dat Nederland geen prima facie vluchtelingschap voor jezidi’s hanteert. De minister handhaaft zijn standpunt zoals ingenomen in het bestreden besluit.
Gronden
5. Eiser heeft als eerst aangevoerd dat zijn aanvraag ten onrechte is beoordeeld aan de hand van het op 27 juni 2024 bij WBV 2024/12 [5] gewijzigde beleid. Als zijn aanvraag binnen de internationaal vastgelegde uiterste beslistermijn van 21 maanden was afgedaan, was hij in aanmerking gekomen voor een verblijfsvergunning aangezien de beleidswijziging van daarna is.
5.1.
Voorts heeft eiser zich beroepen op de zeer slechte algehele situatie in Sinjar met name voor jezidi’s. Er is een gebrek aan huisvesting en werkgelegenheid maar ook aan water en elektriciteit. Daarnaast is er sprake van een machtsvacuüm in Sinjar en wordt het gebied volledig gecontroleerd door rivaliserende milities. Dit maakt dat iedereen die er woont blootstaat aan structurele en collectieve gevaren. Voor jezidi’s is het risico verhevigd door de gerichte genocide. Er is namelijk nog altijd sprake van vervolging van jezidi’s als zodanig. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser verwezen naar de volgende bronnen:
- Documenten van Vluchtelingenwerk van 22 augustus 2025 “Irak – Veiligheid en humanitaire situatie Sinjar”;
- Document Vluchtelingenwerk 20 augustus 2025 “Positie van Jezidi’s in Irak”;
- Een rapport over de IDP-kampen Joint IOM UNHCR IDP Update, 21 juni 2025.
Ook heeft eiser een verklaring van hemzelf en zijn broer overgelegd.
5.2.
In een aanvulling van de gronden van beroep heeft eiser, onder verwijzing naar diverse uitspraken van rechtbanken, aangevoerd dat de leefomstandigheden in de kampen zeer slecht zijn en nu de financiering vanuit de USAID is stopgezet alleen maar nog slechter zal worden. In dat verband is nog gewezen op de volgende bronnen:
- Document van Vluchtelingenwerk van 29 oktober 2025 ten aanzien van de “Positie van jezidi’s in Irak.”
- Document van Vluchtelingenwerk van 17 september 2025 over de “Ontwapening PKK en de gevolgen voor Sinjar.”
Ook zijn er brieven ingediend van de mentor van eiser, de docent burgerschap van het Vista college en het Nidos.
5.3.
Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij zich niet onmiddellijk na binnenkomst in Nederland heeft gemeld. Dit is verschoonbaar nu volstrekt logisch is dat hij en zijn broer na binnenkomst eerst naar familie zijn gegaan om bij te komen. Bovendien waren hij en zijn broer niet op de hoogte van de procedure.

Het oordeel van de rechtbank

Het geldende beleid
6. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de minister het beleid zoals dat gold voor 27 juni 2024 had dienen toe te passen. Vooropgesteld moet immers worden dat als uitgangspunt heeft te gelden dat bij het nemen van een besluit het recht wordt toegepast zoals dat op het moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels. In het geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuw recht in een ongunstigere positie komt, is geen bijzondere omstandigheid waardoor van dit uitgangspunt zou moeten worden afgeweken. [6] Ook in de combinatie van het gewijzigde strengere beleid en het niet tijdig beslissen door de minister ziet de rechtbank geen bijzondere omstandigheid die aanleiding zou moeten vormen om van het uitgangspunt van toepassing van het geldende recht af te wijken. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit lange tijd op zich heeft laten wachten, echter van het frustreren van de rechten van eiser is de rechtbank niet gebleken.
Situatie in het ontheemdenkamp
7. De rechtbank stelt vast dat de minister blijkens het aanvullende besluit van 29 september 2025 het vluchtelingenkamp Chamishku in Duhok beschouwt als de normale woon- of verblijfplaats van eiser. De gemachtigde van de minister heeft dit tijdens de zitting bevestigd. In haar uitspraak van 4 februari 2025 [7] heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat door de minister niet inzichtelijk is gemotiveerd wat nu heeft gemaakt dat sinds 2024 anders wordt aangekeken tegen het aanmerken van de ontheemdenkampen in de KAR, waartoe ook Chamishku behoort, als normale woon- of verblijfplaats van jezidi’s die afkomstig zijn uit de Sinjar regio. In het in 2019 geldende beleid is vastgesteld dat ontheemde jezidi’s het bovengemiddeld zwaar hadden in de KAR en daar niet, naar lokale maatstaven gemeten, op een normaal niveau konden functioneren. Medio 2024 is besloten dat deze ontheemdenkampen in de KAR wel kunnen worden beschouwd als normale woon- en verblijfplaats voor jezidi’s uit de Sinjar regio. Deze beleidswijziging heeft deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van 4 februari 2024 onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd geacht. In de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 februari 2025 [8] , 8 juli 2025 [9] en 18 augustus 2025 [10] is dit standpunt herhaald. In haar uitspraak van 24 november 2025 [11] heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat dit ook heeft te gelden voor de situatie van jezidi’s die buiten de ontheemdenkampen in de KAR wonen. Ook in die gevallen dient de minister uiteen te zetten wat maakt dat voor de jezidi’s de situatie medio mei 2024 in de KAR verbeterd is.
7.1.
De rechtbank constateert dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat de minister de feitelijke situatie in de ontheemdenkampen of in zijn algemeenheid in de KAR voor jezidi’s heeft onderzocht. Evenmin is aangegeven waarom de situatie in de kampen verbeterd is sinds 2019. Daar komt bij dat er op 7 november 2025 een Thematisch ambtsbericht is verschenen waarin uitgebreid de huidige situatie in de kampen in de KAR wordt beschreven. Blijkens het Thematisch ambtsbericht heeft het federale ministerie van Migratie en Ontheemding in januari 2024 besloten om de 23 op dat moment resterende formele vluchtelingenkampen onder het gezag van de Koerdische regionale regering, waaronder ook Chamishku, te sluiten. [12] Dit besluit is uitgesteld maar leidde volgens het thematisch ambtsbericht desondanks tot terugtrekking van hulp en het vertrek van verschillende (internationale) organisaties. Daarbij hebben de kortingen van de regering van president Trump ten aanzien van de USAID [13] gemaakt dat veel (lokale) hulporganisaties hun activiteiten hebben moeten staken. [14] Dit resulteerde volgens het thematisch ambtsbericht in een gebrek aan basisvoorzieningen, gebrek aan medische zorg, gebrek aan psychosociale ondersteuning en slechte leefomstandigheden in de kampen. [15] In het licht van deze informatie is de rechtbank van oordeel dat de minister niet alleen heeft nagelaten te motiveren waarom de KAR als normale woon- of verblijfplaats van jezidi’s uit de Sinjar-regio kan worden aangemerkt maar bovendien onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de huidige situatie in de ontheemdenkampen niet maakt dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM zoals volgt uit het arrest Sufi en Elmi. [16]
Terugkeerbesluit
8. Eiser heeft internationale bescherming in Griekenland. De minister kan de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus niet intrekken of beëindigen. Die mogelijkheid staat alleen open voor de Griekse autoriteiten. [17] Tijdens de zitting heeft de minister verwezen naar het informatiebericht over Griekse statushouders (IB 2026/1) en toegelicht dat bij Griekse statushouders een uitzondering wordt gemaakt op het uitgangspunt dat aan vreemdelingen met een status in een andere lidstaat geen terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd. Toegelicht is verder dat niet duidelijk is of de Griekse autoriteiten de door hen aan eiser verleende vluchtelingenstatus intrekken. Naar het oordeel van de rechtbank kon gelet hierop door de minister geen terugkeerbesluit genomen worden. [18]

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal daarom niet ingaan op wat eiser verder aan beroepsgronden heeft aangevoerd. Het besluit wordt vernietigd omdat sprake is van motiveringsgebreken. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 29 augustus 2025, aangevuld op 29 september 2025;
  • draagt de minister op om binnen twaalf weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Informatie over het hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Koerdische Autonome Regio.
3.Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Vreemdelingencirculaire 2000
5.Stcrt. 2024,19165.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4158.
12.Thematisch ambtsbericht, p. 6.
13.U.S. Agency for International Development.
14.Thematisch ambtsbericht, p. 11.
15.Idem.
16.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907.
17.Uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2865.
18.Uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2865) en 3 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2936).
19.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1.