ECLI:NL:RBDHA:2026:270

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
11069517
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Effectenleaseovereenkomsten en de vernietiging van oneerlijke bedingen door Dexia

In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Den Haag op 8 januari 2026, staat de rechtsgeldigheid van effectenleaseovereenkomsten centraal, specifiek die van Dexia Nederland B.V. De Afnemer heeft meerdere leaseovereenkomsten ondertekend, maar heeft deze later vernietigd op basis van misbruik van omstandigheden en wanprestatie. Dexia vorderde betaling van een restschuld, terwijl de Afnemer in reconventie stelde dat Dexia onrechtmatig had gehandeld en haar zorgplicht had geschonden. De rechtbank oordeelde dat Dexia haar zorgplicht had geschonden en bepaalde dat de bedingen die betrekking hadden op de resterende termijnen en beëindigingskosten in de eindafrekening vernietigd moesten worden. De Afnemer werd niet gehouden om de toekomstige termijnen te betalen, maar moest wel een deel van de reeds verschuldigde termijnen en restschuld dragen. De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Hoge Raad en concludeerde dat de Afnemer niet voldoende had aangetoond dat er sprake was van een onaanvaardbare financiële last. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij elke partij zijn eigen kosten droeg.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage
AR/IB002Fc
Zaak-/rolnr.: 11069517 EL EXPL 24-5
8 januari 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende in Amsterdam,
eisende partij in conventie en verwerende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. J.R. van Staveren (USG Legal Professionals),
tegen
[afnemer] ,
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie en eisende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces).
Partijen worden hierna Dexia en Afnemer genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 15 april 2024;
  • de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;
  • de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, tevens
houdende akte (voorwaardelijke) eiswijziging;
  • de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie;
  • de in het geding gebrachte producties.
1.2.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

2.De feiten

2.1.
Afnemer heeft de volgende leaseovereenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
Looptijd
Leasesom
I.
[contractnummer 1]
28-11-1997
Beleggen met korting
3 jaar
ƒ 15.991,16
II.
[contractnummer 2]
17-11-1998
WinstVerDriedubbelaar
3 jaar
ƒ 22.865,98
III.
[contractnummer 3]
30-9-1999
Korting Kado
10 jaar
€ 9.872,04
IV.
[contractnummer 4]
27-10-2000
Profit Effect
10 jaar
€ 24.916,00
De leaseovereenkomsten zijn zogeheten restschuldproducten; de verschuldigde maandelijkse leasetermijnen bestonden uitsluitend uit rente, en de geleende bedragen zouden telkens pas worden afgelost aan het einde van de looptijd, door het te gelde maken van de effecten en het verrekenen van de opbrengst daarvan. De leasesom is het totaal van lening, rente en kosten. Daarbij bestond het risico dat de verkoopopbrengst van de geleasede effecten bij (tussentijdse) beëindiging van de overeenkomst niet toereikend zou zijn voor de terugbetaling van het geleende bedrag, in welk geval een restschuld zou overblijven.
2.2.
In overeenkomst III is de volgende bepaling opgenomen.
Artikel 2:
[…] Lessee heeft het recht deze lease-overeenkomst na verloop van drie jaar na de aankoopdatum van de waarden dagelijks middels een schriftelijke mededeling aan Legio-Lease te beëindigen. In geval van vervroegde beëindiging na drie jaar wordt een korting van 50% verleend op de resterende maandbedragen (punt 3b ). Artikel 11 van de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease zal in dat geval niet van toepassing zijn […].
In de op deze overeenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden (Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease van Legio-Lease) is onder meer het volgende opgenomen.
Artikel 6:
Indien (a) lessee na schriftelijke ingebrekestelling nalatig blijft met het betalen van één of meer maandtermijnen of het nakomen van enige andere verplichting uit hoofde van de overeenkomst of enige andere soortgelijke leaseovereenkomst als de onderhavige overeenkomst, of (b) lessee surséance van betaling aanvraagt of failliet wordt verklaard, is de Bank gerechtigd de overeenkomst en alle andere soortgelijke leaseovereenkomsten terstond te beëindigen en het onbetaalde restant van de totaal overeengekomen leasesom(men) uit hoofde van alle lopende lease-overeenkomsten soortgelijk als de onderhavige overeenkomst in zijn geheel op te eisen en de waarden te verkopen op een door Legio Lease te bepalen moment ter beurze of anderszins. Legio Lease zal de opbrengst van die verkoop in mindering brengen op datgene wat lessee haar verschuldigd is. Een eventueel batig saldo zal alsdan door de Bank aan lessee worden uitbetaald.
Artikel 11:
In geval van tussentijdse beëindiging door lessee zal de vordering van lessee bestaan in een bedrag gelijk aan de verkoopwaarde van de waarden verminderd met een bedrag gelijk aan de contante waarde van het onbetaalde restant van de totaal overeengekomen leasesom, tenzij anders is overeengekomen. De contante waarde wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 7A: art. 1576 e. lid 2 BW. Een eventueel tekort zal alsdan door lessee binnen 14 dagen na dagtekening van de afrekening moeten worden voldaan.
Artikel 15:
[…] In geval van ontbinding van de overeenkomst zal de vordering van lessee bestaan in een bedrag gelijk aan de verkoopwaarde van de waarden op de datum van ontbinding verminderd met een bedrag gelijk aan de contante waarde van het onbetaalde restant van de totaal overeengekomen leasesom. De contante waarde wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 7A:1576e lid 2 BW.
2.3.
In overeenkomst IV is de volgende bepaling opgenomen.
Artikel 2:
[…] Lessee heeft het recht deze lease-overeenkomst dagelijks middels een schriftelijke mededeling aan de Bank te beëindigen. In geval van vroegtijdige beëindiging wordt een korting verleend op de alsdan geldende resterende maandbedragen (punt 3b ), met dien verstande dat bij vervroegde beëindiging binnen de eerste 36 maanden lessee naast betaling of verrekening van de restant hoofdsom aan de Bank een bedrag verschuldigd is gelijk aan 50% van de nog niet verstreken bruto maandtermijnen tot en met de 120e maand, vermeerderd met 10% van de reeds verstreken bruto maandtermijnen en verminderd met de nog niet verstreken vooruitbetaalde bruto maandtermijnen. Onder bruto maandtermijnen wordt verstaan de maandtermijnen zonder de verleende korting.
In de op deze overeenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden (Bijzondere Voorwaarden Labouchere Effecten Lease) is onder meer het volgende opgenomen.
Artikel 6:
Indien (a) lessee na schriftelijke ingebrekestelling nalatig blijft met het betalen van één of meer maandtermijnen of het nakomen van enige andere verplichting uit hoofde van de overeenkomst of enige andere soortgelijke leaseovereenkomst als de onderhavige overeenkomst, of (b) lessee surséance van betaling aanvraagt of failliet wordt verklaard, is de Bank gerechtigd de overeenkomst en alle andere soortgelijke leaseovereenkomsten terstond te beëindigen en het onbetaalde restant van de totaal overeengekomen leasesom(-men) uit hoofde van alle lopende leaseovereenkomsten soortgelijk als de onderhavige overeenkomst in zijn geheel op te eisen en de waarden te verkopen op een door de Bank te bepalen moment ter beurze of anderszins. De Bank zal de opbrengst van die verkoop in mindering brengen op datgene wat lessee haar verschuldigd is. Een eventueel batig saldo zal alsdan door de Bank aan lessee worden uitbetaald.
Artikel 11:
In geval van tussentijdse beëindiging door lessee zal de vordering van lessee bestaan in een bedrag gelijk aan de verkoopwaarde van de waarden verminderd met een bedrag gelijk aan de contante waarde van het onbetaalde restant van de totaal overeengekomen leasesom, tenzij anders is overeengekomen. De contante waarde wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 7A: art. 1576e lid 2 BW. Een eventueel tekort zal alsdan door lessee binnen 14 dagen na dagtekening van de afrekening moeten worden voldaan.
Artikel 15:
[…] In geval van ontbinding van de overeenkomst zal de vordering van lessee bestaan in een bedrag gelijk aan de verkoopwaarde van de waarden op de datum van ontbinding verminderd met een bedrag gelijk aan de contante waarde van het onbetaalde restant van de totaal overeengekomen leasesom. De contante waarde wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 7A:1576e lid 2 BW.
2.4.
Afnemer heeft bij brief van 5 augustus 2005, door Dexia ontvangen op 8 augustus 2005, overeenkomsten II, III en IV vernietigd dan wel ontbonden op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, onrechtmatige daad, misleidende reclame en dwaling en voor zover nodig de overeenkomsten tevens opgezegd. Dexia heeft geen gevolg gegeven aan deze brief.
2.5.
Overeenkomsten I en II hebben doorgelopen tot het einde van de looptijd. Overeenkomsten III en IV zijn op 17 februari 2006 tussentijds door Dexia op de voet van artikel 6 van de toepasselijke algemene voorwaarden beëindigd omdat Afnemer in gebreke bleef met het betalen van de overeengekomen maandtermijnen.
2.6.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten telkens een eindafrekening opgesteld. Deze tonen het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Koersdatum
Resultaat
Betaald
I.
Niet bekend
27-11-2000
€ 1.920,48
Nee
II.
Niet bekend
16-11-2001
€ 1.598,31
Nee
III.
Niet bekend
17-02-2006
- € 2.321,43
Nee
IV.
Niet bekend
17-02-2006
- € 7.937,36
Nee
2.6.1.
De eindafrekening voor overeenkomst III gaat uit van een bedrag van € 3.600,61 aan verkoopopbrengst van de aandelen en tegoeden op het contract. Hierop worden in mindering gebracht:
- € 1.958,22 aan resterende rentetermijnen, contant gemaakt tegen 5 % is € 1.792,95
- de eerste aflossingstermijn op de hoofdsom € 45,38
- beëindigingskosten € 110,00
- € 4.361,86 restant aflossing hoofdsom, contant gemaakt op een bedrag van € 3.654,93
- achterstallige rentetermijnen € 318,78
zodat een negatief resultaat van € 2.321,43 resteert.
2.6.2.
De eindafrekening voor overeenkomst IV gaat uit van een bedrag van € 7.580,20 aan verkoopopbrengst van de aandelen en tegoeden op het contract. Hierop worden in mindering gebracht:
- € 6.436,64 aan resterende rentetermijnen, contant gemaakt tegen 5 % is € 5.744,76
- de eerste aflossingstermijn op de hoofdsom € 45,38
- beëindigingskosten € 110,00
- € 11.077,82 restant aflossing hoofdsom, contant gemaakt op een bedrag van € 8.812,84
achterstallige rentetermijnen € 804,58
zodat een negatief resultaat van € 7.937,36 resteert.
2.7.
Afnemer heeft op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 12.955,98 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Afnemer heeft van Dexia een bedrag van € 2.258,38 aan dividenden en claims ontvangen en € 2.813,97 aan fiscaal voordeel genoten (ervan uitgaande dat Afnemer in de 50%-schijf viel).

3.De vordering en het verweer in conventie en in reconventie

3.1.
Dexia vordert, na (voorwaardelijke) wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten, zal verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en Afnemer gesloten overeenkomsten na betaling van een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, aan al haar verbintenissen heeft voldaan, daaronder begrepen schadevergoedingsverbintenissen, en derhalve niets meer aan Afnemer verschuldigd is, met veroordeling van Afnemer tot betaling van het in goede justitie vast te stellen bedrag en in de kosten van het geding. Volgens Dexia is Afnemer in totaal een bedrag van € 10.258,79 wegens restschuld aan Dexia verschuldigd, waarvan na toepassing van het Hofmodel en aftrek van het door Dexia reeds met Afnemer verrekende bedrag van € 275,95, nog een bedrag van € 3.143,65 overblijft dat door Afnemer aan Dexia zou moeten worden betaald.
3.2.
Afnemer voert verweer tegen de vorderingen van Dexia en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van Dexia, althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten en de nakosten. Afnemer vordert in reconventie dat de kantonrechter bij vonnis:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar tekort is geschoten, althans haar zorgplicht heeft geschonden jegens Afnemer;
  • voor recht zal verklaren dat er ten aanzien van de overeenkomsten sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last conform het Hofmodel;
  • het beding op basis waarvan Dexia resterende termijnen in rekening bracht op de eindafrekening met de overeenkomsten III en IV zal vernietigen, en voor recht zal verklaren dat Afnemer het totaalbedrag van € 7.537,71 niet verschuldigd is;
  • het beding op basis waarvan Dexia beëindigingskosten in rekening bracht op de eindafrekening van de overeenkomsten III en IV zal vernietigen en voor recht zal verklaren dat Afnemer deze bedragen niet verschuldigd is;
  • Dexia veroordeelt om aan Afnemer te voldoen al hetgeen Afnemer aan Dexia ingevolge de overeenkomsten heeft voldaan, vermeerderd met wettelijke rente;
  • Dexia veroordeelt in de proceskosten, met nakosten.

4.De beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie

Algemeen
4.1.
Het gaat in deze zaak om financiële producten die tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer zijn verkocht, namelijk effectenleaseovereenkomsten. Kenmerk van deze producten is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 20 à 25 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de Wet Collectieve Afwikkeling Massaschade, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie Afnemer.
4.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Recent is daar een aantal uitspraken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bijgekomen. [2] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
4.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
Afnemer heeft schade geleden, bestaande uit verschuldigde termijnen (reeds betaalde, achterstallige en toekomstige) en restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
4.4.
Hierna zal achtereenvolgens worden ingegaan op:
de vaststelling van de schade wegens ten onrechte in rekening gebrachte termijnen en de schade wegens restschuld;
het op de schade in mindering brengen van het genoten voordeel;
eventuele eigen schuld (art. 6:101 BW);
een wel of niet onaanvaardbaar zware financiële last;
de consequenties van het voorgaande voor de verdeling van de (resterende) schade;
wat elke partij gelet op het voorgaande nog aan de andere partij verschuldigd is;
wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
4.5.
Waar hierna sprake is van ‘(lease)termijnen’ ‘restschuld’, ‘dividenden en claims’, ‘waarde effecten’, ‘restant hoofdsom beëindiging’, ‘uitkering’ en ‘fiscaal voordeel’ wordt gedoeld op de bedragen die bij de betreffende overeenkomsten worden vermeld op het meest recente door Dexia overgelegde financiële overzicht (de laatste twee genoemde onder het kopje ‘Overige voordelen’). Nu Afnemer de juistheid van de daarop vermelde gegevens niet, althans niet voldoende gemotiveerd heeft betwist, wordt daarvan uitgegaan.
a)
De vaststelling van de schade wegens ten onrechte in rekening gebrachte termijnen en de schade wegens restschuld
4.5.
De schade die geacht wordt als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia te zijn ontstaan, bestaat uit de schade wegens de door Afnemer verschuldigde termijnen, dat wil zeggen zowel de betaalde termijnen als de bij de eindafrekening nog verschuldigde (achterstallige en/of toekomstige) termijnen, en uit een (eventuele) restschuld.
resterende rentetermijnen
4.6.
Tussen partijen is in geschil of Dexia op grond van bedingen in de (Bijzondere voorwaarden bij de) overeenkomsten III en IV bij de eindafrekening een bedrag van (€ 1.792,95 bij overeenkomst III en € 5.744,76 bij overeenkomst IV is in totaal) € 7.537,71 bij Afnemer in rekening mocht brengen. Daarbij gaat het om – wegens de vroegtijdige beëindiging van de overeenkomst gemiste – toekomstige rentetermijnen (waarvan het totaalbedrag door Dexia contant is gemaakt door toepassing van een aftrek van 5% per resterend jaar van de looptijd). Afnemer heeft een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van bovenbedoelde bedingen, onder meer omdat dit volgens haar ‘oneerlijke bedingen’ vormen als bedoeld in de Richtlijn 93/13 EEG (hierna: de Richtlijn).
4.7.
De prejudiciële beslissing van 21 april 2017 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:773) had betrekking op algemene voorwaarden bij een effectenleaseovereenkomst, waarvan artikel 6 en 15 gelijkluidend waren aan de artikelen 6 en 15 van de in deze zaak toepasselijke voorwaarden (zie 2.2 en 2.3). In deze beslissing heeft de Hoge Raad geoordeeld dat artikel 6 van de algemene voorwaarden een oneerlijk beding is in de zin van de Richtlijn voor zover het artikel ziet op rentetermijnen die ten tijde van de beëindiging op grond van artikel 6 nog toekomstig zijn. Het beding is oneerlijk, omdat Dexia op grond daarvan aanspraak zou kunnen maken op volledige betaling van de toekomstige rentetermijnen, terwijl er geen rekening wordt gehouden met de voordelen die Dexia kan genieten bij vervroegde betaling. Daaraan doet niet af dat Dexia op grond van artikel 15 van de voorwaarden (zoals zij dat uitlegt) de rentermijnen contant maakt overeenkomstig artikel 7A:1576e lid 2 (oud) BW, dus door middel van een aftrek van 5% per jaar op het bedrag van de nog verschuldigde rentetermijnen, omdat die berekeningswijze het voordeel slechts voor een gering deel compenseert, aldus de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft daarbij met zoveel woorden overwogen dat zijn beslissing ook geldt bij ontbinding van de overeenkomst. Uit deze uitspraak volgt dat de rechter gehouden is om een dergelijk beding op grond van artikel 6:233 BW te vernietigen, voor zover dit betrekking heeft op rentetermijnen die ten tijde van de beëindiging dan wel ontbinding op grond van die bepaling nog toekomstig waren. Op die termijnen kan dan niet langer aanspraak worden gemaakt.
4.8.
De kantonrechter gaat er in het navolgende van uit dat overeenkomsten III en IV zijn beëindigd/ontbonden door de tussentijdse beëindiging door Dexia wegens wanbetaling per 17 februari 2006. Dexia heeft de eerdere opzegging door Afnemer kennelijk niet geaccepteerd en heeft de overeenkomsten III en IV daarna voortgezet, waartegen Afnemer zich verder ook niet heeft verzet. Afnemer gaat zelf in haar vorderingen, net als aanvankelijk Dexia, uit van de beëindiging per 17 februari 2006. De conclusies die Dexia verbindt aan het door haar gestelde feit dat de overeenkomsten III en IV door Afnemer zelf zijn beëindigd op de voet van artikel 3 van de overeenkomsten, gaan dan ook niet op en de door haar aangehaalde jurisprudentie voor deze situatie is niet van toepassing.
4.9.
Dexia heeft na gebruikmaking van haar beëindigingsmogelijkheid op grond van artikel 6 van de algemene voorwaarden bij zowel overeenkomst III als overeenkomst IV aanspraak gemaakt op de volledige resterende termijnen en de volledige hoofdsom, zij het dat zij op beide posten – kennelijk met toepassing van artikel 15 van de algemene voorwaarden – een korting van 5% per resterend jaar heeft gegeven. Artikel 6 moet op grond van het voorgaande worden vernietigd voor zover dit betrekking heeft op rentetermijnen die ten tijde van de beëindiging/ontbinding op grond van die bepaling nog toekomstig waren. Dit geldt niet voor het ineens opeisen van de hoofdsom. Dit is niet oneerlijk, omdat daaruit voor Dexia geen voordeel voortvloeit. De hoofdsom ziet op de betaling van de koopprijs van de aandelen en bij beëindiging van de overeenkomst verkoopt Dexia de aandelen of draagt zij de eigendom over aan Afnemer. De overeenkomst kan prima voortbestaan als het gedeelte dat ziet op de opeising van de toekomstige rentetermijnen wordt vernietigd (ECLI:EU:C:2021:68, punt 62). De kantonrechter volgt Dexia dan ook niet in haar stelling dat het vervallen van de post ‘contant gemaakte resterende rentetermijnen’ ook meebrengt dat de toegepaste korting bij de post ‘restant hoofdsom’ moet komen te vervallen. De bepaling van artikel 6 voor zover die ziet op de hoofdsom en de bepaling van artikel 15 van de algemene voorwaarden worden niet vernietigd, kunnen voortbestaan en blijven dus gelden.
4.10.
Uit het voorgaande volgt dat de post die ziet op de resterende termijnen in de eindafrekeningen van overeenkomsten III en IV van € 7.537,71 komt te vervallen. Dexia heeft erkend dat de in de eindafrekeningen van deze twee overeenkomsten opgenomen posten van € 110,00 (per overeenkomst) aan beëindigingskosten daarop eveneens in mindering moet worden gebracht omdat deze zijn gebaseerd op oneerlijke bedingen die moeten worden vernietigd. In totaal moet dus op de eindafrekeningen van deze twee overeenkomsten (€ 7.537,71 plus € 220,00 is) € 7.757,71 in mindering worden gebracht. In plaats van een – na verrekening van de verkoopopbrengst nog te betalen – bedrag van € 10.258,79 resteert dan een bedrag van € 2.501,08 (waarvan Afnemer reeds € 275,95 heeft voldaan). Bij deze berekening is de oorspronkelijke eindafrekening als uitgangspunt genomen, omdat de overeenkomsten toen zijn beëindigd (zie 4.8).
b)
Het op de schade in mindering brengen van het genoten voordeel
4.11.
Op de door Afnemer geleden schade dient eerst in mindering te worden gebracht het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW. Dit bestaat uit de in verband met de betreffende overeenkomst ontvangen inkomsten uit ‘Dividenden en claims’ en het genoten fiscaal voordeel. Een eventueel reeds door Dexia betaalde (gedeeltelijke) schadevergoeding behoort niet tot de hier bedoelde voordelen.
4.12.
Indien daarvan sprake is, behoort tot het op de schade in mindering te brengen voordeel eveneens het batig saldo uit andere effectenleaseovereenkomsten, tenzij deze meer dan een jaar vóór het aangaan van de overeenkomst waarbij de schade zich voordoet zijn beëindigd. Onder batig saldo wordt verstaan hetgeen aan opbrengst resteert nadat alle betalingen door de afnemer in mindering zijn gebracht.
4.13.
Voor zover sprake is van voordeel als hiervoor bedoeld, dient dit eerst in mindering te worden gebracht op de schade die Afnemer heeft geleden wegens verschuldigde (uit de voorgaande overwegingen volgt: reeds betaalde) termijnen. Resteert dan nog een niet verrekend deel van het voordeel en is er sprake van meerdere verlieslatende overeenkomsten, dan dient vervolgens verrekening plaats te vinden met de schade wegens termijnen uit de volgende verlieslatende overeenkomst(en), en daarna met de schade, bestaande in de restschuld, tot alle voordeel is verrekend.
c)
Eigen schuld (artikel 6:101 BW)
4.14.
Omdat een oorzakelijk verband tussen de tekortkoming van Dexia en de totstandkoming van de overeenkomsten tot effectenlease kan worden aangenomen en omdat de nadelige financiële gevolgen van die overeenkomsten voor Afnemer Dexia als een gevolg van haar tekortkoming kunnen worden toegerekend, is Dexia in beginsel gehouden tot vergoeding van alle zojuist bedoelde schadebestanddelen. Er is echter aanleiding voor een vermindering van de vergoedingsplicht van Dexia op grond van artikel 6:101 BW, de zogenoemde 'eigen schuld', omdat de schade van Afnemer mede het gevolg is van een omstandigheid die aan Afnemer kan worden toegerekend. Zij heeft de overeenkomsten namelijk gesloten terwijl zij bekend was – of met een redelijke inspanning bekend had kunnen zijn – met de risicovolle eigenschappen van de overeenkomsten, in het bijzonder de mogelijkheid dat de aandelen aan het eind van de overeenkomsten minder waard zouden zijn dan de hoofdsom, waardoor een restschuld zou ontstaan. De schade moet dus verdeeld worden over partijen in evenredigheid met de mate waarin de aan Dexia en de Afnemer toe te rekenen omstandigheden tot het ontstaan van de schade hebben bijgedragen. Voor deze verdeling wordt in de rechtspraak algemeen het zogenoemde Hofmodel [3] gebruikt:
  • in alle gevallen bestaat grond voor een vermindering van de vergoedingsplicht van Dexia voor zover deze betrekking heeft op de restschuld van Afnemer wegens een (voor de terugbetaling van de lening) ontoereikende verkoopopbrengst van de geleasede effecten bij beëindiging van de overeenkomst. Uit de overeenkomst was immers voldoende duidelijk kenbaar dat daarbij een geldlening werd verstrekt, dat het geleende bedrag werd belegd in effecten en dat het geleende bedrag moest worden terugbetaald, ongeacht de waarde van de effecten op het tijdstip van verkoop daarvan. In evenredigheid met de mate waarin de aan Dexia en de aan de wederpartij toe te rekenen omstandigheden tot de restschuld hebben bijgedragen, wordt de vergoedingsplicht van Dexia ten aanzien hiervan in beginsel verminderd tot twee derde van de restschuld. Een derde blijft dus in beginsel voor rekening van Afnemer.
  • in gevallen waarin het aangaan van de overeenkomst naar redelijke verwachting geen onaanvaardbaar zware financiële last op Afnemer zou hebben gelegd, mocht deze redelijkerwijs in staat worden geacht aan de betalingsverplichtingen uit de overeenkomst te voldoen en hoefde Dexia het aangaan van de overeenkomst niet te ontraden. Omdat de verplichtingen tot betaling van rente en tot terugbetaling van de verstrekte lening, ongeacht de waarde van de geleasede effecten op het tijdstip van verkoop daarvan, voldoende duidelijk uit de overeenkomst kenbaar zijn, wordt aangenomen dat de schade, bestaande in betaalde rente en betaalde termijnbedragen die strekten tot aflossing van de lening geheel worden toegeschreven aan de eigen schuld van Afnemer. De vergoedingsplicht van Dexia moet dan worden verminderd, zodanig dat Dexia de zojuist bedoelde schadeposten in het geheel niet hoeft te vergoeden;
  • als het door Dexia te verrichten onderzoek zou hebben uitgewezen dat naar redelijke verwachting de uit de overeenkomst voortvloeiende financiële verplichtingen wel een onaanvaardbaar zware last op Afnemer zouden leggen, dan had Dexia het aangaan van de overeenkomst aan Afnemer moeten ontraden en kan de schade, bestaande in betaalde rente en betaalde aflossingen, niet geheel worden toegeschreven aan de eigen schuld van Afnemer. In evenredigheid met de mate waarin de aan Dexia en de aan Afnemer toe te rekenen omstandigheden tot het ontstaan van de zojuist bedoelde schade van Afnemer hebben bijgedragen, wordt de vergoedingsplicht van Dexia daarom in beginsel verminderd tot twee derde deel van de schade bestaande in betaalde rente en betaalde aflossingen. Dat betekent dat zij een derde deel van de schade niet hoeft te vergoeden en dat de betreffende schadeposten in zoverre voor rekening van de wederpartij blijven. Bijzondere, van de betrokken individuele zaak afhankelijke omstandigheden kunnen tot een andere schadeverdeling aanleiding geven.
Wel of niet een onaanvaardbare financiële last
4.15.
In dit geval heeft Afnemer zich erop beroepen dat het aangaan van de overeenkomsten II, III en IV voor haar een onaanvaardbaar zware financiële last heeft opgeleverd. Daarom moet beoordeeld worden of onderzoek door Dexia destijds zou hebben uitgewezen dat daarvan naar redelijke verwachting sprake zou zijn. Of dat het geval is, wordt beoordeeld door toepassing van de Hof-formule als weergegeven in het eerder genoemde arrest van het gerechtshof Amsterdam.
4.16.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last moeten alle bekende omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de financiële ruimte van een belegger in aanmerking worden genomen. De hiervoor gehanteerde vuistregel (de Hof-formule) luidt: X - W - A - B - C < Y + 0,1 x Y + 0,15 x (X-Y). De factor X staat voor het besteedbare netto-maandinkomen van Afnemer. De factor Y betreft de NIBUD-basisnorm voor het betrokken type huishouden. De factor W staat voor de maandelijkse huur- of hypotheeklasten voor de eigen dan wel gehuurde woning, voor zover deze het daarvoor door het NIBUD gehanteerde basisbedrag overtreffen. De factor A staat voor de verplichtingen die voortvloeien uit de leaseovereenkomst, factor B staat voor eventuele financiële verplichtingen uit andere, eerder aangegane leaseovereenkomsten. De factor C staat voor eventuele (daadwerkelijk bestaande) rente- en aflossingsverplichtingen uit andersoortige eerdere kredietovereenkomsten. Indien sprake is van vermogen van méér dan € 5.000 (bij alleenstaanden) of € 10.000 (bij een meerpersoonshuishouden) waaruit de verplichtingen uit de overeenkomst hadden kunnen worden voldaan, dan dient dit meerdere te worden gedeeld door het aantal maanden waarvoor de overeenkomst is aangegaan, waarbij de uitkomst (‘factor V’) dient te worden opgeteld bij de bestedingsruimte.
4.17.
Nu Afnemer over overeenkomst I niet heeft gesteld dat sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last als gevolg van het aangaan daarvan, wordt aangenomen dat hiervan geen sprake was bij deze overeenkomst. Ten aanzien van de andere overeenkomsten tussen partijen is in het bijzonder in geschil of Afnemer voldoende heeft onderbouwd dat zij alleenstaand was (factor Y) en of uitgegaan dient te worden van de door Afnemer opgevoerde inkomens- en vermogenspositie (factor V).
gezinssamenstelling (factor Y)
4.18.
Voor de beoordeling of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last als hierboven bedoeld is onder meer van belang of Afnemer ten tijde van het aangaan van de overeenkomst met anderen een gemeenschappelijke huishouding vormde en zo ja, wat de omvang van dat huishouden was. Indien sprake is van een gezamenlijke huishouding tussen Afnemer en één of meer andere personen zullen het inkomen en vermogen van die ander(en) namelijk in de beoordeling moeten worden betrokken. Aangesloten wordt bij de overwegingen van de Hoge Raad in het arrest van 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003). Doorslaggevend zijn de feitelijke omstandigheden. In het geval Afnemer op hetzelfde adres woonde als een of meer andere personen wordt als uitgangspunt genomen dat sprake was van een gemeenschappelijke huishouding tussen betrokkenen. Dat uitgangspunt dient echter te kunnen worden getoetst aan de bijzondere omstandigheden van het individuele geval. Het uit te voeren onderzoek is niet anders dan het onderzoek dat Dexia vooraf had dienen uit te voeren om na te gaan of Afnemer al dan niet in staat kon worden geacht aan de betalingsverplichtingen betreffende de termijnen te voldoen.
4.19.
Dexia betwist dat Afnemer in de bewuste periode alleenstaande was. Afnemer dient de gegevens die nodig zijn voor de beoordeling hiervan te verstrekken en met stukken te onderbouwen. Afnemer heeft ter onderbouwing van haar gezinssituatie meerdere producties overgelegd. Zo heeft zij een uittreksel overgelegd uit de gemeentelijke basisregistratie personen dat zij in 2014 van de gemeente Den Haag heeft ontvangen, waaruit volgt dat zij in ieder geval in 2014 alleen woonde. Daarnaast heeft zij een uitdraai van www.mijnoverheid.nl in het geding gebracht om één en ander te onderbouwen, alsmede een overzicht ‘Biljetten van een proces’ en bladzijdes uit de toelichting op de inkomstenbelasting van 1998 tot en met 2000. Tot slot heeft Afnemer nog een kopie van de op 25 april 1986 verleende woonruimtevergunning overgelegd.
4.20.
Afnemer heeft met de door haar overgelegde stukken niet voldoende onderbouwd dat zij ten tijde van het aangaan van overeenkomsten II, III en IV in de periode 1998-2000 alleenstaand was. Uit de overgelegde ‘Biljetten van een proces’ blijkt wel dat zij in die periode niet gehuwd was, maar dat zegt onvoldoende over de feitelijke woonsituatie. Hoewel duidelijk is dat Afnemer pogingen heeft gedaan om met uittreksels uit de gemeentelijke basisregistratie aan te tonen dat zij in de periode waarin zij de overeenkomsten met Dexia aanging alleen woonde, moet het voor haar rekening en risico blijven dat dit niet is gelukt. Uit de stukken die betrekking hebben op 1986 en 2014 kan niet worden afgeleid dat zij ook in de jaren 1998-2000 alleen woonde. Andere stukken of verklaringen zijn niet overgelegd. Afnemer zal daarom niet als alleenstaande worden aangemerkt. Dat betekent dat de kantonrechter niet kan vaststellen dat sprake is geweest van een onaanvaardbare financiële last. Factor V (vermogen), waarover partijen ook nog hebben gediscussieerd, behoeft daarom geen bespreking meer.
e) De consequenties voor de verdeling van de (resterende) schade
4.21.
Uit het voorgaande volgt dat Afnemer de volgens de overeenkomst verschuldigde toekomstige termijnen voor overeenkomsten III en IV niet hoeft te voldoen, zodat zij ter zake daarvan geen schade lijdt. De schade wegens ten tijde van de beëindiging reeds verschuldigde termijnen voor overeenkomsten III en IV en de schade wegens alle termijnen van overeenkomsten I en II blijft geheel voor rekening van Afnemer, evenals een derde deel van de resterende schade wegens restschuld.
f) Wat elke partij nog aan de andere partij verschuldigd is
4.22.
Op grond van het voorgaande en de door Dexia (meest recent) overgelegde financiële gegevens van de onderhavige overeenkomsten zullen partijen in staat zijn te berekenen:
a. wat de schade is aan verschuldigde termijnen en restschuld;
b. wat de in mindering te brengen voordelen zijn (inclusief eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten) en wat na aftrek daarvan aan schade resteert;
c. of, en zo ja tot welk bedrag, Afnemer een resterende schade wegens termijnen en wegens restschuld zelf dient te dragen;
d. wat Afnemer op grond van haar betalingsverplichtingen uit de overeenkomsten (rekening houdend met de vernietiging van de oneerlijke bedingen) in totaal aan Dexia verschuldigd is.
4.23.
Afnemer heeft in verband met de onderhavige overeenkomst(en) jegens Dexia aanspraak op schadevergoeding indien en voor zover Afnemer ter zake van een bepaalde overeenkomst méér aan Dexia heeft betaald dan het onder d. bedoelde bedrag verminderd met het totaal van de onder c. bedoelde bedragen en verminderd met een (eventueel) reeds door Dexia betaalde schadevergoeding (exclusief wettelijke rente). In zoverre zal de vordering van Afnemer tot veroordeling van Dexia tot betaling van schadevergoeding worden toegewezen.
4.24.
Dexia heeft in verband met overeenkomsten jegens Afnemer aanspraak op nakoming van de betalingsverplichtingen van Afnemer, indien en voor zover Afnemer ter zake van een bepaalde overeenkomst minder aan Dexia heeft betaald dan het onder d. bedoelde bedrag verminderd met het totaal van de onder c. bedoelde bedragen. In zoverre zal de vordering van Dexia tot betaling door Afnemer worden toegewezen.
4.25.
Naast deze veroordelingen hebben partijen geen belang bij de door hen gevorderde verklaringen voor recht, zodat deze zullen worden afgewezen.
De wettelijke rente en proceskosten.
4.26.
Een aanspraak op wettelijke rente over nadeel, dat bij de voordeelstoerekening wordt verrekend met de voordelen, moet worden geacht niet te zijn ontstaan, aangezien die de schadeberekening te zeer zou compliceren. Slechts over het nadeel dat na voordeelstoerekening resteert, kan overeenkomstig de uitspraak van de Hoge Raad van 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198) wettelijke rente worden toegewezen (Hoge Raad 3 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). De wettelijke rente wordt, als onvoldoende bestreden, toegewezen over het bedrag aan schadevergoeding voor zover deze nog door Dexia verschuldigd is. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910).
4.27.
Nu beide partijen over en weer gedeeltelijk in het gelijk worden gesteld zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt, zowel in conventie als in reconventie.

5.Beslissing

De kantonrechter
ten aanzien van de vorderingen van Dexia:
5.1.
veroordeelt Afnemer aan Dexia te betalen het bedrag dat Afnemer volgens r.o. 4.24. nog verschuldigd is aan Dexia, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, te berekenen vanaf het moment dat alle voordeel is verrekend en met toepassing van de uitgangspunten als geformuleerd in r.o. 4.26.) tot de dag van algehele voldoening;
ten aanzien van de vorderingen van Afnemer:
5.2.
vernietigt het beding op basis waarvan Dexia resterende termijnen in rekening bracht op de eindafrekening van de overeenkomsten III en IV (nummers [contractnummer 3] en [contractnummer 4] );
5.3.
vernietigt het beding op basis waarvan Dexia beëindigingskosten in rekening bracht op de eindafrekening van de overeenkomsten III en IV (nummers [contractnummer 3] en [contractnummer 4] );
5.4.
veroordeelt Dexia aan Afnemer te betalen het bedrag dat Dexia volgens r.o. 4.23 nog verschuldigd is aan Afnemer, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover te berekenen vanaf het moment dat alle voordeel is verrekend en met toepassing van de uitgangspunten als geformuleerd in r.o. 4.26) tot de dag van algehele voldoening;
ten aanzien van beide vorderingen
5.5.
compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;
5.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr I.D. Bellaart, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 januari 2026

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:GHARL:2025:1317.
3.Gerechtshof Amsterdam 1 december 2009 ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4981