ECLI:NL:RBDHA:2026:274

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
NL25.56958 en AWB 25.22264
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.W. van Waterschoot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van twee beroepen tegen besluiten van het COa en de minister van Asiel en Migratie met betrekking tot vrijheidsbeperkende maatregelen en plaatsing in de HTL

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedaan op 8 januari 2026, worden twee beroepen van eiser beoordeeld. Het eerste beroep is gericht tegen het besluit van het COa van 6 november 2025, waarin eiser werd geplaatst in de HTL in Hoogeveen. Het tweede beroep betreft een vrijheidsbeperkende maatregel die door de minister van Asiel en Migratie is opgelegd. Eiser heeft op 20 november 2025 gronden van beroep ingediend, waarop het COa op 11 december 2025 een verweerschrift heeft ingediend. De rechtbank heeft de beroepen op 18 december 2025 gelijktijdig behandeld, maar eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en de beroepen ongegrond verklaard, wat betekent dat de besluiten in stand blijven. De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een structurele gedragsverandering, ondanks zijn argumenten dat de gronden voor de HTL-maatregel verouderd zijn. De rechtbank wijst erop dat eerdere incidenten en overtredingen van huisregels door eiser niet zijn onderbouwd en dat de motivering van het plaatsingsbesluit niet voldoende is, maar dat dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd. De rechtbank veroordeelt het COa in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-. Eiser krijgt geen schadevergoeding en kan tegen de uitspraak van het plaatsingsbesluit in hoger beroep gaan, terwijl het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel niet vatbaar is voor hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.56958 en AWB 25/22264

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 januari 2026 in de zaak tussen

[naam] eiser,

V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 6 november 2025. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 6 november 2025 in de HTL [1] in Hoogeveen te plaatsen (hierna: het plaatsingsbesluit). [2] Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van 6 november 2025 om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw [3] op te leggen (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.
1.1.
Eiser heeft op 20 november 2025 gronden van beroep ingediend, waarop het COa op 11 december 2025 een verweerschrift heeft ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 18 december 2025 gelijktijdig op zitting behandeld. Eiser en gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen worden, met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ongegrond verklaard. Dit betekent dat de beide besluiten in stand blijven. Wel komen de proceskosten voor vergoeding in aanmerking. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt.

Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit

Beroepsgronden van eiser
3. Eiser stelt dat in het plaatsingsbesluit uiteen wordt gezet dat de gronden voor de HTL-maatregel de incidenten zijn tussen 26 en 29 november 2024 en dat deze incidenten circa vier maanden geleden hebben plaatsgevonden. Het COa stelt dat gedragsverandering een doelstelling is van de HTL-plaatsing en eiser meent dat, nu er een aantal maanden zijn verstreken sinds de eerdere incidenten, er opnieuw gemotiveerd dient te worden waarom plaatsing in de HTL alsnog noodzakelijk is. Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 december 2024 [4] , waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat het COa niet kan volstaan met het teruggrijpen op gedragingen van eiser van vier maanden daarvoor.
3.1.
Voorts voert eiser aan dat zowel het plaatsingsbesluit als de HTL-maatregel niet over een voldoende wettelijke basis beschikken. Daarnaast wordt binnen de HTL onbevoegd geweld toegepast. Ook het recht op privéleven, als bedoeld in artikel 8 EVRM, wordt geschonden. Eiser verwijst naar een artikel van A&MR “over geweldgebruik, de ROV-kamer en de vreemde wereld van boa’s” van dhr. Verbaas en naar de uitspraak van rechtbank Roermond van 19 april 2023. [5]
Oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank stelt vast dat het plaatsingsbesluit van 6 november 2025 is gebaseerd op het incident van 23 juni 2025, dat dit incident al ten grondslag is gelegd aan het plaatsingsbesluit van 10 juli 2025 en dat besluit al is beoordeeld door deze rechtbank op 13 augustus 2025. [6] De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat het incident van 23 juni 2025 terecht is gekwalificeerd als een incident met zeer grote impact, dat het incident en de daaraan voorafgaande incidenten aan de HTL-plaatsing van 10 juli 2025 ten grondslag mochten worden gelegd en dat het plaatsingsbesluit van 10 juli 2025 proportioneel was. Daartegen is geen hoger beroep ingediend, zodat het rechterlijk oordeel hierover in rechte vast staat en de rechtbank in deze procedure van dat oordeel dient uit te gaan. Voor zover eiser in de onderhavige procedure beroepsgronden heeft aangevoerd die betrekking hebben op de beoordeling van het incident van 23 juni 2025 en de daaraan voorafgaande incidenten, kunnen deze reeds daarom niet slagen.
5. Uit het Maatregelenbeleid van het COa volgt verder dat wanneer er sprake is van vrijwillig vertrek uit de HTL, de artikel 56 Vw maatregel kan worden opgeheven. Indien een bewoner van de HTL met onbekende bestemming (MOB) vertrekt, dan wel deze vrijwillig verlaat en vervolgens opnieuw verzoekt om opvang, kan deze bewoner in beginsel opnieuw in de HTL worden geplaatst, onder verwijzing naar (de motivering van) de eerder gerealiseerde overplaatsing. Het is aan de bewoner om aannemelijk te maken dat het gedrag, dat aanleiding heeft gegeven tot overplaatsing naar de HTL na zijn vertrek, structureel is verbeterd en terugplaatsing naar de HTL niet langer noodzakelijk is. [7]
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is geweest van een structurele gedragsverandering. Uit het plaatsingsbesluit blijkt dat eiser, na het incident van 23 juni 2026, vier keer, op 26 juni, 10 augustus, 17 september en 18 oktober 2025 de HTL vrijwillig heeft verlaten en dat de maatregel 56 Vw hierdoor ook vier keer is opgeheven. Eiser heeft sinds het plaatsingsbesluit van 10 juli 2025 tot het nemen van het onderhavige plaatsingsbesluit, derhalve in de periode van 10 juli tot 6 november 2025, drie keer een maand in de HTL verbleven. Uit pagina 8 van het verweerschrift van het COa volgt dat eiser in de steeds korte periodes van verblijf op de HTL zeer regelmatig de huisregels heeft overtreden en dat eiser een incident heeft veroorzaakt. Alhoewel dit niet onderbouwd staat omschreven in het plaatsingsbesluit en ook niet in het verweerschrift expliciet is benoemd, heeft de gemachtigde van het COa op de zitting aan de hand van het bewonersdossier deugdelijk naar voren gebracht dat eiser in de periode van 27 juli 2025 tot en met 6 november 2025 verschillende huisregels heeft overschreden. Daarbij is op 25 augustus 2025 sprake geweest van een ernstig geweldsincident, waarbij eiser een medebewoner met een scheermes in de hals heeft gesneden en waarbij de medebewoner door de ambulance naar het ziekenhuis is gebracht. De rechtbank is gelet hierop met het COa van oordeel dat geen sprake is geweest van een gedragsverandering bij eiser en dat er nog steeds zorgen zijn met betrekking tot de veiligheid bij plaatsing van eiser op een reguliere opvanglocatie. Eiser heeft daarnaast niet aan de hand van stukken aannemelijk gemaakt dat hij zijn gedrag wel structureel in positieve zin heeft verbeterd. De enkele stelling dat er sprake is van een tijdsverloop en dat het COa niet kan volstaan met het teruggrijpen op gedragingen van eiser van vijf maanden daarvoor, is daartoe onvoldoende. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van 17 december 2025 van deze rechtbank en zittingsplaats [8] treft geen doel, nu in die zaak de vreemdeling enige weken in de HTL had doorgebracht en een intensieve behandeling had ondergaan tijdens zijn aansluitend verblijf in Veldzicht. Van een vergelijkbare situatie is bij eiser geen sprake. De rechtbank is dan ook gelet op het voorgaande van oordeel dat eiser op juiste gronden opnieuw in de HTL is geplaatst bij besluit van 6 november 2025.
5.2.
De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding voor het oordeel dat er sprake is van een motiveringsgebrek, omdat de motivering in het plaatsingsbesluit geen kenbare en deugdelijke omschrijving van de overtredingen van de huisregels en het geweldsincident van 25 augustus 2025 bevat. De rechtbank ziet echter aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. De gemachtigde van het COa heeft dit motiveringsgebrek voldoende hersteld door de overtredingen van de huisregels en het geweldsincident op de zitting aan de hand van het bewonersdossier en het verweerschrift uitgebreid weer te geven. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet ter zitting verschenen, wat voor hun rekening en risico komt. Nu verder uit het voorgaande en uit rechtsoverweging 6 blijkt dat het plaatsingsbesluit geen inhoudelijke gebreken kent, wordt eiser door de instandlating van dit besluit niet benadeeld.
6. Ten aanzien van de leefbaarheid en veiligheid op de HTL verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van 16 februari 2024. [9] In deze uitspraak heeft de meervoudige kamer van deze zittingsplaats bevestigd dat de HTL een vorm van vrijheidsbeperking is, en geen vrijheidsontneming. Ook is geoordeeld dat de leefbaarheid en veiligheid in de HTL niet zodanig zijn dat de opvang die aldaar wordt geboden in strijd is met de artikelen 3 en/of 8 van het EVRM. [10] In dit kader ziet de rechtbank in eisers betoog geen aanleiding voor een ander oordeel. Ten overvloede wijst de rechtbank ook op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 3 februari 2023, waarin is geoordeeld dat plaatsing in de HTL geen vrijheidsontneming is. [11]
7. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond.
Het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel
8. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Conclusie en gevolgen

9. Het voorgaande betekent dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL mocht nemen en ook de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mocht nemen. Eiser krijgt dus ook geen schadevergoeding.
10. Omdat de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van de Awb een gebrek in het plaatsingsbesluit heeft gepasseerd, ziet de rechtbank aanleiding om het COa in de proceskosten van eiser te veroordelen. [12] De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Bpb [13] vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat beide beroepen als samenhangend moeten worden gezien worden de zaken voor de proceskostenveroordeling beschouwd als één zaak.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af;
  • veroordeelt het COa in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.W. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van R. de Hoop, griffier, op 8 januari 2026 en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Handhaving- en Toezichtlocatie.
2.Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, 17 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:21394.
5.Rb. Den Haag, zittingsplaats Roermond, 19 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5603.
6.Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, 13 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:15080.
7.Zie pagina 15 e.v. van het Maatregelenbeleid.
8.Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, 17 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2024:21394.
9.Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, 16 februari 2024, ECLI:RBDHA:2024:1889.
10.Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
11.Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, 3 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:1079, bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3564.
12.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 17 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1602, rechtsoverweging 14.1.
13.Besluit proceskosten bestuursrecht.