In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedaan op 8 januari 2026, worden twee beroepen van eiser beoordeeld. Het eerste beroep is gericht tegen het besluit van het COa van 6 november 2025, waarin eiser werd geplaatst in de HTL in Hoogeveen. Het tweede beroep betreft een vrijheidsbeperkende maatregel die door de minister van Asiel en Migratie is opgelegd. Eiser heeft op 20 november 2025 gronden van beroep ingediend, waarop het COa op 11 december 2025 een verweerschrift heeft ingediend. De rechtbank heeft de beroepen op 18 december 2025 gelijktijdig behandeld, maar eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en de beroepen ongegrond verklaard, wat betekent dat de besluiten in stand blijven. De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een structurele gedragsverandering, ondanks zijn argumenten dat de gronden voor de HTL-maatregel verouderd zijn. De rechtbank wijst erop dat eerdere incidenten en overtredingen van huisregels door eiser niet zijn onderbouwd en dat de motivering van het plaatsingsbesluit niet voldoende is, maar dat dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd. De rechtbank veroordeelt het COa in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-. Eiser krijgt geen schadevergoeding en kan tegen de uitspraak van het plaatsingsbesluit in hoger beroep gaan, terwijl het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel niet vatbaar is voor hoger beroep.