ECLI:NL:RBDHA:2026:3234
Rechtbank Den Haag
- Vereenvoudigde behandeling
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
De rechtbank Den Haag heeft het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie beoordeeld om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Nederland had op 16 oktober 2025 een verzoek tot terugname aan Duitsland gedaan, dat op 20 oktober 2025 werd aanvaard.
Eiser voerde aan dat het besluit niet zorgvuldig tot stand was gekomen en dat het een standaardvoornemen betrof, waarbij zijn bezwaren onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank oordeelde dat het voornemen wel aan de vereisten voldeed en dat het enkele feit dat niet alle bezwaren afzonderlijk waren besproken, niet tot vernietiging leidt.
Verder stelde eiser dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland niet meer geldt vanwege structurele tekortkomingen in de Duitse opvang en risico op schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro. De rechtbank stelde dat eiser dit niet aannemelijk had gemaakt en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel nog steeds geldt.
Ten aanzien van artikel 17 van Pro de Dublinverordening oordeelde de rechtbank dat geen bijzondere omstandigheden waren die overdracht onevenredig hard maken. Ook achtte de rechtbank de garanties van Duitsland, mede op grond van het claimakkoord, voldoende. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het besluit tot niet in behandeling nemen bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.