ECLI:NL:RBDHA:2026:3552

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
SGR 22/5, SGR 23/962 en SGR 23/1217
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 2.12 WaboArt. 3:2 AwbArt. 3:9 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroepen tegen omgevingsvergunning voor woningaanpassing en bouwplanwijzigingen afgewezen

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft beroepen van eiseres tegen drie door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verleende omgevingsvergunningen voor het veranderen en vergroten van woningen door het wijzigen van de indeling, het maken van constructieve doorbraken, trappen en het plaatsen van een extra bouwlaag voor vijf nieuwe appartementen.

De rechtbank oordeelt dat de beslistermijnen niet zijn overschreden en dat het college de bezwaarprocedures zorgvuldig heeft doorlopen. De rechtbank stelt vast dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan, mede omdat de maximale bouw- en goothoogte niet wordt overschreden of dat afwijking op grond van de Wabo en het Besluit omgevingsrecht is toegestaan. De parkeerbehoefte is correct berekend en mag deels worden ingevuld met deelmobiliteit en gehuurde garageboxen binnen de toegestane loopafstand.

Verder wijst de rechtbank de beroepsgronden af die zien op vermeende strijd met het Bouwbesluit 2012, stikstofonderzoek, de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, BAG-registratie en beginselen van behoorlijk bestuur. Ook het welstandsadvies is volgens de rechtbank zorgvuldig tot stand gekomen. De beroepen worden ongegrond verklaard, waardoor eiseres geen gelijk krijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen tegen de omgevingsvergunningen ongegrond en bevestigt dat het college de vergunningen rechtmatig heeft verleend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 22/5, SGR 23/962 en SGR 23/1217

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaken tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag

(gemachtigde: mr. P. Yildrim).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel:
[derde-partij] B.V.uit [plaats] (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. J. Geelhoed).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beroepen van eiseres tegen de door het college verleende omgevingsvergunning voor het veranderen van de woningen aan de [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] en de [adres 5] door het wijzigen van de indeling, het maken van constructieve doorbraken, trappen en het plaatsen van een bouwlaag ten behoeve van vijf nieuwe appartementen, en tegen twee later verleende omgevingsvergunningen waarin het bouwplan is gewijzigd. Eiseres woont op het adres [adres 6] en is het niet eens met de drie verleende omgevingsvergunningen en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunningen heeft mogen verlenen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunningen heeft mogen verlenen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 13 juli 2021 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van de woningen aan de [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] en de [adres 5] door het wijzigen van de indeling, het maken van constructieve doorbraken, trappen en het plaatsen van een bouwlaag ten behoeve van vijf nieuwe appartementen. In het bestreden besluit van 25 november 2021 (bestreden besluit I) op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Op 7 juli 2022 heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het gewijzigd uitvoeren van de verleende omgevingsvergunning voor het veranderen en vergroten van de woningen aan de [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] en [adres 5] . Met het bestreden besluit van 16 december 2022 (bestreden besluit II) op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
2.2.
Op 7 september 2022 heeft het college aan vergunninghoudster opnieuw een omgevingsvergunning verleend voor het gewijzigd uitvoeren van de eerder verleende vergunning. Met het bestreden besluit van 16 december 2022 (bestreden besluit III) op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
Hangende het beroep tegen bestreden besluit I heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek heeft de voorzieningenrechter afgewezen in de uitspraak van 2 februari 2022 [1] (hierna: de uitspraak van de voorzieningenrechter).
2.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 27 november 2025 op zitting behandeld, gelijktijdig met onder meer een beroepen van eiseres tegen een verleende omgevingsvergunning voor het adres [adres 7] (zaaknummer SGR 22/3865) en tegen afwijzing van een handhavingsverzoek (zaaknummer SGR 23/4872). Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van het college, en namens vergunninghoudster:
ir. [naam] , bijgestaan door de gemachtigde van vergunninghoudster.

De bestreden besluiten

Bestreden besluit I
3. Op 10 februari 2021 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het veranderen en vergroten van de panden [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] door het maken van een extra bouwlaag tot totaal vijf extra woningen, het wijzingen van de indeling, het plaatsen van een trap en het maken van constructieve doorbraken.
3.1.
Het college heeft op 13 juli 2021 een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit ‘het bouwen van een bouwwerk’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Volgens het college is het bouwplan niet in strijd met de redelijke eisen van welstand en is aannemelijk dat wordt voldaan aan de vereisten van het Bouwbesluit 2012 en de Bouwverordening. Ook is het bouwplan volgens het college niet in strijd met het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ” (bestemmingsplan). Wat het parkeren betreft stelt het college zich op het standpunt dat met het inzetten van deelmobiliteit op de parkeerplaats op eigen terrein en de huur van parkeerplaatsen voor de duur van minimaal 10 jaar binnen een straal van 400 meter ook wordt voldaan aan de regels van het bestemmingsplan “Parapluherziening (fiets)parkeren” (Parapluherziening).
3.2.
In bestreden besluit I heeft het college de omgevingsvergunning gehandhaafd, conform het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften (bezwaarcommissie). Het college heeft aanvullend gemotiveerd dat de aanvraag toch niet voldoet aan de Parapluherziening, maar dat op grond van artikel 6, onder a, sub 1, van dit bestemmingsplan wordt meegewerkt aan het afwijken van de parkeernorm. Vanwege het gebruik van een deelauto gaat het college akkoord met het voorzien in een extra parkeerbehoefte van vier parkeerplaatsen, in plaats van vijf.
Bestreden besluit II
3.3.
De op 7 juli 2022 verleende omgevingsvergunning heeft vergunninghoudster aangevraagd omdat zij het eerder vergunde bouwplan anders wil uitvoeren. Samengevat weergegeven houden de wijzigingen die in de omgevingsvergunning vergund zijn het volgende in: er komen dakkapellen in het zijdakvlak, de indeling van de woningen [adres 1] , [adres 8] en [adres 9] wordt gewijzigd evenals de brandscheidingen van de woningen [adres 8] en [adres 9] . Ook wordt de toegang tot de woningen [adres 1] en [adres 8] verplaatst.
3.4.
Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit ‘het bouwen van een bouwwerk’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, en voor de activiteit ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Volgens het college voldoet het plan aan de redelijke eisen van welstand. Wel is er strijd met de bouwregels van het bestemmingsplan, omdat de daarin voorgeschreven goothoogte wordt overschreden door de dakuitbouwen in het zijdakvlak. Het college ziet aanleiding om hier met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2º, van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 4, aanhef en onder 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) een omgevingsvergunning voor te verlenen. Het college heeft in dat verband in aanmerking genomen dat de overschrijding van de goothoogte in het zijdakvlak groot is, maar stedenbouwkundig voorstelbaar is doordat de uitbouwen voldoende terugliggend zijn gesitueerd ten opzichte van de voor- en achtergevel waardoor er geen sprake is van onevenredige zonlichtvermindering richting de achter- en naastliggende woonfuncties en de volumeopbouw van de afgeknotte schildkap nog net voldoende herkenbaar blijft.
3.5.
In bestreden besluit II is het college bij het besluit tot vergunningverlening gebleven, conform het advies van de bezwaarcommissie.
Bestreden besluit III
3.6.
Op 12 juli 2022 heeft vergunninghoudster opnieuw een aanvraag ingediend voor het gewijzigd uitvoeren van de eerder verleende omgevingsvergunning. Het enige wat deze aanvraag verandert is de kleur van de dakpannen: van zwart naar rood.
3.7.
Op 7 september 2022 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit ‘het bouwen van een bouwwerk’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Volgens het college is de goothoogte van de dakuitbouwen in het zijdakvlak in strijd met het bestemmingsplan, maar is die strijdigheid opgeheven met de eerste wijzigingsvergunning. Verder is het bouwplan niet in strijd met de redelijke eisen van welstand, zo blijkt uit het advies van de Welstands- en Monumentencommissie van
7 september 2022.
3.8.
In bestreden besluit II is het college bij het besluit tot vergunningverlening gebleven, conform het advies van de bezwaarcommissie.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.
4.1.
De aanvragen om een omgevingsvergunning zijn ingediend op 10 februari 2021,
9 februari 2022 en 12 juli 2022. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wabo, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Juridisch kader
5. De voor de beoordeling van deze beroepen relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage is onderdeel van deze uitspraak.
Het beroep tegen bestreden besluit I (SGR 22/5)
Omvang van het geding
6. Eiseres verwijst in beroep naar eerder aangevraagde en weer ingetrokken omgevingsvergunningen van vergunninghoudster en procedures die daarover zijn gevoerd. De rechtbank overweegt dat deze beroepsprocedure gaat over de vraag of het college de hierboven beschreven omgevingsvergunningen heeft mogen verlenen. De voorgeschiedenis tussen eiseres, het college en vergunninghoudster speelt daarin geen rol.
Is de beslistermijn overschreden?
7. Eiseres betoogt dat de omgevingsvergunning buiten de wettelijke termijnen is verleend, omdat de beslistermijn zonder toestemming van de aanvrager en zonder onderbouwing is opgeschort. Dit is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, aldus eiseres.
7.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het bestuursorgaan éénmaal zelf de beslistermijn met zes weken mag verlengen. Vervolgens mag de beslistermijn zonder beperking worden opgeschort, zolang de aanvrager daarmee instemt. In dit geval is de beslistermijn – met instemming van de aanvrager – opgeschort om de aanvrager in de gelegenheid te stellen het bouwplan aan te passen na diverse negatieve adviezen van de welstandscommissie. Deze verlengde en opgeschorte beslistermijn liep op 14 juli 2021 af. Het college heeft op 13 juli 2021 de omgevingsvergunning verleend. Daarom is de vergunning niet buiten de beslistermijn verleend, aldus het college.
7.2.
In de uitspraak van de voorzieningenrechter is een voorlopig oordeel gegeven over de door eiseres gestelde overschrijding van de beslistermijn. De rechtbank onderschrijft dit oordeel en verwijst naar overweging 6.2 van de uitspraak van de voorzieningenrechter. Daarin is overwogen dat het college vergunninghoudster op 31 maart 2021 heeft meegedeeld dat uiterlijk op 6 mei 2021, zijnde de wettelijke beslistermijn vermeerderd met de termijn die nodig was voor het aanleveren van de aanvullende gegevens, moet zijn beslist op de aanvraag. Bij brief van 28 april 2021 heeft verweerder de beslistermijn met zes weken verlengd en meegedeeld dat uiterlijk op 16 juni 2021 een besluit moet zijn genomen. Vervolgens heeft het college – na schriftelijke instemming van vergunninghoudster op
10 juni 2021 – de beslistermijn verlengd tot 14 juli 2021. Omdat de omgevingsvergunning op 13 juli 2021 is verleend, heeft het college daarom naar het oordeel van de rechtbank bij het beslissen op de aanvraag in overeenstemming met de Wabo en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehandeld.
7.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Gang van zaken in de bezwaarfase
8. Eiseres betoogt dat het door de bezwaarcommissie aangeleverde dossier niet compleet is, en het advies van deze commissie gebaseerd is op verkeerde informatie. Zo ontbreken onder meer door eiseres aangeleverde teksten en foto’s en de berekening van de parkeernormering. Ook is het advies volgens eiseres partijdig en wordt niet op alle bezwaren ingegaan, zoals: de ontbrekende stukken, strijd met het Bouwbesluit 2012, en meldingen over de BAG-registratie en ondermijning. Volgens eiseres heeft de bezwaarcommissie de juridisch niet kloppende redeneringen van de jurist van de gemeente blind gevolgd, zonder een onafhankelijk oordeel te geven.
8.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de bezwaarprocedure op een zorgvuldige manier is doorlopen.
8.2.
De rechtbank verwijst op dit punt allereerst naar de overwegingen 8.1. tot en met 8.3. van de uitspraak van de voorzieningenrechter, waarin – samengevat – wordt geoordeeld dat niet is gebleken dat de bezwaarcommissie is uitgegaan van onjuiste informatie en dat er ook geen aanwijzing is dat de bezwaarcommissie partijdig is geweest bij haar advisering. De rechtbank onderschrijft deze overwegingen en voegt daaraan toe dat het college in deze beroepsprocedure alle relevante op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank heeft overgelegd. Op basis van deze stukken kan de rechtbank niet vaststellen dat de bezwaarprocedure niet zorgvuldig is doorlopen en het college niet alle van belang zijnde stukken van eiseres bij de beoordeling heeft betrokken. Het college heeft ter zitting nog bevestigd dat bijvoorbeeld ook de pleitnota’s van eiseres in de beoordeling van het bezwaar zijn betrokken. De rechtbank ziet ook anderszins geen grond voor het oordeel dat relevante bezwaargronden of door eiseres overgelegde relevante documenten niet of niet voldoende in de bezwaarprocedure zijn betrokken.
8.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Toevoegen van zelfstandige appartementen
9. Eiseres betoogt dat dakopbouwen volgens het bestemmingsplan alleen zijn toegestaan voor de uitbreiding van de eigen woning. Dit blijkt uit de toelichting bij het bestemmingsplan.
9.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Er worden woningen toegevoegd (en dus niet gesplitst), waardoor het bouwplan niet in strijd is met artikel 32, onder b, van het bestemmingsplan. Verder blijven de afmetingen van het bouwplan binnen de voorgeschreven maximum bouw- en goothoogte op het perceel, zodat ook op dat punt geen strijd is met het bestemmingsplan.
9.2.
De voorzieningenrechter heeft in rechtsoverweging 7.3 van zijn uitspraak geoordeeld dat het bouwplan voldoet aan de planregels omdat de voorgeschreven maximale bouw- en goothoogte niet wordt overschreden en de toelichting bij het bestemmingsplan niet bindend is. De rechtbank onderschrijft dit oordeel. De rechtbank voegt daar ter verduidelijking nog het volgende aan toe. Voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende regels bepalend. Vanwege de rechtszekerheid moet een planregel letterlijk worden uitgelegd. Als die op zichzelf niet duidelijk is en ook niet in samenhang met de andere planregels (systematiek), dan komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting. Die plantoelichting kan namelijk meer inzicht geven in de bedoeling van de planwetgever. [2] Omdat in dit geval de planregels over de bouw- en goothoogte duidelijk zijn, behoefde het college de toelichting niet bij de beoordeling van de aanvraag te betrekken.
9.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Parkeren
10. Eiseres betoogt dat het bouwplan van vergunninghoudster moet worden aangemerkt als nieuwbouw. Bij nieuwbouwplannen binnen een wijk met een parkeerdruk groter dan 90% moet de volledige parkeerbehoefte op eigen terrein worden gerealiseerd. Omdat dat niet het geval is, heeft het college de omgevingsvergunning ten onrechte verleend, aldus eiseres. Om af te wijken van de gestelde parkeereis had een afzonderlijk collegebesluit genomen moeten worden. Verder betoogt eiseres dat de plannen voor deelauto’s in woonwijken ver na de aanvraag van de vergunning zijn vastgesteld. Ook de vervangende parkeerplaatsen voldoen niet aan de daaraan gestelde eisen, aangezien ze óf buiten de daarvoor gestelde loopafstand liggen óf in gebruik zijn bij bestaande bedrijven.
10.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de parkeerbehoefte als gevolg van hen het bouwplan afgerond vier parkeerplaatsen bedraagt. De parkeerplaats die op eigen terrein wordt gerealiseerd is bedoeld voor een deelauto. De andere drie parkeerplaatsen worden gehuurd binnen een loopafstand van 500 meter van het bouwplan. Hoewel het college zich in het verweerschrift op het standpunt heeft gesteld dat het plan voldoet aan de vastgestelde parkeereis van artikel 5.1, onder b, van de Parapluherziening, heeft het college ter zitting – onder verwijzing naar bestreden besluit I – toegelicht dat op grond van artikel 6, onder a, sub 1, van datzelfde bestemmingsplan wordt afgeweken omdat de parkeerplaatsen niet op eigen terrein worden gerealiseerd. Van een gebonden beschikking is dus geen sprake.
10.2.
De rechtbank overweegt het volgende. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
10.3.
Op het moment van de aanvraag gold de Nota Parkeernormen 2011. Het college heeft toegelicht dat de parkeerbehoefte voor dit bouwplan afgerond vijf parkeerplaatsen bedraagt, maar dat deze mag worden teruggebracht naar vier in verband met het gebruik van een deelauto. Volgens het door het college gehanteerde beleid (de rechtbank begrijpt: het Stimuleringsprogramma Autodelen 2017-2018) mag maximaal de helft van de parkeerplaatsen voor bewoners worden vervangen door een deelauto, waarbij een deelauto in de plaats komt van vier auto’s. Daarmee wordt de parkeerbehoefte als volgt: de helft (1,45) van de bewonersparkeerplaatsen (2,9) wordt deelautoparkeerplaats. Omdat deze deelauto in de plaats komt van vier auto’s, wordt de parkeerbehoefte 0,36 (1,45 / 4). Het totale aantal bewonersparkeerplaatsen komt daarmee op 1,81 (1,45 + 0,36). Bij het vaststellen van de parkeerbehoefte van bezoekers kan de deelauto niet worden betrokken. Die blijft daarmee op 1,5 parkeerplaatsen staan. De gezamenlijke parkeerbehoefte is daarom afgerond niet vijf, maar vier parkeerplaatsen (1,5 + 1,81 = 3,31). De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze berekening onjuist is of dat het college had moeten uitgaan van andere cijfers of normen. De berekening van eiseres biedt ook geen aanknopingspunten voor twijfel, alleen al omdat daarin de parkeerbehoefte van bestaande appartementen wordt betrokken die geen onderdeel zijn van de vergunde ontwikkeling. Bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, moet namelijk alleen rekening worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het bouwplan waarvoor de vergunning wordt verleend. [3]
10.4.
Uitgaande van vier parkeerplaatsen moet de rechtbank vervolgens de vraag beantwoorden of het college een omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen waarbij parkeerplaatsen niet allemaal op eigen terrein worden gerealiseerd en wordt voorzien in een alternatieve parkeeroplossing. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
10.5.
Het bouwplan voorziet in een parkeeroplossing waarin één parkeerplaats (voor de deelauto) wordt gerealiseerd op eigen terrein ( [adres 10] ), en waarbij voor de overige drie parkeerplaatsen garageboxen worden gehuurd in de omgeving ( [adres 11] , [adres 12] , en [adres 13] / [adres 14] ). Op grond van de Nota Parkeernormen 2011 mogen bij een woonfunctie parkeeroplossingen binnen een maximale loopafstand van 500 meter / 7 minuten worden meegenomen. De rechtbank ziet niet in waarom het college deze gehuurde garageboxen niet bij de beoordeling heeft mogen betrekken. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat alle garageboxen binnen deze loopafstand zijn gelegen. Voor zover eiseres betoogt dat gebruik van garageboxen tot gevolg zou hebben dat de inhoud van daarvan vervolgens op straat komt te staan overweegt de rechtbank dat de Parkeernota niet vereist dat alleen lege of niet in gebruik zijnde garageboxen worden gehuurd.
10.6.
Volgens eiseres is de huur van de garageboxen onvoldoende geborgd via de huurovereenkomsten die zijn overgelegd. In dat verband heeft zij er ook op gewezen dat uit haar eigen onderzoek blijkt dat de garageboxen helemaal niet worden gehuurd en dus ook niet beschikbaar zijn voor auto’s van de bewoners van de vergunde appartementen.
10.7.
De rechtbank overweegt dat het college een besluit moet nemen op de aanvraag zoals die is ingediend. Op basis deze aanvraag en de daarbij overgelegde ondertekende huurovereenkomsten heeft het college naar het oordeel van de rechtbank kunnen vaststellen het bouwplan voorziet in de benodigde parkeerplaatsen, zodat de parkeerbehoefte vanwege het bouwplan niet ten laste komt van de openbare ruimte. Op de zitting bij de rechtbank heeft vergunninghoudster toegelicht dat de garageboxen uiteindelijk niet zijn gehuurd
– zoals eiseres ook had geconstateerd – omdat de kopers van de appartementen geen behoefte hadden aan een parkeerplaats. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat het college de omgevingsvergunning niet had mogen vergunnen. De vraag of vergunninghoudster hiermee in strijd met de omgevingsvergunning handelt is een handhavingskwestie en ligt niet in deze procedure ter beoordeling voor.
10.8.
De beroepsgrond slaagt niet.
Bouwbesluit 2012
11. Eiseres betoogt dat de omgevingsvergunning niet voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit 2012, omdat niet wordt voldaan aan de eisen voor daglichttoetreding en buitenruimte.
11.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet heeft onderbouwd dat niet wordt voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit 2012. Zelfs als dat wel het geval zou zijn, staat het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb in de weg aan vernietiging van het besluit op dit onderdeel. Dit omdat het voldoen aan de genoemde eisen van het Bouwbesluit 2012 de belangen van de uiteindelijke bewoners beogen te beschermen en niet de belangen van eiseres als omwonende.
11.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Stikstof
12. Eiseres betoogt dat het stikstofonderzoek niet deugdelijk is en de omschrijving van het project misleidend is omdat daarin staat dat “de ontwikkeling bestaat uit het transformeren van de bestaande bedrijfsruimte naar 5 appartementen”, terwijl dat niet het geval is.
12.1.
De rechtbank overweegt het volgende. Op grond van artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op grond van strijd met een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich op die regel beroept.
12.2.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de eiser door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in beroep komt.
12.3.
De bepalingen in de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb) over stikstof strekken tot bescherming van het behoud van de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [4] volgt dat de individuele belangen van een natuurlijke persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen.
12.4.
De rechtbank stelt vast dat de afstand tussen de woning van eiseres en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ( [natura 2000-gebied] ) ongeveer 1,3 kilometer is en eiseres geen zicht heeft op dit gebied, mede vanwege de (vele) tussenliggende bebouwing. Gelet hierop is er naar het oordeel van de rechtbank geen verwevenheid tussen de belangen van eiseres bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en het algemene natuurbelang dat de Wnb beoogt te beschermen. Dit betekent dat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan een vernietiging van het bestreden besluit vanwege de beroepsgrond over stikstof.
12.5.
Voor zover eiseres met deze beroepsgrond bedoelt te betogen dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en daarom is genomen in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb, overweegt de rechtbank onder verwijzing naar vaste rechtspraak [5] van de Afdeling het volgende. Voor de inroepbaarheid van schending van een procedurele norm (zoals artikel 3:2 van Pro de Awb) of de schending van een formeel beginsel van behoorlijk bestuur is het beschermingsbereik van de onderliggende materiële norm bepalend. De schending van procedurele normen of formele beginselen van behoorlijk bestuur kan bij de toepassing van artikel 8:69a van de Awb niet los worden gezien van de materiële normen waarop appellant zich beroept. Aan deze procedurele normen of formele rechtsbeginselen komt in zoverre geen zelfstandige betekenis toe. Nu de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de schending van ingeroepen materiële norm niet tot vernietiging van het bestreden besluit leidt, geldt dat ook voor de door eiseres gestelde schending van procedurele normen of formele beginselen van behoorlijk bestuur.
12.6.
De rechtbank zal deze beroepsgrond daarom verder niet inhoudelijk bespreken.
Ontbreken omgevingsvergunning beperkte milieutoets en verklaring van geen bedenkingen
13. Eiseres betoogt dat het college de omgevingsvergunning niet had mogen verlenen omdat de bij de omgevingsvergunning verplichte Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) gebaseerd is op onjuiste gegevens. De vanwege de OBM-toets benodigde verklaring van geen bedenkingen van de provincie ontbreekt, aldus eiseres.
13.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat een OBM-toets niet aan de orde is.
13.2.
De rechtbank overweegt dat – zoals de voorzieningenrechter ook heeft overwogen in rechtsoverweging 10 van zijn uitspraak – de aanvraag geen betrekking heeft op een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. De OBM-toets is hier dan ook niet aan de orde.
13.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
BAG-registratie
14. Eiseres betoogt dat de feitelijke situatie niet overeenkomt met de situatie zoals deze is geregistreerd in het BAG-overzicht en dat de aangeleverde stukken over de
BAG-registratie ontbreken.
14.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de Wet basisregistratie adressen en gebouwen (hierna: Wet BAG) geen toetsingsgrond is voor de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning.
14.2.
De rechtbank volgt het standpunt van het college. Het toetsingskader voor een aanvraag voor het bouwen van een bouwwerk staat in artikel 2.10 van de Wabo. Op grond van dit artikel is de toets in de omgevingsvergunning beperkt tot het Bouwbesluit 2012, de bouwverordening, het bestemmingsplan en redelijke eisen van welstand. De Wet BAG is dus geen onderdeel van het toetsingskader. Een van het BAG-register afwijkende situatie kan daarom niet leiden tot het oordeel dat de omgevingsvergunning niet had mogen worden verleend.
14.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Beginselen van behoorlijk bestuur
15. Eiseres betoogt dat het college bestreden besluit I heeft genomen in strijd met het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Ter zitting heeft eiseres verduidelijkt dat zij met het beroep op het gelijkheidsbeginsel betoogt dat alle burgers zich aan de wet- en regelgeving moeten houden en het dus in strijd met het gelijkheidsbeginsel is dat het college voor vergunninghoudster telkens uitzonderingen creëert.
15.1.
De rechtbank overweegt dat eiseres in beroep niet concreet heeft gemaakt dat het college in rechtens vergelijkbare gevallen anders heeft gehandeld dan in dit geval. Verder heeft eiseres evenmin aannemelijk gemaakt dat van de kant van het college toezeggingen of andere gedragingen zijn verricht waaruit zij in de gegeven omstandigheden kon en mocht afleiden dat het college de omgevingsvergunning niet zou verlenen. [6] De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat het college het gelijkheids- of vertrouwensbeginsel heeft geschonden.
15.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Het beroep tegen bestreden besluit II (SGR 23/962)
Beslistermijn overschreden?
16. Eiseres betoogt dat de omgevingsvergunning buiten de daarvoor gestelde termijn is verleend en het college daarom een vergunning van rechtswege had moeten verlenen of de vergunning moeten weigeren.
16.1.
Het college heeft toegelicht dat de beslistermijn opgeschort is geweest zodat vergunninghoudster ontbrekende gegeven kon overleggen. Vervolgens heeft het college de beslistermijn eenmalig met zes weken verlengd, en daarna – met schriftelijke instemming van vergunninghoudster – nog een keer opgeschort tot uiterlijk 8 juli 2022. De omgevingsvergunning is op 7 juli 2022 – en daarmee binnen de beslistermijn – verleend.
16.2.
De rechtbank overweegt het volgende. Vergunninghoudster heeft de aanvraag ingediend op 9 februari 2022. In de brief van 23 maart 2022 heeft het college vergunninghoudster verzocht om uiterlijk op 20 april 2022 de ontbrekende gegevens aan te vullen, en de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop vergunninghoudster alle ontbrekende gegeven heeft aangeleverd. In de brief van 22 april 2022 heeft het college meegedeeld dat de door vergunninghoudster aangeleverde stukken voldoende zijn om de aanvraag in behandeling te nemen en dat uiterlijk op 29 april 2022 een beslissing op de aanvraag moet zijn genomen. Vervolgens heeft het college op 25 april 2022 de beslistermijn eenmalig met zes weken verlengd, op grond van artikel 3.9, tweede lid van de Wabo. Hierdoor moest het college uiterlijk op 10 juni 2022 een besluit nemen. Met het besluit van 7 juni 2022 heeft het college de beslistermijn opgeschort tot uiterlijk 8 juli 2022. Uit het dossier blijkt dat vergunninghoudster hiermee heeft ingestemd op 3 juni 2022. Het college heeft vervolgens op 7 juli 2022 een besluit genomen op de aanvraag. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de omgevingsvergunning binnen de termijn is verleend.
16.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Gang van zaken in bezwaar
17. Eiseres betoogt dat het dossier niet volledig is, de aangeleverde tekeningen onjuist zijn en haar verzoeken om dit op orde te brengen ten onrechte niet gehonoreerd zijn. Verder zijn door haar ingediende verzoeken en klachten niet in behandeling genomen door de bezwaarschriftencommissie. Ook is de hoorzitting zonder overleg met eiseres afgezegd. Ten slotte zijn het verslag van de hoorzitting en het advies van de bezwaarcommissie onvolledig en daardoor sturend, aldus eiseres.
17.1.
Het college kan zich niet vinden in de omschrijving die eiseres geeft van de gang van zaken in bezwaar. Volgens het college is de bezwaarprocedure zorgvuldig doorlopen.
17.2.
De rechtbank overweegt dat het college in deze beroepsprocedure alle relevante op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank heeft overgelegd. Op basis van deze stukken kan de rechtbank niet vaststellen dat de bezwaarprocedure niet zorgvuldig is doorlopen en het college niet alle van belang zijnde stukken van eiseres bij de beoordeling heeft betrokken. Het college heeft ter zitting nog bevestigd dat bijvoorbeeld ook de pleitnota’s van eiseres in de beoordeling van het bezwaar zijn betrokken. De rechtbank ziet ook anderszins geen grond voor het oordeel dat het college relevante bezwaargronden of door eiseres overgelegde relevante documenten niet of niet voldoende in de bezwaarprocedure heeft betrokken.
17.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Strijd met het bestemmingsplan
18. Eiseres betoogt dat de omgevingsvergunning strijdig is met het bestemmingsplan en de toelichting daarop. Het bestemmingsplan staat het toevoegen van zelfstandige appartementen niet toe, aldus eiseres. Daar komt bij dat met de omgevingsvergunning voor het gewijzigd uitvoeren van het bouwplan ook de maximale goothoogte met 2,4 meter wordt overschreden. Dit is volgens eiseres een buitenproportionele overschrijding van 21% bovenop de in het bestemmingsplan vastgelegde goothoogte. Ook de parkeeroplossing voldoet niet aan de gemeentelijke parkeernormering. Volgens eiseres had het college de Nota Parkeernormen 2021 niet mogen toepassen in dit geval. Daarom is ook op dat punt sprake van strijd met het bestemmingsplan.
18.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan voor wat betreft de goothoogte. Het is college is echter bereid om medewerking te verlenen aan een afwijking van het bestemmingsplan op dit punt. Het college heeft aan de Nota Parkeernormen 2021 getoetst omdat deze van kracht was op het moment dat de aanvraag werd ingediend. Verder stelt het college zich – samengevat weergegeven – op het standpunt dat door het wijzigen van de oppervlaktes van de appartementen de autoparkeervraag afneemt ten opzichte van de eerder vergunde situatie en de autoparkeereis daarom nul parkeerplaatsen bedraagt.
18.2.
De rechtbank overweegt het volgende. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
18.3.
Met betrekking tot het overschrijden van de maximale goothoogte overweegt de rechtbank het volgende. Het college heeft in de omgevingsvergunning toegelicht dat de overschrijding van de goothoogte in het zijdakvlak groot is, maar stedenbouwkundig voorstelbaar is doordat de uitbouwen voldoende terugliggend zijn gesitueerd ten opzichte van de voor- en achtergevel waardoor er geen sprake is van onevenredige zonlichtvermindering richting de achter- en naastliggende woonfuncties en de volumeopbouw van de afgeknotte schildkap nog net voldoende herkenbaar blijft. In het betoog van eiseres ziet de rechtbank geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college een onjuiste afweging heeft gemaakt over de stedenbouwkundige inpassing van het bouwplan en de gevolgen voor nabijgelegen woningen. Het college heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat de vergunde overschrijding van de goothoogte niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het verder niet onderbouwde betoog van eiseres dat een overschrijding van 21% buitenproportioneel is, is daartoe niet voldoende.
18.4.
Over het parkeren overweegt de rechtbank het volgende. Op 7 oktober 2021 heeft de gemeenteraad de Nota parkeernormen Den Haag 2021 vastgesteld. Op grond van artikel 6:2 van Pro deze Nota past het college de Nota parkeernormen Den Haag toe zoals deze geldt op het moment van indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning. Vergunninghoudster heeft de omgevingsvergunning aangevraagd op 7 juli 2022. Dat betekent dat het college in deze zaak terecht de Nota parkeernormen Den Haag 2021 heeft toegepast.
18.5.
Het college heeft verder toegelicht dat in de bestaande situatie een parkeervraag van 2,12 geldt, uitgaande van een parkeernorm van 0,5 per appartement voor bewoners en 0,10 voor bezoekers en een parkeerdruk van 90% voor bewoners en 80% voor bezoekers op het maatgevende moment: 0,5 x 4 appartementen = 2 voor bewoners, en 0,1 x 4 = 0,4 voor bezoekers (parkeerbehoefte totaal 2,4). De parkeervraag op het maatgevende moment is 2 x 0,9 = 1,8 voor bewoners, en 0,4 x 0,8 = 0,32 voor bezoekers (totaal: 2,12). Omdat het aantal vierkante meters per appartement is gewijzigd in de nieuwe situatie komt de parkeerbehoefte lager uit: 2 x 0,5 voor de twee appartementen met een oppervlakte van
40-70 m2, 1 x 0,75 voor het appartement met een oppervlakte van 70-100 m2, en 1 x 0,2 voor het appartement met een oppervlakte van < 40 m2 (totaal 1,95 + 0,4 bezoekers = 2,35). De parkeervraag is 1,95 x 0,9 voor bewoners en 0,4 x 0,8 voor bezoekers, totaal 2,075. Dat is dus een beperkte afname ten opzichte van de bestaande situatie (= 2,12), waardoor de aan de tweede omgevingsvergunning verbonden parkeervraag nul parkeerplaatsen is. In wat eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunt voor het oordeel dat deze berekening niet correct is of dat het college had moeten uitgaan van andere uitgangspunten. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen.
18.6.
De beroepsgrond slaagt niet.
Welstand
19. Eiseres betoogt dat het welstandsadvies niet op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en het college zich hiervan onvoldoende heeft vergewist. Dit is in artikel 3.9 van de Awb, aldus eiseres. Samengevat weergegeven betoogt eiseres in dit verband dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om in te spreken bij de Welstands- en Monumentencommissie (welstandscommissie). Ook zijn de vragen die namens eiseres tijdens de hoorzitting zijn gesteld ten onrechte niet door het college beantwoord.
19.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het welstandsadvies zorgvuldig tot stand is gekomen. Het college kan zich vinden in de redenering en de conclusie in het welstandsadvies van 22 juni 2022 en heeft dit dan ook ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit.
19.2.
De rechtbank overweegt het volgende. Hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, mag het op dat advies afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Awb voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb voor andere adviseurs. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd dan wel concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.
19.3.
De welstandscommissie heeft op 11 mei 2022 een negatief advies gegeven over het bouwplan. De commissie kan instemmen met het uitbreiden van de dakkapellen tussen [adres 8] en [adres 9] , omdat de uitbreiding aan de voorzijde minimaal is en geen impact heeft op het straatbeeld. Dit is echter niet het geval bij de dakkapel links van nummer [adres 9] . Deze dakkapel komt te ver naar voren en ook te dicht bij de schoorsteen. Vergunninghoudster heeft het bouwplan vervolgens aangepast zodat deze laatste dakkapel aan de voorzijde is uitgelijnd op de voorkant van de andere dakkapellen en zowel aan de voor- als achterzijde voldoende is los gehouden van de schoorstenen. De welstandscommissie heeft vervolgens op 22 juni 2022 een positief advies uitgebracht.
19.4.
De rechtbank volgt het college in het standpunt dat eiseres geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het positieve welstandsadvies naar voren heeft gebracht. Verder is de rechtbank van oordeel dat eiseres onvoldoende concreet heeft gemaakt dat zij een inspraakmoment bij de welstandscommissie heeft gemist doordat die commissie niet de juiste procedure heeft gevolgd. Ook de stelling van eiseres dat het college vragen over de welstandstoets niet heeft willen beantwoorden tijdens de bezwaarprocedure, kan niet leiden tot het oordeel dat het college het advies van de welstandscommissie niet heeft mogen volgen.
19.5.
De beroepsgrond slaagt niet.
Herstel eerdere omgevingsvergunning?
20. Eiseres betoogt dat de omgevingsvergunning voor de gewijzigde uitvoering ten onrechte wordt gebruikt om omissies in de eerder omgevingsvergunning te herstellen. Volgens eiseres wordt hiermee vooral juridische mist gecreëerd.
20.1.
De rechtbank overweegt het volgende. Vergunninghoudster heeft ter zitting toegelicht dat de wijziging vooral ziet op de ontsluiting van de appartementen. In de gewijzigde omgevingsvergunning wordt per onderliggend appartement voorzien in een ontsluiting naar twee bovenliggende appartementen. Dit is minder de belastend dan per onderliggend appartement een ontsluiting naar het bovenliggende appartement. De rechtbank kan deze toelichting volgen. Verder ziet de rechtbank – mede gelet op de voorgaande overwegingen – geen aanknopingspunten voor het oordeel dat er gebreken kleven aan de eerste omgevingsvergunning.
20.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Het beroep tegen bestreden besluit III (SGR 23/1217)
De inhoud van het gewijzigde bouwplan en de omvang van het geding
21. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat zij geen bezwaar heeft tegen de vergunde gewijzigde kleur van de dakpannen, maar dat zij het beroep tegen bestreden besluit III wel wil handhaven omdat de verschillende omgevingsvergunningen op elkaar voortborduren. Zo is er bijvoorbeeld na het verlenen van deze omgevingsvergunning later wéér een nieuwe omgevingsvergunning aangevraagd om het bouwplan te toetsen aan de
Nota parkeernormen Den Haag 2021.
21.1.
De rechtbank overweegt het volgende. De omgevingsvergunning die eiseres in deze procedure bestrijdt ziet alleen op het wijzigen van de kleur van de dakpannen. Uit onder meer het advies van de welstandscommissie van 7 september 2022 blijkt dat het bouwplan niet zal worden uitgevoerd met zwart engobe keramische dakpannen, maar met rood engobe keramische dakpannen. Nu eiseres geen bezwaar heeft tegen de gewijzigde kleur ziet de rechtbank niet in waarom het college deze omgevingsvergunning niet had mogen verlenen. Als er al een verband zou zijn met de later aangevraagde omgevingsvergunning, kan eiseres – mocht het tot verlening van die vergunning komen – daartegen bezwaar maken en beroep instellen. Voor zover eiseres betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid ziet de rechtbank daar geen aanknopingspunten voor in het dossier. De overige beroepsgronden die eiseres in deze beroepsprocedure aanvoert zien op bestreden besluit I en II en zijn al door de rechtbank besproken.

Conclusie en gevolgen

22. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.P. Brand, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE – juridisch kader

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk;
[…]
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan;
[…].
Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk geweigerd, in geval van, kort gezegd, (a) strijd met het Bouwbesluit 2012, (b) strijd met de Bouwverordening, (c) strijd met het bestemmingsplan en (d) strijd met de redelijke eisen van welstand.
Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo dient een aanvraag voor de activiteit ‘bouwen’, indien het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, mede aangemerkt te worden als een aanvraag voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo (strijdig gebruiken). De vergunning wordt slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is.
Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan;
1°.met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking.
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.
[…].
Ingevolge artikel 2.7 van het Besluit Omgevingsrecht (Bor) worden als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van Pro bijlage II (de zogeheten Kruimelgevallenregeling).
Ingevolge artikel 4, aanhef en onder 1, van bijlage II bij het Bor komen voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking: een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf;
b. de oppervlakte niet meer dan 150 m2.

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 18 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3919, r.o. 5.
3.Uitspraak van de Afdeling van 21 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:865, r.o. 5.3.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2732, r.o. 9.3.
5.Zie de uitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, r.o. 8.1 en 8.2.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5331, r.o. 12.1.