AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling ongewenstverklaring en ontzegging EU-verblijfsrecht wegens ernstige bedreiging samenleving
Eiser is door de minister van Asiel en Migratie ongewenst verklaard en is het EU-verblijfsrecht ontzegd vanwege meerdere strafrechtelijke veroordelingen en het vormen van een ernstige bedreiging voor de openbare orde. De minister heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelt eerst de rechtmatigheid van de ongewenstverklaring, omdat zolang deze van kracht is, eiser geen belang heeft bij de beoordeling van het EU-verblijfsrecht. De rechtbank stelt vast dat het persoonlijke gedrag van eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving, mede gelet op de onherroepelijke strafrechtelijke veroordelingen en het ontbreken van een positieve gedragsverandering.
Eiser voerde aan dat hij onmachtig is en zich heeft gericht tot maatschappelijk werk, maar dit leidt niet tot een andere conclusie. De belangenafweging van de minister is volgens de rechtbank zorgvuldig en evenredig, en een toets aan artikel 8 EVRMPro leidt niet tot een ander oordeel omdat eiser geen aantoonbaar gezinsleven in Nederland heeft.
De rechtbank verklaart het beroep tegen de ongewenstverklaring ongegrond en het beroep tegen de ontzegging van het EU-verblijfsrecht niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: Het beroep tegen de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen de ontzegging van het EU-verblijfsrecht niet-ontvankelijk.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.44023
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1], V-nummer: [v-nummer], eiser,
(gemachtigde: mr. I. Petkovski),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Samenvatting
1. Bij besluit van 19 december 2024 heeft de minister eisers EU-verblijfsrecht ontzegd dan wel beëindigd en hem op grond van artikel 67 vanPro de Vw [1] ongewenst verklaard. Eiser moet Nederland onmiddellijk verlaten. Op 14 augustus 2025 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is hij bij de ontzegging/beëindiging van het EU-verblijfsrecht en de ongewenstverklaring gebleven. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de ontzegging/beëindiging van het EU-verblijfsrecht en de ongewenstverklaring in stand kunnen blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 14 augustus 2024 heeft de minister een voornemen tot verblijfsbeëindiging dan wel ontzegging en ongewenstverklaring aan eiser kenbaar gemaakt.
2.1.
Volgens de minister is er geen sprake van onafgebroken verblijf in Nederland. De minister heeft daarom op 30 september 2024 besloten het verblijfsrecht aan eiser te ontzeggen. Voor zover wel verblijfsrecht zou moeten worden aangenomen is er volgens de minister aanleiding dat te beëindigen. Daarnaast is eiser ongewenst verklaard. Dit besluit is op 22 oktober 2024 door de minister ingetrokken.
2.2.
Bij besluit van 19 december 2024 heeft de minister opnieuw besloten tot ontzegging/beëindiging van het verblijfsrecht en is eiser op grond van artikel 67 vanPro de Vw ongewenst verklaard. Eiser moet Nederland onmiddellijk verlaten. Op 15 januari 2025 heeft eiser pro-forma bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Op 5 maart 2025 heeft eiser het bezwaarschrift aangevuld met gronden van bezwaar.
2.3.
Op 14 augustus 2025 heeft de minister het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard en is hij bij de ontzegging/beëindiging van het EU-verblijfsrecht en de ongewenstverklaring gebleven. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en daarbij verzocht om een voorlopige voorziening. [2] Deze staat geregistreerd onder zaaknummer NL25.2113 en hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
3. Het beroep van eiser richt zich tegen zowel het besluit van de minister tot ontzegging/beëindiging van het EU-verblijfsrecht als zijn ongewenstverklaring. Uit artikel 67, derde lid, van de Vw volgt dat een vreemdeling geen rechtmatig verblijf in Nederland kan hebben zolang zijn ongewenstverklaring voortduurt. Dit betekent dat eiser geen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen de ontzegging/beëindiging van het EU-verblijfsrecht, zolang de ongewenstverklaring voortduurt. [3] Eisers beroep tegen de ontzegging/beëindiging van het EU-verblijfsrecht is dan ook slechts ontvankelijk als de uitspraak van de rechtbank tot gevolg heeft dat de hem opgelegde ongewenstverklaring niet langer van kracht is. De rechtbank zal daarom eerst de rechtmatigheid van de ongewenstverklaring beoordelen. Alleen als die onrechtmatig is, volgt een beoordeling van de ontzegging/beëindiging van het EU-verblijfsrecht.
3.1.
Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de ongewenstverklaring betrekt de rechtbank wel ten volle de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd tegen de ontzegging van het EU-verblijfsrecht. Voor beide gevallen is het toetsingskader namelijk gelijk . [4]
Beoordeling door de rechtbank
Vormt het persoonlijk gedrag van eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving?
Juridisch kader
4. Op grond van de Verblijfsrichtlijn [5] kan de vrijheid van verkeer en verblijf van burgers van de Europese Unie worden beperkt om onder meer redenen van openbare orde. Het aanvoeren van een reden van openbare orde moet in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel, mag alleen gebaseerd zijn op het gedrag van betrokkene en het gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormen voor een fundamenteel belang van de samenleving. [6]
4.1.
Op grond van artikel 67, eerste lid, van de Vw kan de minister een Unieburger - voor zover hier relevant - ongewenst verklaren als (onder b) hij is veroordeeld voor een misdrijf waarvoor de maximale gevangenisstraf 3 jaren of meer is bedreigd en (onder c) omdat hij een gevaar vormt voor de openbare orde en hij geen rechtmatig verblijf heeft. De minister moet hierbij toetsen of het persoonlijke gedrag van de Unieburger een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Daarbij moet de minister in het bijzonder rekening houden met de duur van het verblijf van de betrokkene in Nederland, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie en sociale en culturele integratie in Nederland en met de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van herkomst.
4.2.
In de uitspraak [7] van 20 november 2015, heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) uit het arrest Z.Zh. en I.O. afgeleid dat, voor zover nu van belang, de minister bij zijn beoordeling of sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, alle feitelijke en juridische gegevens moet betrekken die zien op de situatie van een vreemdeling in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Steunen op een algemene praktijk of een vermoeden volstaat daarom niet. Verder moet de minister bij zijn beoordeling in acht nemen dat de hiervoor bedoelde feitelijke en juridische gegevens niet noodzakelijkerwijs beperkt zijn tot de gegevens die de strafrechter heeft beoordeeld. Ook moet de minister bezien of de vreemdeling sinds het (laatst) gepleegde strafbare feit een positieve gedragsverandering heeft doorgemaakt.
4.3.
Het bestreden besluit is een belastend besluit, zodat het aan de minister is om aan te tonen dat aan de voorwaarden voor de ongewenstverklaring is voldaan.
Beoordeling
5. Eiser stelt dat hij met zijn gedrag geen actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. De enkele omstandigheid dat eiser herhaaldelijk is veroordeeld is daartoe onvoldoende. Eiser stelt dat geen sprake is van onwil, maar van onmacht en acht daarbij relevant dat hij zich voor hulp heeft gewend tot maatschappelijk werk.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgronden van eiser niet slagen. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat het gedrag van eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. De rechtbank volgt de minister dat aannemelijk is dat van een dergelijke bedreiging sprake is. Naar aanleiding van hetgeen eiser heeft aangevoerd overweegt de rechtbank als volgt.
5.2.
De minister is terecht uitgegaan van de onherroepelijkheid van de strafrechtelijke veroordelingen en hetgeen daarin is overwogen. Gezien het veelvoud aan veroordelingen en gezien de laatste veroordeling nog maar kortgeleden was, heeft de minister hier uit kunnen afleiden dat kans op herhaling groot is en er daarom een actuele dreiging van eiser uitgaat. De minister heeft daarbij kunnen betrekken dat eiser zich ongevoelig toont voor veroordeling en straf en niet de bereidheid of het vermogen heeft de criminaliteit definitief achter zich te laten.
5.3.
De rechtbank is verder met de minister van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat de omstandigheden waarin eiser tot zijn daden komt en/of zijn normbesef nu zodanig ten positieve zijn gewijzigd dat niet meer voor nieuwe misdrijven hoeft te worden gevreesd. De minister heeft daarbij kunnen betrekken dat uit de strafvonnissen niet blijkt dat eiser verantwoordelijkheid neemt. Daarzonder, en zonder inzicht in het ontoelaatbare van eisers handelen, ligt niet in de rede dat hij zich inzet om zijn leven te beteren, of daarvan zelfs maar de noodzaak inziet en erkent. Dat eiser zich inmiddels heeft gewend tot maatschappelijk werk is prijzenswaardig, maar staat bij gebrek aan concrete verbeteringen, niet aan die conclusie in de weg. De minister heeft in hetgeen eiser heeft verklaard in het gehoor geen aanleiding voor een andere beoordeling hoeven zien. Ook in dat gehoor schuift eiser de verantwoordelijkheid ver van zich af, zij het alleen al door de toeschrijving van zijn fouten aan zijn problematische verleden. De minister merkt in dat kader terecht op dat als eiser om die reden eerder geen betere keuzes kon maken, zonder nadere toelichting niet wordt ingezien waarom hij daartoe nu ineens wel in staat zou zijn. De verklaring van eiser dat hij van plan is zijn leven te beteren, is in dit kader onvoldoende. De minister heeft in het verweerschrift en tijdens de zitting gemotiveerd aangegeven dat de in beroep overgelegde stukken (een document met antwoorden op vragen, een onderwijsovereenkomst, verklaringen van een vriend en de moeder van zijn kind, foto’s en een verklaring van een maatschappelijk werker) evenmin onderbouwen dat sprake is van een positieve gedragsverandering.
5.4.
Tot slot overweegt de rechtbank dat de minister terecht overweegt dat het gedrag van eiser een ‘ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving’ is. Eiser is immers veroordeeld voor geweld en een strafbaar feit dat, gezien het verwoestende effect van drugs op de samenleving, een bijzonder ernstig karakter heeft. [8] De minister heeft daarbij de overwegingen uit de eerdere vonnissen kunnen betrekken en daaruit kunnen concluderen dat eisers gedrag een ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving oplevert.
Is de intrekking van de verblijfsvergunning onevenredig of in strijd met artikel 8 EVRMPro?
6. Eiser voert aan dat de door de minister gemaakte belangenafweging ondeugdelijk is. Hij stelt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van het bestreden besluit. Eiser stelt dat uit de overgelegde stukken volgt dat sprake is van grote belangen aan de zijde van eiser en zijn kind en partner. Daarom moet een EU-toets en een artikel 8 EVRMPro toets worden gemaakt. De conclusie van een dergelijke toets maakt dat niet tot de ongewenstverklaring mag worden overgegaan. Ook wegen de belangen van het kind in deze zaak zwaar.
Evenredigheid
6.1.
Wat betreft de intensiteit en de beleidsruimte wijst de rechtbank op artikel 67 vanPro de Vw 2000. Daarin is bepaald dat de minister een vreemdeling ongewenst kanverklaren. Gezien die formulering is enige terughoudendheid bij toetsing door de bestuursrechter van het gebruik van die bevoegdheid gepast.
6.2.
De rechtbank overweegt dat de minister gemotiveerd uiteen heeft gezet waarom de ongewenstverklaring evenredig is. Het enkele betoog van eiser dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het strikt vasthouden aan het beleid voor eiser onevenredige gevolgen heeft in verhouding tot de met de beleidsregel te volgen doelen biedt de rechtbank geen aanknopingspunt voor een ander oordeel.
7. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich in het kader van artikel 8 EVRMPro terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser op dit moment geen familieleven heeft in Nederland. De rechtbank stelt vast dat eiser, ondanks dat de minister hem de mogelijkheid daartoe heeft gegund, niet of nauwelijks informatie heeft overgelegd waaruit gezinsleven blijkt. De in beroep overgelegde verklaringen leveren geen aanknopingspunten op basis waarvan de minister aanleiding had moeten of kunnen zien om gezinsleven aan te nemen. Ten aanzien van die overgelegde verklaring van de moeder oordeelt de rechtbank dat de minister heeft kunnen overwegen dat hoewel hieruit enige vorm van omgang met [naam 2] volgt, dit bij gebrek aan duidelijkheid over de aard en intensiteit van de omgang onvoldoende is om gezinsleven aan te nemen.
7.1.
Voorts oordeelt de rechtbank dat de intrekking van de verblijfsvergunning weliswaar leidt tot een inmenging in eisers privéleven, maar dat die inmenging gerechtvaardigd is. De minister heeft overwogen dat eisers privéleven niet aan Nederland is gebonden. Eiser heeft hier niks tegenover gezet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de minister een andere afweging had moeten maken.
7.2.
In zoverre eiser stelt dat er een Chavez-Vilchez/EU-toets gemaakt moet worden, volstaat de rechtbank met de overweging dat eiser geen derdelander, maar een Unieburger is en slechts Nederland, niet de Unie, dient te verlaten. Een toets aan het EU-verblijfsrecht is op dit punt dan ook niet relevant.
Conclusie en gevolgen
8. De rechtbank verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de ongewenstverklaring, ongegrond. Aangezien eiser ongewenst is verklaard en daarom op dit moment geen rechtmatig verblijf kan hebben, heeft eiser geen belang bij de beoordeling van zijn beroep, voor zover gericht tegen de ontzegging/beëindiging van het EU-verblijfsrecht. Daarom is het beroep, in zoverre, niet-ontvankelijk.
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de ongewenstverklaring, ongegrond;
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de ontzegging dan wel beëindiging van het EU-verblijfsrecht, niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Met toepassing van artikel 8:81, vijfde lid, Algemene wet bestuursrecht.
6.Dit volgt uit onder meer uit artikel 27 vanPro de Verblijfsrichtlijn, artikel 67 vanPro de Vw, artikel 8.22 van het Vb en paragraaf B10/2.3 van de Vc.