ECLI:NL:RBDHA:2026:444

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL25.47355
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag en overdrachtstermijn in het kader van de Dublinverordening

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, op 12 januari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de asielaanvraag van eiser, een Palestijnse man geboren in 2003. Eiser had op 30 maart 2024 een asielaanvraag ingediend in Nederland, maar deze werd niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk was voor de behandeling. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, maar de rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de overdrachtstermijn van zes maanden was verlengd omdat eiser doelbewust buiten het bereik van de autoriteiten was gebleven. Eiser had op 17 juni 2025 opnieuw een asielaanvraag ingediend, maar ook deze werd niet in behandeling genomen. De rechtbank oordeelde dat Nederland op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag gaan dat Kroatië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Eiser heeft niet voldoende bewijs geleverd dat er sprake was van systematische tekortkomingen in de asielprocedure in Kroatië. De rechtbank concludeerde dat de verlenging van de overdrachtstermijn rechtmatig was en dat Kroatië als verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van de asielaanvraag moest worden aangemerkt. Eiser kreeg geen gelijk en er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47355

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. E.G. Grigorjan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Inleiding

Bij besluit van 29 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Ter zitting is het onderzoek in de zaak aangehouden in verband met vragen over de verlenging van de overdachtstermijn.
Desgevraagd heeft eiser op de rechtbank geïnformeerd over zijn feitelijke verblijfplaats vanaf 9 oktober 2025. Eiser heeft de rechtbank op 28 november bericht. Partijen hebben vervolgens over en weer nader gereageerd.
De rechtbank heeft het onderzoek op 5 januari 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2003 en de Palestijnse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 30 maart 2024 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Bij besluit van 11 september 2024 heeft verweerder die aanvraag niet in behandeling genomen omdat Kroatië de verantwoordelijke lidstaat was. Het daartegen ingediende beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem bij uitspraak van 17 januari 2025 ongegrond verklaard. [2] Hiermee is het hiervoor genoemde besluit van 11 september 2024 onherroepelijk geworden. Op 4 april 2025 is eiser overgedragen aan de autoriteiten van Kroatië.
2. Eiser heeft op 17 juni 2025 opnieuw in Nederland een asielaanvraag ingediend. Nederland heeft op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening [3] de Kroatische autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Kroatische autoriteiten hebben dit verzoek op 27 mei 2025 geaccepteerd op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. De aanvraag is hierna niet in behandeling genomen. Eiser is vervolgens op 9 oktober 2025 geregistreerd als ‘met onbekende bestemming vertrokken’. Op 23 oktober 2025 zijn de Kroatische autoriteiten daarvan in kennis gesteld en zijn zij bericht dat de uiterste overdrachtstermijn is verlengd. [4]
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat Nederland inmiddels (alsnog) verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de asielaanvraag, omdat de overdrachtstermijn is verstreken. Eiser voert in dat verband aan dat verweerder de overdrachtstermijn ten onrechte heeft verlengd, omdat eiser niet is ondergedoken. Volgens eiser verbleef hij met medeweten van COA [5] tijdelijk bij een vriend. COA heeft hem daarom ten onrechte geregistreerd als ‘met onbekende bestemming vertrokken’, aldus eiser.
Eiser voert verder aan dat de omstandigheden waaronder opvang en bewaring in Kroatië plaatsvinden in strijd zijn met de Opvang- en Procedurerichtlijn. [6] Uit het AIDA rapport update 2024 blijkt dat de behandeling van asielzoekers en Dublinterugkeerders in Kroatië niet wezenlijk is verbeterd sinds het verschijnen van eerdere AIDA-rapporten.
Verweerder heeft volgens eiser daarnaast onvoldoende rekening gehouden met de verklaringen van eiser over zijn ervaringen in Kroatië. Hij is in Kroatië slecht behandeld, hij is mishandeld, geslagen en uitgescholden. Hij heeft geen passende medische behandeling gekregen. Eiser heeft hiertegen in Kroatië een klacht ingediend, maar daar is niets mee gedaan. Eiser meent dat hij met zijn verklaringen het rechtsvermoeden heeft weerlegd dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Het claimakkoord op basis van artikel 20, vijfde lid van de Dublinverordening kan volgens eiser niet worden gezien als een toezegging dat eisers asielaanvraag in Kroatië in behandeling wordt genomen met inachtneming van alle rechten en waarborgen uit de Europese asielrichtlijnen.
Ten slotte stelt eiser dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de aanwezigheid in Nederland van een oom en een neef die eiser tot steun zijn.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Uit artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat, indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de betrokkene over te nemen of terug te nemen komt te vervallen en de verantwoordelijkheid overgaat op de verzoekende lidstaat. Indien de overdracht niet kon worden uitgevoerd, kan deze termijn tot maximaal 18 maanden worden verlengd indien de betrokkene onderduikt. Deze bepaling moet zo worden uitgelegd dat een betrokkene onderduikt wanneer deze persoon doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, met het doel om deze overdracht te voorkomen. [7]
5. Eiser is in de gelegenheid gesteld om zijn stelling te staven dat COA op de hoogte was van zijn verblijf buiten het opvangcentrum. Hierin is eiser niet geslaagd. De toelichting van eisers gemachtigde dat COA hem om privacy-redenen geen verdere informatie wil verstrekken laat onverlet dat eiser zelf moet kunnen concretiseren op welke wijze hij COA heeft geïnformeerd over zijn feitelijke verblijfplaats. Eiser heeft hierover echter geen nadere informatie verstrekt. Anderzijds blijkt uit de brief van verweerder van 12 december 2025 dat het COA heeft bevestigd dat eiser tweemaal niet is verschenen op de meldplicht en dat zij geen informatie hebben ontvangen over een andere verblijfplaats van eiser. Verweerder heeft de conclusie kunnen trekken dat eiser doelbewust buiten het bereik is gebleven van de autoriteiten om zijn overdracht te voorkomen. De overdrachtstermijn is dan ook op rechtmatige wijze verlengd. Verweerder is daarom terecht uitgegaan van Kroatië als verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van eisers asielaanvraag.
6. In beginsel mag verweerder, op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ervan uitgaan dat Kroatië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in het algemeen of in zijn specifieke geval niet kan en dat in Kroatië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in strijd met artikel 3 van het EVRM [8] en artikel 4 van het Handvest. [9] Daarbij geldt een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid.
7. De Afdeling [10] heeft in haar uitspraken van 9 oktober 2024 [11] , 11 november 2024 [12] en van 20 augustus 2025 [13] bevestigd dat in het geval van Kroatië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens de Afdeling zijn er in beginsel geen obstakels voor Dublinterugkeerders om toegang tot de asielprocedure te krijgen en niet is gebleken van structurele tekortkomingen voor wat betreft de opvangvoorzieningen. Er zijn geen concrete aanknopingspunten voor de conclusie dat Dublinterugkeerders te maken krijgen met pushbacks. Het AIDA-rapport update 2024, waar eiser naar verwijst, is geen reden om anders te oordelen. Dit rapport schetst namelijk geen wezenlijk ander beeld dan het AIDA rapport update 2023 dat door de Afdeling is beoordeeld.
8. Verweerder heeft in eisers verklaringen over zijn persoonlijke ervaringen in Kroatië evenmin aanleiding hoeven zien om niet langer uit te gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Deze - niet verder onderbouwde - verklaringen bieden geen concreet aanknopingspunt voor het aannemen van systematische tekortkomingen in de asiel- en opvangprocedure in Kroatië. De omstandigheid dat eiser zegt te zijn mishandeld is als zodanig onvoldoende voor de conclusie dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Daarbij is van belang dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Kroatië daadwerkelijk en tevergeefs heeft geklaagd over zijn behandeling. Ook indien eiser na overdracht zou vinden dat Kroatië zijn verplichtingen niet nakomt, ligt het op zijn weg om daarover in Kroatië te klagen. Dat dit voor eiser niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is, is niet gebleken.
9. Voor zover eiser stelt dat zijn medisch gesteldheid eraan in de weg staat dat hij wordt overgedragen, geldt verder dat hij niet met documenten heeft onderbouwd dat hij onder medisch-specialistische behandeling staat en dat Nederland het meest aangewezen land is om zijn gestelde medische klachten te behandelen.
10. Ten slotte heeft verweerder terecht overwogen dat de gestelde familieleden van eiser in Nederland niet zijn aan te merken als gezinsleden in de zin van artikel 2, onder g, van de Dublinverordening, zodat de gezinsbepalingen van de artikelen 8, 9, 10 11 en 16 niet van toepassing zijn. Eiser heeft daarnaast niet aangetoond dat er sprake is van een familieband en van afhankelijkheid. Verweerder heeft in de gestelde aanwezigheid van familie dan ook geen aanleiding hoeven zien om de overdracht aan Kroatië achterwege te laten.
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 9 januari 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening.
5.Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
6.Richtlijn 2013/33/EU en Richtlijn 2013/32/EU.
7.ABRvS 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3630.
8.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
9.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
10.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.