Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5476

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
26.4688
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 17 DublinverordeningArt. 4 Handvest van de Grondrechten van de Europese UnieArt. 3 EVRMArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen opvolgende asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit op de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. De rechtbank beoordeelt dit beroep zonder zitting en verklaart het ongegrond.

De rechtbank overweegt dat Nederland op 30 oktober 2025 een verzoek tot terugname aan Duitsland heeft gedaan, dat op 3 november 2025 is aanvaard. Eiser stelde dat de minister onvoldoende individuele belangenafweging heeft gemaakt op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, onder meer vanwege zijn mentale en fysieke gesteldheid, negatieve ervaringen in eerdere procedures, en zijn homoseksualiteit. De rechtbank oordeelt dat de minister dit in redelijkheid niet hoefde te doen omdat geen bijzondere omstandigheden van onevenredige hardheid zijn vastgesteld.

Verder voerde eiser aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel onvoldoende is toegepast, mede vanwege structurele tekortkomingen in de Duitse asielprocedure en opvang, en dat hij risico loopt op indirect refoulement. De rechtbank stelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland nog steeds geldt en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Ook is het risico op indirect refoulement binnen de Dublinprocedure niet te beoordelen tenzij sprake is van systeemfouten, wat hier niet is vastgesteld.

Ten aanzien van het gehoor en de zienswijze oordeelt de rechtbank dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaren kenbaar te maken. Ook is geoordeeld dat eiser geen aannemelijk gemaakt gebrek aan effectieve rechtsbescherming in Duitsland heeft gesteld. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat eiser kan worden overgedragen aan Duitsland.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de overdracht aan Duitsland blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4688

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de opvolgende aanvraag met het bestreden besluit van 26 januari 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 30 oktober 2025 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 3 november 2025 aanvaard.
Artikel 17
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Uit het bestreden besluit volgt niet dat er een individuele en kenbare belangenafweging is gemaakt. De minister had in de mentale en fysieke gesteldheid, de negatieve ervaringen in meerdere asielprocedures en zijn behoefte aan stabiliteit en rust aanleiding moeten zien voor de toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Ook heeft de minister onvoldoende meegewogen dat eiser in Nederland na jaren van onzekerheid eindelijk rust ervaart, en dat eiser homoseksueel is.
5.1.
De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van eiser van onevenredige hardheid getuigt. Deze beroepsgrond slaagt reeds daarom niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van overdracht aan Duitsland. De minister heeft algemene verwijzingen gedaan naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zonder hiernaar nader onderzoek te doen ten aanzien van de situatie van eiser. De individuele omstandigheden van eiser zijn onvoldoende kenbaar en concreet beoordeeld. Eiser heeft onder verwijzing naar het AIDA-rapport van 2024 gewezen op structurele tekortkomingen binnen de Duitse asielprocedure en opvang. De minister heeft ten onrechte geoordeeld dat deze informatie niet op eiser van toepassing is, en heeft de informatie uit het AIDA-rapport onvoldoende weerlegd. Eiser stelt bij overdracht aan Duitsland een reëel risico te lopen op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest. Ook heeft de minister het risico op indirect refoulement onvoldoende beoordeeld, nu eiser heeft aangegeven dat hij zich in Duitsland onvoldoende gehoord en beschermd voelde.
6.1.
De rechtbank overweegt dat de autoriteiten van Duitsland met het claimakkoord in beginsel verantwoordelijk zijn voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser. Dit is slechts anders als moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Duitsland systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest dan wel artikel 3 van Pro het EVRM, waarbij een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid geldt. [2] Verder heeft de Afdeling in de uitspraken van 4 september 2024 [3] geoordeeld dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om het vermoeden te weerleggen dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
6.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat volgens rechtspraak van de Afdeling nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland. [4] Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover hem niet nakomt. Dat eiser bij eerder verblijf in Duitsland slechte ervaringen heeft gehad, maakt niet zonder meer dat hij als Dublinclaimant risico zal lopen op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest.
6.3.
Ten aanzien van eisers betoog dat hij bij overdracht aan Duitsland vreest voor indirect refoulement, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het Hof [5] van 30 november 2023 [6] en de Afdeling van 12 juni 2024 [7] . Uit die uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land, omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Zoals hiervoor onder 6.2. is overwogen kan ten aanzien van Duitsland nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank onderzoekt daarom niet of er bij overdracht aan Duitsland een risico is op indirect refoulement.
Gehoor en zienswijze
7. Eiser voert aan dat de minister meer gewicht had moeten toekennen aan hetgeen eiser heeft aangevoerd in de zienswijze, omdat het Dublin-gehoor te kort was om persoonlijke omstandigheden en bezwaren volledig toe te lichten.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat in het besluit van 26 januari 2026 voldoende ingegaan is op hetgeen eiser heeft aangevoerd in zijn zienswijze. Ook heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaren kenbaar te maken. Dit kon hij doen tijdens het Dublingehoor, bij de correcties en aanvullingen en in de zienswijze. Niet is gebleken dat eiser hiertoe onvoldoende in de gelegenheid is gesteld.
Mogelijkheid om te klagen
8. Tot slot voert eiser aan dat hij, in tegenstelling tot het standpunt van de minister, geen reële toegang heeft tot effectieve rechtsbescherming in Duitsland. Eiser is namelijk de taal niet machtig, heeft geen sociaal netwerk in Duitsland en kampt met psychische problemen. Ook ontbreekt het in Duitsland aan kosteloze rechtsbijstand. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom deze drempels in het geval van eiser niet maken dat klagen feitelijk onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
8.1.
Duitsland heeft met het claimakkoord gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Als eiser vindt dat Duitsland zijn verplichtingen niet nakomt, ligt het op zijn weg om daarover in Duitsland te klagen bij de autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet aannemelijk gemaakt. Ook is niet gebleken dat de autoriteiten van Duitsland hem niet zouden kunnen of willen helpen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser kan worden overgedragen aan Duitsland. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier en openbaar gemaakt middels gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Dit volgt uit het arrest van het Hof van 19 maart 2019, in de zaak Abubacarr Jawo tegen Duitsland (ECLI:EU:C:2019:218, het arrest Jawo).
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588.
5.Europese Hof van Justitie
6.ECLI:EU:C:2023:934.