ECLI:NL:RBDHA:2026:5609

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
NL23.23251+NL23.23252
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1(D) VluchtelingenverdragArt. 3 EVRMArt. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvragen Palestijnse broers uit Libanon bevestigd wegens onvoldoende geloofwaardigheid en uitsluiting vluchtelingenstatus

Twee Palestijnse broers uit Libanon dienden asielaanvragen in die door de minister van Asiel en Migratie werden afgewezen. De rechtbank beoordeelde de ontvankelijkheid van de beroepen ondanks te late indiening van beroepsgronden en oordeelde dat de minister terecht uitging van de medisch adviezen van MediFirst zonder zelf een forensisch medisch onderzoek (FMO) aan te bieden.

Het door eisers zelf uitgevoerde FMO-rapport toonde aan dat medische klachten van een van de eisers typerend waren voor het ondergane geweld, maar de rechtbank vond dat de minister de conclusies terecht niet volledig hoefde mee te nemen in de geloofwaardigheidsbeoordeling. De minister mocht de mishandeling en bedreigingen uit 2018 en het incident op het strand in 2021 ongeloofwaardig achten vanwege tegenstrijdigheden en onvoldoende onderbouwing.

Verder oordeelde de rechtbank dat eisers bescherming hadden genoten van de UNRWA, waardoor zij van vluchtelingenstatus zijn uitgesloten volgens artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag. Eisers konden niet aantonen dat zij het beschermingsgebied onvrijwillig hadden verlaten. Ook was er geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Libanon. De beroepen werden daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvragen bleef in stand.

Uitkomst: De beroepen van de Palestijnse broers tegen de afwijzing van hun asielaanvragen worden ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.23251 en NL23.23252

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaken tussen

[eiser 1] , v-nummer [nummer 1] , eiser 1

[eiser 2], v-nummer [nummer 2] , eiser 2
samen: eisers
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
en
de minister van Asiel en Migratie [1]
(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers. Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen ontvankelijk zijn en de afwijzing van de asielaanvragen in stand kan blijven. De minister mocht uitgaan van de medisch adviezen van MediFirst en had eisers niet uit zichzelf een forensisch medisch onderzoek (FMO) moeten aanbieden. Verder vindt de minister de mishandeling en de bedreigingen door [naam organisatie] in 2018 en het incident op het strand in 2021 niet ten onrechte ongeloofwaardig. Op basis van het deel van het asielrelaas dat wél geloofwaardig is geacht, mocht de minister zich op het standpunt stellen dat eisers van vluchtelingschap zijn uitgesloten omdat zij bescherming hebben genoten van de UNRWA [2] en overwegen dat eisers bij terugkeer naar Libanon geen reëel risico op ernstige schade lopen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaken. Onder 3 staat wat eisers aan hun asielaanvragen ten grondslag hebben gelegd en vanaf overweging 4 beschrijft de rechtbank waarom de minister deze asielaanvragen heeft afgewezen. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf overweging 6. Daarin gaat de rechtbank eerst in op de ontvankelijkheid van de beroepen en, vanaf overweging 8, op de beroepsgronden die eisers hebben aangevoerd. Aan het einde van de uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 29 september 2021 hun asielaanvragen ingediend. Met de bestreden besluiten van 18 juli 2023 heeft de minister deze asielaanvragen afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eisers hebben beroepen ingesteld tegen de bestreden besluiten. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 24 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek na afloop van deze behandeling op zitting gesloten.
2.3.
Eisers hebben op 4 december 2023 verzocht om heropening van het onderzoek, omdat het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (het iMMO) aan hen een FMO heeft toegezegd. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 12 december 2023 heropend.
2.4.
Eisers hebben het FMO-rapport op 26 juni 2025 aan het dossier toegevoegd. De rechtbank heeft de minister vervolgens in de gelegenheid gesteld om op het FMO-rapport te reageren. Hij heeft dat op 27 augustus 2025 gedaan. De rechtbank heeft eisers daarna nog de gelegenheid geboden om op het standpunt van de minister te reageren. Zij hebben van die gelegenheid in eerste instantie geen gebruik gemaakt.
2.5.
De rechtbank heeft partijen hierna op 18 november 2025 laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij binnen een week wilden laten weten of zij het daarmee eens zijn. De minister heeft op 19 november 2025 laten weten aan een nadere zitting geen behoefte te hebben. De gemachtigde van eisers heeft op 27 december 2025 uiteindelijk alsnog gereageerd op het standpunt van de minister en eveneens laten weten geen behoefte te hebben aan een nadere zitting. Naar aanleiding van deze reactie heeft de rechtbank de minister op 18 februari 2026 opnieuw gevraagd of hij instemt met afdoening van de zaak zonder een nadere zitting. Omdat de minister niet binnen de gestelde termijn van een week om een nadere zitting heeft gevraagd, heeft de rechtbank heeft het onderzoek gesloten en de zaak niet nogmaals op zitting behandeld. [3]

Beoordeling door de rechtbank

De asielrelazen van eisers
3. Eisers zijn twee Palestijnse broers en afkomstig uit Tripoli, Libanon. Zij leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. Eisers hebben gezamenlijk en afzonderlijk te maken gehad met verschillende bedreigingen, mishandelingen en beschietingen vanuit organisaties als Hezbollah, [naam organisatie] en de [naam partij] tussen 2011 en 2021, waaronder een beschieting bij hun huis in 2011, een mishandeling na een apotheekbezoek in 2018 en een beschieting op het strand in 2021.
De bestreden besluiten
4. Het asielrelaas van eiser 1 bevat volgens de minister de volgende relevante elementen: (1) Identiteit, nationaliteit en herkomst, (2) Beschieting door [naam organisatie] in 2011, (3) Beschieting bij het ziekenhuis in 2017 en (4) Beschieting bij het strand in 2021.
4.1.
Het asielrelaas van eiser 2 bevat volgens de minister de volgende relevante elementen: (1) Identiteit, nationaliteit en herkomst, (2) De bedreiging in 2010, (3) De beschieting in 2011, (4) De mishandeling en bedreigingen in 2018 door [naam organisatie] en (5) De beschieting in 2021 samen met broer.
5. In het geval van eiser 1 heeft de minister de elementen 1, 2 en 3 geloofwaardig en het element 4 ongeloofwaardig geacht. In het geval van eiser 2 heeft de minister de elementen 1, 2 en 3 geloofwaardig en de elementen 4 en 5 ongeloofwaardig geacht. Vervolgens heeft de minister de zwaarwegendheid van de asielrelazen van eisers beoordeeld. De minister komt bij die beoordeling tot de conclusie dat eisers bescherming hebben genoten van de UNRWA, waardoor zij van vluchtelingschap zijn uitgesloten. [4] Verder stelt de minister zich op het standpunt dat eisers bij terugkeer naar Libanon ook geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM lopen.
Zijn de beroepen ontvankelijk?
6. Een beroepschrift moet beroepsgronden bevatten. [5] Als een beroepschrift geen gronden bevat, dan kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. De indiener van het beroepschrift moet dan wel eerst de gelegenheid hebben gehad om de beroepsgronden alsnog binnen een door de rechtbank gestelde termijn in te dienen. [6] Dient de indiener zijn beroepsgronden daarna niet of te laat in, dan kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als de termijnoverschrijding niet aan de indiener valt toe te rekenen (en dus verschoonbaar is) [7] of het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep onmiskenbaar tot gevolg zou hebben dat voor de vreemdeling een schending van artikel 3 van Pro het EVRM dreigt (de zogenoemde Bahaddar-exceptie). [8]
6.1.
Eisers hebben op 15 augustus 2023 beroepen ingesteld. Op 16 augustus 2023 heeft de rechtbank vastgesteld dat de beroepen van eisers geen beroepsgronden bevatten en hen tot en met 13 september 2023 de gelegenheid geboden om alsnog beroepsgronden in te dienen. Eisers hebben dat pas op 15 september 2023 gedaan. De rechtbank beantwoordt daarom eerst (ambtshalve) de vraag of de beroepen van eisers ontvankelijk zijn.
7. Eisers stellen dat hun beroepen ontvankelijk zijn. De beroepsgronden zijn als gevolg van een objectieve samenloop van omstandigheden op het kantoor van hun gemachtigde te laat ingediend. Daarbij speelde onder andere mee dat het kantoor zich nog in de opstartfase bevond, dat de beroepen vlak voor de vakantie van de gemachtigde zijn ingediend, dat er bij het invoeren van de beroepen in het systeem iets is misgegaan en dat de gemachtigde zelf op 13 september 2023 in Den Haag werd verwacht op een bijeenkomst op het ministerie van Binnenlandse Zaken. Niet-ontvankelijkverklaring moet verder achterwege blijven, omdat de minister door de termijnoverschrijding niet in zijn belangen is geschaad en zowel uit het Unierecht als het EVRM valt af te leiden dat de rechtbank de nationale procedurele voorschriften in het geval van deze (eerste) asielaanvraag terzijde moet schuiven. [9]
7.1.
De rechtbank ziet in wat eisers aanvoeren geen reden om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De rechtbank stelt daarbij voorop dat het de verantwoordelijkheid van hun gemachtigde is om ervoor te zorgen dat termijnen worden bewaakt en dus (ook) dat beroepsgronden op tijd worden ingediend. Als een combinatie van omstandigheden op het kantoor van de gemachtigde ertoe leidt dat termijnen worden overschreden, dan komt dat voor rekening en risico van de gemachtigde en daarmee van eisers. De rechtbank ziet daarbij niet in waarom er op het kantoor van gemachtigde sprake is geweest van overmacht. De door de gemachtigde gestelde omstandigheden leiden hier in ieder geval niet toe. De rechtbank ziet verder geen reden om toepassing te geven aan de Bahaddar-exceptie. Op basis van de bestreden besluiten en wat eisers daartegen hebben aangevoerd, valt niet te zeggen dat de bestreden besluit evident onjuist zijn. [10] De rechtbank laat een niet-ontvankelijkverklaring desondanks achterwege. Daarvoor is maatgevend dat de minister in deze zaak niet is benadeeld door het te laat indienen van de beroepsgronden. Hij is immers nog ruimschoots in de gelegenheid geweest om op het beroep te reageren met een verweerschrift. Verder zijn er in deze zaak geen andere partijen dan eisers en de minister. Bovendien hebben eisers een zwaarwegend belang bij een inhoudelijke beoordeling van hun zaak, omdat het hier gaat om hun asielaanvragen en (onder meer) om een gesteld risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM bij terugkeer naar hun land van herkomst. Onder deze omstandigheden vindt de rechtbank dat het handelen van hun gemachtigde niet in het nadeel van eisers mag werken en ziet de rechtbank af van het niet-ontvankelijk verklaren van de beroepen. De rechtbank zal de beroepen dan ook inhoudelijk beoordelen.
Mocht de minister uitgaan van de medisch adviezen van MediFirst?
8. Het betoog van eisers dat de minister niet mocht uitgaan van de medisch adviezen van MediFirst, slaagt niet. MediFirst heeft in deze adviezen vastgesteld dat voor beide eisers geen (medische) beperkingen voor het horen en beslissen bestaan. Eisers wijzen er weliswaar op dat eiser 2 duidelijk zichtbaar schedelletsel heeft en dat zulk letsel kan leiden tot verschillende medische klachten (zoals geheugenverlies), [11] maar hebben niet met stukken (van een specialist, zoals een behandelend arts) onderbouwd dat deze klachten zich ook daadwerkelijk bij eiser 2 voordoen en door MediFirst zijn gemist. De minister mocht daarom uitgaan van de adviezen van MediFirst.
Had de minister eisers een FMO moeten aanbieden?
9. Eisers betogen dat de minister in de littekens en andere symptomen van eiser 2 aanleiding had moeten zien om hen een FMO aan te bieden. Dit medisch onderzoek is volgens eisers van essentieel belang, omdat eiser 2 ernstig letsel heeft opgelopen en dit mogelijk de oorzaak kan zijn voor de tegenstrijdigheden in zijn asielrelaas en het asielrelaas van eiser 1, en welke aan hen zijn tegengeworpen. Ook betogen eisers dat de minister, voor zover hij niet gehouden was om een FMO op te starten, hen had moeten wijzen op de mogelijkheid om op eigen kosten een FMO aan te vragen. [12]
9.1.
Het eerste betoog slaagt niet. De minister had eisers niet uit zichzelf een FMO moeten aanbieden. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat hij in de verklaringen van eisers, in combinatie met de medisch adviezen van 5 juli 2022, geen aanleiding zag voor een FMO. De rechtbank kan die redenering van de minister volgen. Dat het FMO had kunnen uitwijzen dat het ernstig letsel van eiser 2 de oorzaak is voor de tegengeworpen tegenstrijdigheden, volgt de rechtbank niet. Zoals hiervoor onder 8 is overwogen, volgt uit het medisch advies over eiser 2 van 5 juli 2022 dat er geen beperkingen waren voor het horen en beslissen en mocht de minister van dat advies uitgaan. Waarom de minister dan desondanks in het letsel van eiser 2 aanleiding had moeten zien voor een FMO, valt niet in te zien. De rechtbank volgt eisers ook niet in hun betoog dat de minister hen had moeten wijzen op de mogelijkheid om zelf en op eigen kosten een FMO op te laten starten. Nog afgezien van het feit dat eisers tijdens hun gehele asielprocedure door een professionele gemachtigde zijn bijgestaan, hebben eisers niet eerder dan in beroep aan de minister verzocht om een FMO op te starten. Daarom valt niet in te zien waarom de minister eisers al in het bestreden besluit had moeten wijzen op de mogelijkheid om een dergelijk FMO zelf op te starten.
Wat is de waarde van het door eisers zelf uitgevoerde FMO voor de beoordeling van de beroepsgronden over de geloofwaardigheid van de asielrelazen?
10. Zoals onder 2.2 en 2.3 overwogen, hebben eisers uiteindelijk zelf een FMO laten uitvoeren. Dit FMO had betrekking op eiser 2. Voordat de rechtbank toekomt aan de vraag of de minister het asielrelaas van eisers deels ongeloofwaardig mocht vinden, beantwoordt zij eerst de vraag wat de waarde is van het FMO dat eisers zelf hebben laten uitvoeren.
De inhoud van het FMO-rapport
11. Het iMMO heeft in het kader van het FMO onderzocht of de littekens en de lichamelijke en psychische klachten van eiser kunnen zijn voortgekomen uit het geweld dat hij in zijn asielrelaas heeft beschreven (de zogenoemde A-vraag) en of sprake is van psychische problematiek die van invloed kan zijn op het vermogen van eiser 2 om compleet, coherent en consistent te kunnen verklaren (de zogenoemde B-vraag).
11.1.
In het kader van de A-vraag heeft het iMMO geconstateerd dat drie littekens en de klachten van de traumatische hersenschade aan het asielrelaas kunnen worden toegeschreven. Daarbij worden één litteken en de klachten van de traumatische hersenschade als ‘typerend’ beoordeeld, wordt één litteken als ‘zeer consistent’ beoordeeld en wordt één litteken als ‘consistent’ beoordeeld. Verder heeft het iMMO geconstateerd dat de PTSS-klachten qua aard, verloop en inhoud “nadrukkelijk” passen bij het gestelde ondergane geweld. Het iMMO leidt dat af uit lichamelijke spanningsklachten, de emoties, het vermijdingsgedrag van eiser 2, zijn nachtmerries en specifieke triggers die deze klachten oproepen. Het iMMO kent hieraan de gradatie ‘typerend’ toe. De cognitieve problemen als gevolg van de schotwond en de twee maanden coma daarna worden als ‘zeer consistent’ geclassificeerd. De conclusie van het iMMO op de A-vraag is daarom dat de medische problematiek van eiser 2 ‘typerend’ is voor het gestelde ondergane geweld.
11.2.
In het kader van de B-vraag heeft het iMMO geconcludeerd dat de medische problematiek van eiser beperkingen heeft gegeven die ten tijde van de gehoren ‘zeer waarschijnlijk’ van invloed zijn geweest op het vermogen van eiser 2 om compleet, coherent en consistent over zijn asielrelaas te verklaren.
De waarde van het FMO-rapport
12. Eisers betogen dat de minister de conclusies van het FMO-rapport ten onrechte niet in de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft betrokken. Uit het antwoord op de A-vraag volgt dat de medische klachten van eiser 2 ‘typerend’ zijn voor het beschreven asielrelaas en dat alternatieve oorzaken niet waarschijnlijk zijn. Met het standpunt dat de oorzaak van één van de littekens en de daaruit voortvloeiende medische klachten geloofwaardig wordt geacht, gaat de minister eraan voorbij dat het iMMO een totaaloordeel heeft gegeven over de medische klachten van eiser 2, dat ook van invloed kan zijn op de geloofwaardigheidsbeoordeling van de latere incidenten die niet geloofwaardig zijn geacht. Bovendien mag de minister de typering van de andere littekens niet terzijde schuiven met de enkele stelling dat alternatieve oorzaken mogelijk zijn, zeker niet als de minister aan die stelling geen deskundigenonderzoek ten grondslag legt. [13] Verder stellen eisers dat het antwoord op de B-vraag voldoende op de individuele situatie van eiser 2 is toegespitst. Het iMMO heeft in het antwoord op de B-vraag immers concreet verwezen naar het huisartsdossier van eiser 2, aanwijzingen van problemen uit het nader gehoor en specifieke cognitieve problemen en traumaklachten. Daaraan kan niet afdoen dat de medische klachten van eiser 2 ook klachten omvatten die op het eerste gezicht niet van invloed zijn op zijn vermogen om te verklaren. Tot slot betwisten eisers dat hun asielrelaas op hoofdlijnen ongeloofwaardig is geacht, omdat de minister zwaar tilt aan vermeende tegenstrijdigheden en ongerijmdheden en juist deze tegenwerpingen gevoelig zijn voor bijvoorbeeld geheugen- en concentratieproblemen. Gelet hierop moet de minister zijn geloofwaardigheidsstandpunt over de ongeloofwaardig geachte asielelementen alsnog herzien.
12.1.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat aan het FMO-rapport niet de waarde toekomt die eisers daaraan gehecht wensen te zien, zodat hij niet gehouden was om deze (alsnog) in de geloofwaardigheidsbeoordeling te betrekken. De minister stelt in de eerste plaats dat het antwoord op de A-vraag niet afdoet aan de geloofwaardigheidsbeoordeling in het bestreden besluit. De minister heeft de gebeurtenis die heeft geleid tot de schotwond (en de daaruit voortvloeiende hersenschade en PTSS-klachten) geloofwaardig geacht. Aan de andere twee littekens heeft het iMMO een relatief zwakke kwalificatie toegekend, zodat nog altijd de mogelijkheid bestaat dat deze littekens ook een andere oorzaak kunnen hebben dan de door eisers gestelde gebeurtenissen. Verder stelt de minister dat het antwoord op de B-vraag onvoldoende inzichtelijk is. Uit de rechtspraak volgt immers dat de wijze waarop het iMMO antwoord geeft op de B-vraag niet aansluit bij de meest actuele wetenschappelijke inzichten en de eisen die aan een deskundigenrapport moeten worden gesteld, omdat het iMMO de B-vraag onvoldoende beantwoordt aan de hand van een op de vreemdeling toegespitste individuele beoordeling. [14] Omdat een dergelijke beoordeling in het geval van eiser 2 ook ontbreekt, [15] stelt de minister aan het antwoord op de B-vraag voorbij te mogen gaan. Daar komt nog bij dat de medische problematiek van eiser 2 ook klachten als rugpijn omvat en dat van dergelijke klachten moeilijk voorstelbaar is dat deze van invloed zijn op het vermogen van eiser 2 om te verklaren, en dat het asielrelaas van eisers op hoofdlijnen ongeloofwaardig is geacht.
12.2.
Het betoog van eisers slaagt niet. De minister heeft aan het FMO-rapport terecht niet de waarde gehecht die eisers daaraan gehecht wensen te zien.
12.2.1.
In de eerste plaats had de minister de geloofwaardigheidsbeoordeling niet moeten herzien op basis van de beantwoording van de A-vraag. Het enkele feit dat het FMO-rapport een totaaloordeel geeft over de medische klachten van eiser 2 en het verband tussen een litteken en een geloofwaardig geacht incident in voldoende mate verduidelijkt, maakt nog niet dat ook de ongeloofwaardig geachte asielelementen om die reden geloofwaardig moeten worden geacht. Het gaat, zoals de minister terecht stelt, namelijk om de vraag of eisers déze incidenten met het FMO-rapport óók (alsnog) concreet geloofwaardig hebben gemaakt. Dat is bijvoorbeeld het geval als uit het FMO-rapport zou blijken dat bepaalde littekens van eiser 2 door deze incidenten zijn veroorzaakt. De minister stelt zich echter terecht op het standpunt dat dit uit het FMO-rapport onvoldoende blijkt. De minister vindt twee incidenten uit de asielrelazen van eisers ongeloofwaardig: de mishandeling en bedreigingen in 2018 door [naam organisatie] (alleen in het asielrelaas van eiser 2) en de beschieting in 2021 (in het asielrelaas van beide eisers). Eiser 2 heeft verklaard dat hij bij de mishandeling in 2018 met een glazen fles op zijn hoofd is geslagen. [16] Uit het FMO-rapport blijkt dat het litteken dat eiser 2 hieraan heeft overgehouden bij deze beschrijving kan passen, maar dat een dergelijk litteken – hoewel het litteken zich vrij hoog op het achterhoofd bevindt – ook kan zijn ontstaan doordat eiser 2 zich heeft gestoten of is gevallen. [17] Datzelfde geldt voor het litteken dat eiser 2 heeft overgehouden aan de beschieting in 2021. Het iMMO beschrijft dat het litteken kan zijn veroorzaakt door een schampschot, maar dat dit litteken óók kan zijn ontstaan doordat eiser 2 zich heeft gestoten of is gevallen. [18] De minister stelt zich daarom niet ten onrechte op het standpunt dat het FMO-rapport het asielrelaas van eisers op dit punt onvoldoende onderbouwt. Gelet op het feit dat het iMMO, anders dan eisers hebben gesteld, zelf al enige voorzichtigheid met betrekking tot de getrokken conclusies heeft ingeruimd, in die zin dat het iMMO zelf al beschrijft dat de littekens ook op alternatieve wijze kunnen zijn ontstaan, ziet de rechtbank ook geen reden voor het oordeel dat de minister zijn standpunt had moeten voorzien van een onderbouwend deskundigenonderzoek.
12.2.2.
Verder stelt de minister zich terecht op het standpunt dat aan het antwoord op de B-vraag uit het FMO-rapport niet de waarde kan worden gehecht die eisers daaraan gehecht wensen te zien. In de leeswijzer van het iMMO (van oktober 2024) bij het FMO-rapport én in het FMO-rapport zelf [19] staat dat het iMMO in zijn onderzoek van het uitgangspunt uitgaat dat fysieke en psychische problematiek van invloed kan zijn op het vermogen om te verklaren en dat de invloed van deze problematiek zich niet slechts tot bepaalde gedeelten van het geheugen beperkt, maar dat deze het hele geheugen kan aantasten. Uit de rechtspraak volgt echter dat dit uitgangspunt onvoldoende aansluit bij de actuele wetenschappelijke inzichten over de gevolgen van PTSS en soortgelijke aan trauma gerelateerde stoornissen op de werking van het geheugen, omdat de invloed van dergelijke stoornissen op het geheugen per persoon verschilt. [20] Het iMMO heeft in het geval van eiser 2 op basis van dit uitgangspunt, zijn medisch dossier en de verslagen van het aanmeld- en nader gehoor geconcludeerd dat in zijn geval ‘zeer waarschijnlijk’ sprake was van problematiek die zijn vermogen om te verklaren heeft beïnvloed. Die conclusie is echter, anders dan eisers stellen, niet toegespitst op de individuele situatie van eiser 2, omdat niet blijkt waarom en op welke manier deze klachten hebben geleid tot een beïnvloeding van zíjn vermogen om te verklaren. Het enkele feit dat het iMMO heeft gekeken naar klachten uit het huisartsdossier van eiser 2 en deze heeft verbonden met (concrete) problemen tijdens het nader gehoor, zoals eisers naar voren hebben gebracht, maakt dat niet anders. Daarmee heeft het iMMO weliswaar gewezen op een mogelijk verband tussen de medische klachten van eiser 2 en zijn problemen tijdens het nader gehoor, maar nog niet inzichtelijk gemaakt dat, waarom en op welke manier deze problemen te wijten zijn aan de medische klachten van eiser 2. Daarom volgt het antwoord op de B-vraag niet logisch uit de redenering in het FMO-rapport. [21] Dat betekent dat de minister het antwoord op de B-vraag niet (alsnog) had moeten betrekken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling en de rechtbank hierna, bij de beoordeling van de beroepsgronden over de geloofwaardigheid van de asielrelazen van eisers, aan deze conclusie uit het FMO-rapport voorbijgaat. Gelet op dit oordeel kan de vraag onbesproken blijven of de minister de asielrelazen van eisers op hoofdlijnen of op details ongeloofwaardig vindt. Het onderscheid tussen hoofdlijnen en details is immers slechts van belang als moet worden uitgegaan van de conclusie van het iMMO dat de psychische problemen van een vreemdeling van invloed zijn geweest op zijn vermogen om te verklaren. [22] Dat is, zoals hiervoor overwogen, in het geval van eiser 2 niet aan de orde.
Mocht de minister de mishandeling en de bedreigingen door [naam organisatie] in 2018 (eiser 2) ongeloofwaardig achten?
13. Het betoog van eisers dat de bewijslast voor de mishandelingen en de bedreigingen in 2018 op de minister rust, slaagt niet. Het enkele feit dat de minister de incidenten in 2010 en 2011 geloofwaardig heeft geacht, maakt niet dat de incidenten in 2018 daarom óók geloofwaardig moeten worden geacht of dat de bewijslast daarvoor naar de minister verschuift. Het is namelijk aan de vreemdeling om zijn asielrelaas aannemelijk te maken. [23] Dat de minister eerdere incidenten geloofwaardig heeft geacht, betekent niet dat de minister ook volgende incidenten om die reden geloofwaardig moet achten. De verwijzing van eisers in dit verband naar artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn treft geen doel. Die bepaling gaat namelijk over de gegrondheid van de gestelde vrees voor vervolging of ernstige schade en is dus pas relevant bij de beoordeling van de zwaarwegendheid van het asielrelaas.
14. Eisers betogen verder dat de minister onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij relevant acht dat eisers niet hebben uitgelegd hoe [naam organisatie] achter hun verblijfplaats is gekomen. De mishandeling na het apotheekbezoek en de bedreigingen staan volgens eisers los van elkaar en eisers stellen nooit een verband tussen deze gebeurtenissen te hebben gelegd. Bovendien wijzen eisers erop dat zij met geen enkele andere organisatie dan met [naam organisatie] problemen hadden en dat eiser 2 tijdens het gehoor heeft verklaard te vermoeden dat een familielid van zijn vrouw de verblijfplaats van eisers aan [naam organisatie] heeft verraden. Het had op de weg van de minister gelegen om daar, mede gelet op het referentiekader van eiser 2, over door te vragen.
14.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich, zelfs als de rechtbank eisers in hun betoog zou volgen dat het gaat om twee losstaande gebeurtenissen, niet ten onrechte op het standpunt dat de mishandelingen en bedreigingen door [naam organisatie] in 2018 ongeloofwaardig zijn. In de eerste plaats werpt de minister niet ten onrechte tegen dat niet valt in te zien waarom eiser 2 – gegeven het feit dat hij zich verschuilde [24] – alleen naar een apotheek is gegaan en hoe het feit dat hij op weg daarnaartoe iemand herkende, leidde tot een mishandeling door [naam organisatie]. Verder werpt de minister niet ten onrechte tegen dat eisers onvoldoende duidelijk hebben gemaakt hoe [naam organisatie] in het kader van de bedreigingen achter hun verblijfplaats is gekomen. Ook doet aan de geloofwaardigheid van deze bedreigingen afbreuk dat eiser 2 geen huisbezoeken van [naam organisatie] heeft gehad en na de eerste bedreiging nog drie jaar probleemloos op zijn adres heeft gewoond. Dat eisers met geen enkele andere organisatie dan [naam organisatie] problemen hadden, doet daar niet aan af. Eisers leggen daarmee namelijk niet uit op welke manier het tot deze gebeurtenissen is gekomen en hoe [naam organisatie] achter hun verblijfplaats is gekomen. Dat de minister hierover tijdens het gehoor had moeten doorvragen, volgt de rechtbank ook niet. Nog afgezien van wat hiervoor onder 9 en 10.1 is overwogen, is het aan de vreemdeling om zijn asielrelaas naar voren te brengen. [25] Daar komt bij dat de minister tijdens het gehoor van eiser 2 heeft doorgevraagd over zowel het incident bij de apotheek als de bedreigingen door [naam organisatie]. [26]
Mocht de minister het incident op het strand in 2021 ongeloofwaardig achten?
15. Eisers betogen dat de minister hen ten onrechte tegenwerpt dat zij over het incident op het strand tegenstrijdig hebben verklaard. Eisers wijzen er in de eerste plaats op dat eiser 2 tijdens het vrije relaas weliswaar heeft verklaard dat er vanaf een motor werd geschoten, maar dat hij tijdens de vraagstelling vervolgens alleen heeft verklaard een motorgeluid te hebben gehoord. Dat sluit niet uit dat vanuit een auto werd geschoten, omdat een auto ook een motorgeluid heeft. Verder stellen eisers dat zij tijdens het gehoor werden gedwongen om (bij benadering) een tijdstip van de beschieting aan te geven en dat hun verklaringen weliswaar van elkaar verschillen, maar dat het exacte tijdstip van de beschieting nooit zal kunnen worden vastgesteld. Dat is echter ook niet nodig: het gaat erom dat de vreemdeling zijn vrees voor vervolging of ernstige schade
aannemelijk maakt. Daarnaast stellen eisers dat zij niet tegenstrijdig hebben verklaard over wie er heeft geschoten, omdat eiser 2 daarover niets heeft verklaard. Tot slot stellen eisers dat zij weliswaar tegenstrijdig hebben verklaard over de dag van de beschieting, maar dat deze tegenstrijdigheid – zeker gelet op hun medische toestand – niet opweegt tegen de andere (onbetwiste) feiten en geloofwaardig geachte elementen.
15.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat het incident op het strand ongeloofwaardig is, omdat eisers daarover onderling tegenstrijdig hebben verklaard. Eisers hebben in de eerste plaats tegenstrijdig verklaard over het vervoermiddel van waaruit of waaraf zij werden beschoten. Eiser 1 heeft verklaard dat het ging om een auto, [27] terwijl eiser 2 heeft verklaard dat hij een motor hoorde en denkt te hebben gezien. [28] Eiser 2 verklaart niet dat hij (ook) een auto denkt te hebben gezien. Nadat hij heeft verklaard in eerste instantie alleen een motorgeluid te hebben gehoord, verklaart hij wel dat hij dacht dat hij daarna “twee mensen op de motor” heeft gezien. [29] De rechtbank volgt eisers daarom niet in hun stelling dat eiser 2 met een motorgeluid (ook) een auto zou kunnen hebben bedoeld. Eisers hebben in de tweede plaats tegenstrijdig verklaard over het tijdstip van de beschieting: eiser 1 heeft verklaard dat zij tussen 16:00 uur en 17:00 uur zijn beschoten, [30] terwijl eiser 2 heeft verklaard dat de beschieting rond 22:30 uur plaatsvond. [31] De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat zij onder druk zouden zijn gezet om een tijdstip te noemen. Uit het gehoor blijkt namelijk niet dat de hoormedewerker op een antwoord op deze vraag heeft aangedrongen en ook niet dat eisers moeite hadden om deze vraag te beantwoorden. Eisers stellen op zichzelf genomen terecht dat het exacte tijdstip van de beschieting waarschijnlijk nooit zal kunnen worden vastgesteld, maar de verklaringen van eisers over het tijdstip van de beschieting verschillen nu ook qua context (einde middag/begin avond tegenover midden op de avond) zodanig van elkaar dat de minister dit aan hen mocht tegenwerpen. De rechtbank volgt eisers verder niet in hun stelling dat eiser 2 niets zou hebben verklaard over de hoeveelheid personen die zou hebben geschoten: eiser 2 heeft tijdens het nader gehoor namelijk verklaard dat het ging om een beschieting door “twee mensen” of “twee personen”. [32] De minister heeft terecht gesteld dat deze verklaring niet overeenkomt met de verklaring van eiser 1, die heeft verklaard dat het ging om een “groep personen”. [33] Tot slot is tussen partijen kennelijk niet in geschil dat eisers tegenstrijdig hebben verklaard over de dag waarop de beschieting plaatsvond. Gelet op het feit dat eisers niet alleen tegenstrijdig hebben verklaard over de dag van de beschieting, maar ook over vanuit welk vervoermiddel en over hoe laat de beschieting plaatsvond, mocht de minister ook dit aan hen tegenwerpen. Dat eisers over andere elementen wél geloofwaardig hebben verklaard, doet daar feitelijk niet aan af. In de medische toestand van eisers ziet de rechtbank tot slot, gelet op wat onder 9 en 10.1 is overwogen, geen reden voor een ander oordeel.
Mocht de minister overwegen dat eisers van vluchtelingschap zijn uitgesloten?
16. Eisers betogen dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat zij van de vluchtelingenstatus zijn uitgesloten, omdat zij bescherming van de UNRWA hebben genoten.
Toetsingskader
17. In artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag is bepaald dat het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing is op vreemdelingen die bescherming genieten van de UNRWA. Dat is het geval als de betrokken vreemdeling direct voorafgaand aan of kort vóór het indienen van zijn asielaanvraag daadwerkelijk bijstand van de UNRWA heeft ontvangen. In dat geval is de vreemdeling ‘uitgesloten’ van de vluchtelingenstatus. Dit wordt ook de ‘uitsluitingsgrond’ genoemd. Hierop bestaat echter een uitzondering. Die uitzondering is aan de orde als de bescherming van de UNRWA om redenen buiten de invloed en onafhankelijk van de wil van de vreemdeling is opgehouden. De vreemdeling valt in dat geval wél onder de reikwijdte van het Vluchtelingenverdrag en is dus in zoverre (alsnog) ingesloten. Daarom wordt dit de ‘insluitingsgrond’ genoemd. [34]
Nederlandse interpretatie van de Kwalificatierichtlijn
18. Eisers betogen allereerst dat de Nederlandse interpretatie van de Kwalificatierichtlijn geen recht doet aan de speciale positie van Palestijnse vluchtelingen. [35] Eisers wijzen erop dat Palestijnse vluchtelingen worden uitgesloten van vluchtelingschap als zij bescherming hebben ontvangen van de UNRWA (uitsluiting). Dat is alleen anders als deze bescherming buiten hun wil is opgehouden of zij het beschermingsgebied onvrijwillig hebben verlaten (insluiting). In de Nederlandse interpretatie komt de vraag of sprake is van insluiting pas aan de orde als er sprake is (geweest) van uitsluiting. Voor Palestijnen die onder het mandaat van de UNRWA vallen, wordt niet getoetst of zij deze bescherming op enig moment hebben kunnen inroepen. Bij Palestijnen die nooit in het beschermingsgebied van de UNRWA hebben verbleven of die al lang geleden uit dit gebied zijn vertrokken, wordt dus nooit getoetst of er sprake is van insluiting.
18.1.
Dit betoog treft geen doel. Partijen zijn het erover eens dat eisers bescherming hebben ontvangen van de UNRWA en zij daarom (in beginsel) van vluchtelingschap zijn uitgesloten. Een toets of eisers op enig moment bescherming van de UNRWA hebben kunnen inroepen, is dus in het geval van eisers niet nodig. Gelet daarop heeft de minister ook getoetst of er in het geval van eisers sprake is van insluiting. De vraag of de Nederlandse interpretatie van de Kwalificatierichtlijn juist is, kan daarom in het midden blijven.
Eisers hebben het UNRWA-gebied vrijwillig verlaten (de insluitingsgrond)
19. Eisers betogen dat zij op enig moment bescherming van de UNRWA hebben genoten, maar dat zij het UNRWA-gebied onvrijwillig hebben verlaten en om die reden in aanmerking komen voor een vluchtelingenstatus. Van het onvrijwillig verlaten van het UNRWA-gebied is volgens eisers sprake als daar een persoonlijke situatie van ernstige onveiligheid is waartegen de UNRWA hen niet kan beschermen. [36] Eisers hebben te maken gehad met verschillende incidenten in 2010 en 2011, die door de minister geloofwaardig zijn geacht en die zijn te kwalificeren als strijdig met artikel 3 van Pro het EVRM. De milities die achter deze incidenten zitten, oefenen invloed uit in de kampen in het beschermingsgebied van de UNRWA. Eisers hebben ook leden van deze milities in dat gebied gezien. [37] Het wisselen van verblijfplaats, wat eisers meermaals hebben gedaan, is daarom geen oplossing. Daarmee is de situatie van eisers vergelijkbaar met de situatie van de vreemdelingen in het arrest Alheto [38] en moet worden aangenomen dat er in het UNRWA-gebied voor eisers een persoonlijke situatie van ernstige onveiligheid heerst. De minister werpt eisers verder ten onrechte tegen dat zij het UNRWA-gebied hebben verlaten om redenen die niet te maken hebben met het mandaat van de UNRWA. De vraag of het vertrek (on)vrijwillig was, moet zelfstandig worden beoordeeld en dus los worden gezien van het mandaat van de UNRWA.
19.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eisers het UNRWA-gebied vrijwillig hebben verlaten. Eisers hebben verschillende incidenten meegemaakt, maar daarvan zijn alleen incidenten uit 2010 en 2011 geloofwaardig geacht. De minister mocht, zoals hiervoor is overwogen, de incidenten uit 2018 en 2021 ongeloofwaardig achten. Gelet hierop twijfelt de minister terecht aan de actualiteit van de gestelde vrees voor de milities. Daar komt nog bij dat eisers niet hebben onderbouwd dat de milities waarvoor zij vrezen invloed uitoefenen in de UNRWA-kampen en dat zij als gevolg daarvan niet naar die kampen kunnen terugkeren. Van eenzelfde situatie als in het arrest Alheto is dus geen sprake. Verder stelt de minister terecht dat eisers het UNRWA-gebied niet hebben verlaten om redenen die te maken hebben met de taken die onder het mandaat van de UNRWA-vallen, omdat zij het UNRWA-gebied vanwege drugsgerelateerd geweld hebben verlaten. De rechtbank begrijpt dit standpunt zo dat eisers (dus) nog bescherming kunnen inroepen bij de UNRWA, omdat de reden van vertrek niet is gelegen in een oorzaak waartegen de UNRWA hen moet beschermen. Eisers hebben dat als zodanig niet betwist. De minister heeft daarom terecht geconcludeerd dat eisers niet vallen onder de insluitingsgrond, zodat artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag op hen van toepassing is.
Conclusie
20. De minister heeft terecht overwogen dat eisers zijn uitgesloten van vluchtelingschap, omdat zij eerder bescherming van de UNRWA hebben genoten en niet is gebleken dat deze bescherming om redenen buiten de invloed en onafhankelijk van de wil van eisers is opgehouden.
Heeft de minister terecht overwogen dat niet aannemelijk is dat eisers bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade lopen?
21. Eisers betogen dat de minister ten onrechte overweegt dat het niet aannemelijk is dat zij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade vrezen. Eisers stellen allereerst dat de minister niet heeft onderkend dat het in de lijn der verwachting ligt dat deze vrees gegrond is, omdat de incidenten in 2010 en 2011 geloofwaardig zijn geacht. [39] Verder stellen eisers dat de minister niet heeft betwist dat de milities na het incident in 2011 dachten dat eiser 2 dood was en dat eisers na die incidenten binnenlands zijn gevlucht. Tegen die achtergrond is niet begrijpelijk dat de minister tegenwerpt dat eisers na het incident in 2011 nog enkele jaren zonder problemen in Libanon hebben gewoond.
21.1.
Dit betoog slaagt niet. Als een vreemdeling in het verleden is blootgesteld aan vervolging of ernstige schade, is dat een duidelijke aanwijzing dat de gestelde vrees voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat dit anders ligt. [40] De minister stelt zich terecht op het standpunt dat er voldoende redenen zijn om aan te nemen dat de door eisers beschreven incidenten zich niet opnieuw zullen voordoen. De geloofwaardig geachte incidenten hebben geruime tijd geleden plaatsgevonden en eisers hebben sindsdien probleemloos verbleven in een kamp, terwijl daar volgens eisers veel aanhangers van de vermeende daders wonen. De minister stelt dan ook terecht dat het niet aannemelijk is dat eisers bij terugkeer naar Libanon een reëel risico op ernstige schade lopen. Dat de milities aannamen dat eiser 2 dood was, doet daar niet aan af.
Heeft de minister aan eisers tegengeworpen dat zij zich elders in Libanon kunnen vestigen?
22. Het betoog van eisers dat de minister in strijd heeft gehandeld met zijn eigen beleid [41] door hen tegen te werpen dat zij zich elders in Libanon kunnen vestigen, slaagt niet. De minister heeft dat in het bestreden besluit niet gedaan. Bovendien hebben eisers gewezen op het beleid omtrent het binnenlands beschermingsalternatief. Daaraan komt de minister echter pas toe als hij aanneemt dat een vreemdeling een verdragsvluchteling is of in zijn land van herkomst een reëel risico op ernstige schade loopt. [42] Ook dat heeft de minister in het geval van eisers, zoals hiervoor is overwogen, terecht niet aangenomen.

Conclusie en gevolgen

23. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en de afwijzing van hun asielaanvragen in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eisers niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J.H. Boerhof, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.Deze afkorting staat voor United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East.
3.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.
4.Zie artikel 1, onder D, van het Vluchtelingenverdrag.
5.Dat staat in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
6.Dat volgt uit artikel 6:6 van Pro de Awb.
7.Dat staat in artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder c, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021.
8.EHRM 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494 (
9.Eisers wijzen op het Unierechtelijke effectiviteitsvereiste en op het in de vorige noot genoemde Bahaddar-arrest van het EHRM.
10.Vergelijk ABRvS 5 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3554, r.o. 3.3.
11.Eisers wijzen op verschillende (openbare) medische bronnen, waaronder de website van de Sint-Maartenskliniek in Ubbergen en een artikel uit het vaktijdschrift Medisch contact.
12.Eisers wijzen ter onderbouwing van hun betoog op artikel 18, eerste en tweede lid, van de Procedurerichtlijn.
13.Eiser wijst op ABRvS 31 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3074.
14.De minister wijst op ABRvS 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1472, r.o. 10-11.1.
15.De minister wijst op de pagina’s 18, 23 en 24 van het FMO-rapport.
16.Zie het verslag van het nader gehoor van 27 september 2022, p. 9.
17.Zie het FMO-rapport van 19 december 2024, p. 23.
18.Zie het FMO-rapport van 19 december 2024, p. 23.
19.Zie het FMO-rapport van 19 december 2024, p. 25.
20.ABRvS 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1472, r.o. 7-7.4.
21.Vergelijk ABRvS 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1472, r.o. 11.1.
22.Zie bijvoorbeeld ABRvS 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1472, r.o. 5.
23.Dat staat in artikel 31, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
24.Zie het verslag van het nader gehoor van eiser 2 van 27 september 2022, p. 6.
25.Dat volgt uit artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000.
26.Zie het verslag van het nader gehoor van eiser 2 van 27 september 2022, p. 10-12.
27.Zie het verslag van het nader gehoor van eiser 1 van 27 september 2022, p. 6, 9-10.
28.Zie het verslag van het nader gehoor van eiser 2 van 27 september 2022, p. 7, 12.
29.Zie het verslag van het nader gehoor van eiser 2 van 27 september 2022, p. 12.
30.Zie het verslag van het nader gehoor van eiser 1 van 27 september 2022, p. 10.
31.Zie het verslag van het nader gehoor van eiser 2 van 27 september 2022, p. 12.
32.Zie het verslag van het nader gehoor van eiser 2 van 27 september 2022, p. 12.
33.Zie het verslag van het nader gehoor van eiser 1 van 27 september 2022, p. 6.
34.Vergelijk ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3671; ABRvS 3 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1; ABRvS 19 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:447, met verwijzing naar (onder meer) HvJEU 25 juli 2018, C-585/16, ECLI:EU:C:2018:584 (
35.Zoals bedoeld in de UNHCR-richtlijn
36.Eisers wijzen ter onderbouwing op HvJEU 19 december 2012, C-364/11, ECLI:EU:C:2012:826 (
37.Eisers wijzen op het verslag van het nader gehoor van eiser 2 van 27 september 2022, p. 13.
38.HvJEU 25 juli 2018, C-585/16, ECLI:EU:C:2018:584 (
39.Eisers wijzen op artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn.
40.Dat staat in artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn. Deze bepaling is geïmplementeerd in artikel 31, vijfde lid, van de Vw 2000.
41.Eisers wijzen op paragraaf C7/21.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
42.Dat staat in paragraaf C2/3.4 van de Vc 2000.