Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5723

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
24/7937
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.E. van Essen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 PwArt. 58 Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet gemelde verkoopactiviteiten

Eiser ontving een bijstandsuitkering en verkocht gedurende een langere periode computerproducten via Marktplaats zonder deze inkomsten te melden aan het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg. Het college herzag de bijstand en vorderde het ten onrechte ontvangen bedrag van €15.425,13 terug.

De rechtbank oordeelde dat de verkoopactiviteiten niet incidenteel waren maar een doorlopende handel vormden, waardoor melding van de inkomsten verplicht was. Eiser had de inlichtingenverplichting geschonden door deze inkomsten niet te melden, ongeacht zijn intentie of kennis daarvan.

Eiser voerde aan dat hij geen winstoogmerk had en dat de verkoop een vorm van bezigheidstherapie was, maar dit maakte geen verschil voor de meldingsplicht. Ook de door eiser aangevoerde psychische en lichamelijke klachten vormden geen dringende reden om van terugvordering af te zien.

De rechtbank concludeerde dat het college terecht heeft gehandeld en dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7937

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. H.S. Huisman),
en
het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg,het college
(gemachtigde: [naam] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de herziening en terugvordering van eisers bijstandsuitkering vanwege het niet melden van inkomsten uit verkoopactiviteiten via Marktplaats. Eiser is het niet eens met het besluit van het college. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de herziening en terugvordering van eisers bijstandsuitkering.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 11 maart 2024 heeft het college de bijstandsuitkering van eiser herzien over de periode van 19 november 2022 tot en met 17 januari 2024 en de ten onrechte betaalde bijstand over deze periode teruggevorderd tot een bedrag van
€ 15.425,13. Met het bestreden besluit van 23 september 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 februari 2026 op zitting behandeld. Hierbij waren eiser en zijn gemachtigde aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door S. Somsen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser ontvangt een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande op grond van de Participatiewet (Pw). Het college heeft aan de hand van eisers bankafschriften over de periode van 20 november 2023 tot en met 17 januari 2024 geconstateerd hij inkomsten uit verkopen in computerproducten via Marktplaats heeft ontvangen. Bij brief van 19 januari 2025 heeft het college aan eiser verzocht om aanvullende informatie te leveren, waaronder bankafschriften over de periode van 20 november 2022 tot en met 19 november 2023 en schriftelijke en verifieerbare verklaringen over de bijschrijvingen op zijn bankrekening, alle advertenties op Marktplaats en zijn boekhouding met betrekking tot de inkoop van de goederen. Eiser heeft op 1 februari 2024 onder andere een schriftelijke verklaring over de bijschrijvingen op zijn bankrekening overgelegd. Vervolgens heeft het college het primaire besluit genomen.
3.1.
Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser tussen 20 november 2022 tot en met 27 januari 2024 via Marktplaats goederen heeft verkocht. Door geen melding te maken van deze activiteiten en de opbrengsten daarvan, heeft eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Gelet op de aard, de omvang en de regelmaat van de verkoopactiviteiten is er volgens het college sprake van een doorlopende handel waarmee eiser inkomsten kon genereren. Het kopen, opknappen en doorverkopen van goederen zijn op geld waardeerbare werkzaamheden en vormen daarmee een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn. Het college heeft de bedragen die eiser blijkens zijn bankafschriften van kopers heeft ontvangen volledig als inkomsten aangemerkt. Er is geen ruimte om rekening te houden met verwervingskosten. Het college ziet ook geen aanleiding om vanwege dringende redenen (gedeeltelijk) van de terugvordering af te zien.
Wat oordeelt de rechtbank?
4. De te beoordelen periode loopt van 19 november 2022 (datum met ingang waarvan de bijstand is herzien) tot en met 11 maart 2024 (datum herzieningsbesluit).
4.1.
Herziening van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen. In dit geval betekent het dat het college aannemelijk moet maken dat eiser in de te beoordelen periode de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij in tweedehands computerproducten handelt en dat hij hieruit inkomsten heeft ontvangen.
Handel in computerproducten via marktplaats is van belang voor de bijstand
5. Eiser voert aan dat er geen sprake is van een doorlopende handel in computerproducten waarmee inkomsten gegenereerd kunnen worden. Er zit namelijk een minimale opbrengstmarge op het aanschaffen, opkopen en verkopen van de producten. Bovendien is het voor eiser een vorm van bezigheidstherapie en heeft hij geen winstoogmerk.
5.1.
Voor een betrokkene die bijstand ontvangt, is het niet verboden om goederen via internet te verkopen. Maar hij moet die verkoop en de daaruit verkregen inkomsten wel tijdig melden bij de bijstandverlenende instantie. De opbrengst van incidentele verkoop van privégoederen, al dan niet via internet, wordt in het algemeen niet als inkomen aangemerkt. De opbrengst daarvan hoeft in beginsel niet te worden gemeld bij de bijstandverlenende instantie. Dit is vaste rechtspraak. [1] Of sprake is van incidentele verkoop van privégoederen is afhankelijk van de aard, de omvang en de regelmaat van de verkoopactiviteiten. Indien geen sprake is van incidentele verkoop van privégoederen moeten de activiteiten op Marktplaats worden aangemerkt als handel. De opbrengsten uit handel zijn aan te merken als inkomen waarvan in beginsel melding moet worden gedaan bij het college. Dit is ook vaste rechtspraak. [2]
5.2.
Gelet op de aard, omvang, de duur en het terugkerende karakter van de verkopen die eiser via Marktplaats heeft verricht, overstijgen de activiteiten en transacties van eiser echter het incidentele karakter. Dat eiser als bezigheidstherapie computerproducten inkocht waarna hij deze tegen de inkoopprijs, dan wel met minimale winst, weer verkocht maakt dit niet anders. Het onderscheid tussen bedrijfsmatig en hobby is voor bijstandverlening niet van belang, indien uit die activiteiten inkomsten worden genoten. [3] Eiser moest daarom opgave doen van al zijn inkomsten bij het college.
Heeft eiser de inlichtingenverplichting geschonden?
6. Eiser voert aan dat het hem niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij de verkoopactiviteiten moest melden, gelet op de minimale opbrengsten daarvan. Daar komt bij dat hij niet zelfredzaam is. Dat het college hem bij toekenning van de bijstandsuitkering heeft gewezen op de informatieplicht doet daar niet aan af. Dit is immers al een flink aantal jaren geleden. Daar komt bij dat in de toekenningsbeschikkingen vaak in algemene bewoordingen wordt uitgelegd wat er onder de informatieplicht valt. Hierbij wordt het verkopen van spullen via Marktplaats bijvoorbeeld niet genoemd.
6.1.
De wettelijke inlichtingenverplichting uit artikel 17, eerste lid, van de Pw brengt mee dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling moet doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
6.2.
Uit 5.1. volgt dat eiser bij het college melding had moeten maken van zijn verkoopactiviteiten. Eiser heeft dit niet gedaan en heeft daarmee de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het gaat hier om gegevens waarvan het eiser redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat deze van invloed zijn op het recht op bijstand. Of eiser ook echt wist dat hij de verkoopactiviteiten moest melden en of hem kan worden verweten dat hij daarvan geen melding heeft gemaakt, is voor de schending van de inlichtingenverplichting niet van belang. De inlichtingenverplichting is namelijk objectief geformuleerd. Dit betekent dat verwijtbaarheid geen rol speelt. Dat het college niet expliciet heeft genoemd dat verkoopactiviteiten onder de inlichtingenverplichting valt, betekent niet dat het college niet heeft voldaan aan zijn
zorgplicht. De inlichtingenverplichting is een open norm. Dat brengt mee dat van het college niet kan worden verwacht dat het op voorhand alle concrete situaties benoemt waarmee een bijstandsgerechtigde te maken kan krijgen en die hij moet melden.
6.3.
Het college heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat eiser door geen melding te maken van zijn handel in computerproducten niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenverplichting.
Vaststelling van het terugvorderingsbedrag
7. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting de beroepsgrond dat het terugvorderingsbedrag onjuist is vastgesteld omdat er een hoger bedrag lijkt te zijn teruggevorderd dan de bijstandsnorm, ingetrokken. Deze beroepsgrond behoeft daarom geen bespreking.
7.1.
Voor zover eiser aanvoert dat het college bij vaststelling van de terugvordering ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door hem gemaakte kosten, slaagt dit betoog niet. Bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen in het kader van de bijstand is geen ruimte voor verrekening van verwervingskosten. [4] Dit is vaste rechtspraak.
Zijn er dringende redenen om van de terugvordering af te zien?
8. Eiser voert aan dat er dringende redenen zijn op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijk van de terugvordering moet af zien. Eiser was zich er niet van bewust dat hij zijn verkoopactiviteiten moest melden. Daar komt bij dat het college bij jaarlijkse controles eerder al bijschrijvingen van verkopen via Marktplaats op de bankafschriften van eiser had kunnen opmerken. De terugvordering had daarom aanzienlijk beperkt kunnen worden. Eiser lijdt aan een posttraumatische stressstoornis en paniekstoornis vanwege zijn oorlogstrauma’s. Hij heeft een chronisch gevoel van depressiviteit en heeft suïcidale ideaties. Ook heeft eiser een erfelijke hartaandoening. Uit de verklaring van eisers psycholoog van 30 maart 2024 kan worden afgeleid dat eiser door zijn aandoeningen niet goed kan om gaan met stress en begeleiding nodig heeft bij zaken die voor veel druk veroorzaken.
8.1.
Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de Pw. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de Pw.
8.2.
Zoals de CRvB in vier uitspraken van 10 december 2024 [5] tot uitdrukking heeft gebracht, moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
8.3.
Het college heeft in wat eiser heeft aangevoerd bij afweging van de betrokken belangen niet als dringende redenen hoeven aanmerken om geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien. In dat verband is allereerst van betekenis dat de terugvordering niet is ontstaan door toedoen van het college maar door schending van de inlichtingenverplichting door eiser. Het betoog van eiser dat het college zijn verkoopactiviteiten eerder had moeten opmerken, slaagt niet. Zoals het college ter zitting heeft toegelicht wordt er in het kader van de jaarlijkse hercontrole niet om bankafschriften gevraagd. Het college heeft voorafgaande aan het welstandsgesprek in 2023 de bankafschriften opgevraagd en heeft toen pas de verkoopactiviteiten opgemerkt. Dat het college een aandeel heeft gehad in het laten oplopen van het terugvorderingsbedrag volgt de rechtbank daarom niet. Eiser heeft daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat er vanwege zijn psychische en lichamelijke klachten redenen zijn om (gedeeltelijk) van de terugvordering af te zien. Uit de door eiser overgelegde verklaring van zijn psycholoog volgt namelijk niet dat zijn klachten zijn ontstaan of worden verergerd door de terugvordering.
8.4.
Het betoog van de gemachtigde van eiser ter zitting dat het college de aangevoerde dringende redenen niet aan de ruimere invulling van het begrip ‘dringende redenen’ heeft getoetst doordat niet alle feiten en omstandigheden zijn meegewogen, slaagt evenmin. Uit de uitspraken van 10 december 2024 volgt dat het aan eiser is om feiten en omstandigheden aan te voeren die maken dat – volgens hem – sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Het is vervolgens aan de bijstandverlenende instantie om, zo nodig, daarnaar nader onderzoek te doen. Het is de rechtbank niet gebleken dat het college de feiten en omstandigheden die eiser heeft aangevoerd onvoldoende heeft beoordeeld in het kader van de dringende redenen.
8.5.
Voor zover de gemachtigde van eiser hierbij heeft gewezen op een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 4 juni 2025 [6] is de rechtbank van oordeel dat dit geen vergelijkbare situatie betreft. De rechtbank Oost-Brabant heeft namelijk meegewogen dat het college een aandeel heeft gehad in het ontstaan van de terugvordering en dat eiser niet bewust de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Dit is in de onderhavige zaak niet vast komen te staan. De vergelijking gaat daarom niet op. Ook de verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank van Amsterdam van 14 juni 2025 [7] kan eiser niet baten. In die zaak ging het om een situatie van gedwongen prostitutie en uitbuiting, waarbij eiseres geen baat heeft gehad bij haar inkomsten en het haar niet kon worden verweten dat zij geen melding van de (gedwongen) prostitutie had gemaakt bij de gemeente. De rechtbank ziet niet in hoe dit kan worden vergeleken met de situatie van eiser.
8.6.
Eiser heeft gelet op het voorgaande dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de nadelige gevolgen van het terugvorderingsbesluit voor hem onevenredig zijn in verhouding tot het met de terugvordering te dienen doel, namelijk dat het college terugkrijgt wat eiser ten onrechte aan bijstand heeft ontvangen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit gehandhaafd blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E. van Essen, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 8 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM9097.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 12 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:996 en van 5 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3513.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM3466 en ECLI:NL:CRVB:2024:1644.
4.Zie bijvoorbeeld de CRvB van 6 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU9167.