ECLI:NL:RBDHA:2026:5745
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming van derdelander Oekraïne en terugkeerbesluit naar Marokko
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende derdelander die rechtmatig verbleef in Oekraïne, kreeg tijdelijke bescherming in Nederland na de inval in Oekraïne. Verweerder besloot op 7 februari 2024 de tijdelijke bescherming te beëindigen per 4 maart 2024, waarna eiser binnen vier weken moest terugkeren naar Marokko. Na prejudiciële vragen aan het HvJ EU en daaropvolgende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en rechtbank, nam verweerder op 31 juli 2025 een vervangend terugkeerbesluit.
Eiser voerde aan dat het besluit onrechtmatig was, onder meer vanwege het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, zijn persoonlijke omstandigheden, en het risico bij terugkeer naar Marokko. Hij stelde ook dat hij onvoldoende gelegenheid had gehad om zijn omstandigheden toe te lichten en dat het terugkeerbesluit onterecht in het SIS werd gesignaleerd.
De rechtbank oordeelde dat het beëindigen van de tijdelijke bescherming van derdelanders Oekraïne toegestaan is en dat de bevriezingsmaatregel slechts een feitelijke opschorting betrof. Het beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel faalde. Het risico op ernstige schade bij terugkeer naar Marokko was niet aannemelijk gemaakt. Ook was eiser voldoende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze te geven. Het terugkeerbesluit voldoet aan de vereisten van de Terugkeerrichtlijn en het EVRM-artikel 8 is Pro niet van toepassing in deze procedure.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het terugkeerbesluit en veroordeelde verweerder in de proceskosten van €1.868. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot beëindiging van tijdelijke bescherming en het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.