ECLI:NL:RBDHA:2026:5746
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming van derdelander Oekraïne en terugkeerbesluit
Eiser, een Indiase nationaliteit dragende derdelander Oekraïne, kreeg tijdelijke bescherming in Nederland na zijn vlucht vanwege de inval in Oekraïne in februari 2022. Verweerder besloot op 7 februari 2024 de tijdelijke bescherming te beëindigen, waarna het beroep van eiser werd aangehouden in afwachting van prejudiciële vragen aan het HvJ EU. Na beantwoording van deze vragen en daaropvolgende jurisprudentie nam verweerder op 18 juli 2025 een vervangend terugkeerbesluit.
Eiser voerde aan dat het besluit onrechtmatig was, onder meer vanwege het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, onvoldoende hoor en wederhoor, en risico’s bij terugkeer naar India op grond van artikel 3 EVRM Pro. Ook stelde hij dat het terugkeerbesluit onterecht in het SIS werd gesignaleerd. Verweerder stelde dat beëindiging van facultatieve tijdelijke bescherming toegestaan is, dat het hoor en wederhoor adequaat was, en dat artikel 8 EVRM Pro niet relevant is voor het terugkeerbesluit.
De rechtbank oordeelde dat het vervangende besluit voldoet aan de richtlijnen en jurisprudentie, dat de bevriezingsmaatregel geen rechtmatig verblijf oplevert en geen schending van rechtszekerheid of vertrouwen inhoudt. Het risico op ernstige schade bij terugkeer naar India is niet aannemelijk gemaakt. Ook is onvoldoende gebleken van een beschermenswaardig privéleven in Nederland. Het beroep wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en de tijdelijke bescherming wordt beëindigd met terugkeerverplichting naar India.